5
I
Erwin was naar Kitty's Diner gegaan, op zoek naar iets vertrouwds, een gezicht of stemgeluid dat hij kende en sympathiek vond, iets dat zijn opkomende paniek kon doen afnemen. In plaats daarvan had hij een vrouw die hij nooit eerder had gezien naar zijn moordenaar horen vragen, en toen was hij bijna gek geworden van machteloosheid. Hij had haar heftig toegesproken, zo hard dat hij zijn keel zou hebben hees geschreeuwd als hij een keel had gehad, terwijl zij Bosley liet horen hoe vuil ze gebekt was.
Toch was ze niet zo dom of gevoelloos als je uit die woordenwisseling zou kunnen afleiden. Eenmaal buiten, was ze blijven luisteren, en hij had zich zo dicht tegen haar aangedrukt dat het aanranding zou zijn genoemd als hij van vlees en bloed was geweest, en hij had haar keer op keer gezegd waar Fletcher was. Zijn volharding had vruchten afgeworpen. Ze was teruggegaan om die stadsplattegrond te halen, en terwijl ze die bestudeerde, had hij geprobeerd haar te waarschuwen dat Fletcher gevaarlijk was.
Ditmaal had ze hem niet gehoord. Hij wist niet zeker hoe dat kwam. Misschien konden mensen niet tegelijk kaartlezen en naar de doden luisteren. Misschien lag de fout bij hem en had hij het vermogen om met de levenden te spreken alweer binnen enkele seconden verloren. Hoe dan ook, hij had gehoopt dat het een vruchtbaar gesprek zou worden, maar het was van korte duur geweest en de vrouw was op haar motor weggereden voordat hij haar over Fletchers moorddadige neigingen kon vertellen. Hij maakte zich niet al te druk om haar welzijn. Als ze op zoek was naar Fletcher, zo redeneerde hij, zou ze vast wel weten waartoe hij in staat was, en gezien haar optreden in die cafetaria was ze geen katje om zonder handschoenen aan te pakken.
Hij zag hoe ze zich een weg baande door het verkeer op Main Street en was jaloers op haar omdat ze over vervoer beschikte. Hoewel hij altijd alleen maar minachting voor spookverhalen had gehad (in zijn ogen hadden die tot het verwaarloosbare rijk van fabelen en fantasie behoord), wist hij dat fantomen de reputatie hadden niet aan zwaartekracht gebonden te zijn. Ze zweefden, ze vlogen; ze zaten in bomen en op torenspitsen. Waarom voelde hij zich dan zo aan de aarde gebon-
den? Waarom gedroeg zijn lichaam - waarvan hij verdraaid goed wist dat het denkbeeldig was; het echte lichaam lag in zijn huiskamer - zich dan alsof de zwaartekracht zich nog kon laten gelden?
Met een zucht begon hij naar het huis terug te lopen. Als de terugreis even lang duurde als de heenreis, zou de ontmoeting die hij in de hand had gewerkt al voorbij zijn wanneer hij bij zijn huis aankwam. Maar wat kon een dolende ziel doen? Hij moest maar proberen zo goed mogelijk vooruit te komen en hopen dat hij na verloop van tijd beter zou begrijpen in welke staat hij nu verkeerde.
2
Phoebe ging onaangekondigd naar Erwins kantoor en kwam voor een dichte deur te staan. Onder normale omstandigheden zou ze gewoon naar huis zijn gegaan en tot maandag hebben gewacht, maar dit waren heel abnormale omstandigheden. Ze kon niet wachten; geen uur meer. Ze zou naar zijn huis gaan, besloot ze, en smeken om een halfuurtje van zijn tijd. Dat was toch niet te veel gevraagd? Vooral niet omdat ze de vorige dag zoveel moeite voor hem had gedaan.
Een eindje van het kantoor vandaan liep ze de drogisterij binnen en vroeg Maureen Scrimm, die haar haar had laten verven voor de feestelijkheden en er nu als een echte lichtekooi uitzag, of ze het telefoonboek even mocht inkijken. Maureen wilde roddelen, maar het was te druk in de winkel. Gewapend met Erwins privé-adres, verliet Phoebe de winkel, zodat Maureen weer kon lonken naar elke gezonde man van onder de vijfenzestig, en ging op weg naar Mitchell Street.
Mitchell Street was een rustige straat met mooie, goed onderhouden huizen. De gazons en heggen waren keurig bijgehouden en de hekjes en raamkozijnen zaten goed in de verf. Het was het soort toevluchtsoord waarover Tesla tijdens haar reis door de Amerika's vaak had gefantaseerd, een plaats waar de mensen aardig voor elkaar waren en zowel fysiek als geestelijk genoegen namen met hun bescheiden middelen. Het was gemakkelijk te raden waarom Fletcher hier zijn onderdak had gezocht. In de Grove had hij zijn eigen verbranding in scène gezet om gebruik te maken van de dromen van de gezonde, liefhebbende burgers van dat stadje, om een legioen van kampioenen op te roepen. Hallucigenia, had hij hen genoemd, en na zijn verscheiden had hij hen oorlog laten voeren in de straten van de Grove. Als er weer een oorlog op komst was, zoals Kate Farrell had voorspeld, waar kon hij dan beter op zoek gaan naar geesten waaruit hij nieuwe soldaten kon creëren dan in een
prettige buurt als deze, waar mensen nog vertrouwen in een fatsoenlijk leven hadden en waar helden te voorschijn geroepen konden worden om het te verdedigen?
Moet je jou toch eens horen, zei Raul, terwijl Tesla door de straat liep, op zoek naar Fletchers schuilplaats.
'Dacht ik hardop of was jij aan het meeluisteren?'
Meeluisteren, antwoordde Raul. En je verbaast me.
'Hoezo?'
Ik ben verbaasd over de manier waarop je hier loopt te kwijlen. Jij had de pest aan Palomo Grove.
'Het was nep.'
En dit niet?
'Nee. Dit ziet er... comfortabel uit.'
Jij bent te lang op reis geweest.
'Dat heeft er misschien wel iets mee te maken,' gaf Tesla toe. 'Ik ben inderdaad een beetje moe van al dat reizen. Maar dit lijkt me een prettige buurt om tot rust te komen...'
En kinderen groot te brengen? Jij en Lucien? Zou dat niet leuk zijn?
'Doe niet zo hatelijk.'
Goed, dat zou niet leuk zijn. Het zou een hel op aarde zijn.
Ze waren nu eindelijk bij het huis van de fluisteraar gekomen, een heel mooi huis bovendien.
Tesla...
'Wat?'
Fletcher was altijd een beetje gek, vergeet dat niet.
'Hoe zou ik dat kunnen vergeten?'
Dus vergeef hem zijn zonden...
'Jij bent opgewonden. Ik kan voelen dat je beeft.'
Ik noemde hem vroeger altijd vader. Hij zei dat ik dat niet moest doen, maar dat was hij nu eenmaal. Dat is hij. Ik wil hem terugzien...
'Ik ook,' zei ze. Het was voor het eerst dat ze dat met zoveel woorden toegaf. Ja, Fletcher was gek, en ja, hij was onvoorspelbaar. Maar hij was ook de man die de Nuncio had gecreëerd, de man die voor haar ogen in licht was veranderd, de man die haar half in heiligen had laten geloven. Als iemand het verdiende de vergetelheid te slim af te zijn, dan was hij het.
Ze begon het tuinpad op te lopen en keek of ze een teken van leven zag. Ze zag niemand. Alle gordijnen waren dicht, op één raam na, en er lagen nog twee kranten op de stoep.
Ze klopte aan. Er kwam niemand, maar dat verbaasde haar nauwelijks. Als Fletcher inderdaad hier was, zou hij waarschijnlijk niet opendoen. Voor de goede orde klopte ze opnieuw en ging toen naar het ene
raam waarvan de gordijnen niet dicht waren en tuurde naar binnen. Het was een eetkamer, ingericht met antiek meubilair. Degene die hier woonde als Fletcher er niet was, had wel smaak.
Er is iets mis met de riolering, zei Raul.
'De riolering?'
Ruik je niets ?
Ze snoof en er drong een vleug van iets onaangenaams tot haar door.
'Komt het van binnen?' vroeg ze Raul, maar voordat hij antwoord kon geven, hoorde ze voetstappen op het grindpad. Iemand zei:
'Zoekt u Erwin?'
Ze draaide zich om. Een paar meter van het hek vandaan stond een vrouw: groot, bleek en overdreven feestelijk gekleed.
'Erwin...' Tesla dacht snel na, '... ja. Ik was... Is hij er vandaag?'
De vrouw keek Tesla enigszins achterdochtig aan. 'Hij zou er wel moeten zijn,' zei ze. 'Hij is niet op kantoor.'
'Nou, ik heb geklopt, maar er werd niet opengedaan.' De vrouw keek nogal teleurgesteld. 'Ik wilde achterom gaan,' ging Tesla verder. 'Misschien ligt hij in de tuin te zonnen.'
'Hebt u de bel geprobeerd?' vroeg de vrouw.
'Nee, ik...'
De vrouw liep over het pad en drukte op de bel. Een suikerzoet geluid drong van binnen tot hen door. Tesla wachtte tien seconden. Toen er nog steeds geen teken van leven te bespeuren was, begon ze om het huis heen te lopen. Intussen drukte de vrouw nog eens op de bel.
'Rijp,' zei ze tegen Raul toen de stank van uitwerpselen nog heviger werd. Ze keek onder het lopen naar de grond, want ze verwachtte min of meer de laatste zending uit Erwins toilet uit een gesprongen buis te zien opborrelen. Maar er was niets te zien. Geen drollen, en ook geen Erwin die in de tuin lag te zonnen.
'Misschien is dit niet het huis dat hij bedoelde,' zei ze tegen Raul. ' Misschien is er een andere straat die als Mitchell klinkt.'
Ze liep terug en zag dat de beldrukster nu ook achterom kwam. Ze keek nogal opgewonden.
'Er is iemand binnen,' zei ze. 'Ik keek door de brievenbus en ik zag iemand aan het eind van de gang.'
'Was het Erwin?'
'Dat kon ik niet zien. Het was te donker.'
'Huh.' Tesla keek naar de muur, alsof haar ogen daar doorheen konden dringen als ze maar ingespannen genoeg keek.
'Er was iets raars aan hem...'
'Wat dan?'
'Ik weet het niet.' Ze was zo te zien nogal geschrokken.
'Wilt u de politie bellen?'
'Nee. Nee, we moeten Jed er maar niet mee lastig vallen. Misschien kom ik... u weet wel... kom ik later nog wel eens terug.'
Wat een nerveus type, zei Raul.
'Als er daarbinnen iets aan de hand is...' zei Tesla. 'Misschien ga ik toch maar even aan de andere kant kijken.' Ze begon weer naar de achtertuin te lopen. 'Ik heet trouwens Tesla,' riep ze over haar schouder.
'Ik ben Phoebe.'
Wel, wel... zei Raul. De overspelige vrouw.
Het kostte Tesla grote moeite om niet te zeggen: iedereen heeft het over je.
'Ben je familie van Erwin?' vroeg Phoebe haar.
'Nee, hoezo?'
'Het zijn mijn zaken niet, maar ik weet dat je niet uit Everville komt...'
'... en dus vroeg je je af wat ik hier deed,' zei Tesla, terwijl ze de achterdeur probeerde. Die zat op slot. Ze hield haar handen om haar ogen heen en tuurde door de ruit. Er waren een paar tekenen van leven: een pak sinaasappelsap lag omgevallen op tafel, er stond een stapeltje borden op het aanrecht, 'Ik kom niet voor Erwin,' ging Tesla verder. 'Ik ken Erwin niet eens.' Ze keek om naar Phoebe, die het blijkbaar niet zo erg vond dat ze met een potentiële inbreekster sprak.
'Ik kom voor een zekere Fletcher. Die naam zegt je zeker niets?'
Phoebe dacht een ogenblik na en schudde haar hoofd. 'Het is niet iemand uit Everville,' zei ze. 'Anders had ik hem wel gekend.'
'Klein stadje, hè?'
'Het wordt een beetje te klein voor mij,' zei Phoebe, die slechtgemutst was en geen kans zag het te verbergen, iedereen weet zo ongeveer wat iedereen doet.'
ik heb zelf ook een paar geruchten gehoord.'
'Over mij?' zei Phoebe.
'Jij bent toch Phoebe Cobb?'
Phoebe perste haar lippen op elkaar. 'Was ik dat maar niet,' zei ze, 'maar ja, ik ben Phoebe Cobb.' Ze zuchtte. Van haar robuuste façade was niet veel meer over. 'Wat je ook hebt gehoord...'
'Het kan me geen moer schelen,' zei Tesla. ik weet dat het allemaal niet leuk voor je is...'
ik heb betere tijden gekend,' zei Phoebe, en plotseling hoorde ze blijkbaar zelf hoe verslagen ze klonk en vermande ze zich. 'Zeg, het ziet ernaar uit dat meneer Toothaker voor geen van ons beiden wil opendoen.'
Tesla glimlachte. 'Toothaker? Heet hij zo? Erwin Toothaker?'
'Wat is daar zo grappig aan?'
'Niets. Ik vind het perfect,' zei Tesla. 'Erwin Toothaker.' Ze tuurde weer door de ruit.
De deur die naar de rest van het huis leidde, stond op een kier, en opeens zag ze een kronkelende schim door die opening gaan.
Ze deinsde achteruit, wel twintig centimeter van de achterdeur vandaan.
'Wat is er?' zei Phoebe.
Tesla knipperde met haar ogen, bevochtigde haar lippen en keek nog een keer. 'Houdt onze Erwin slangen?' zei ze.
'Slangen?'
'Ja, slangen.'
'Niet dat ik weet. Hoezo?'
'Hij is nu weg, maar ik had kunnen zweren dat ik...'
Tesla? mompelde Raul.
'Wat?'
Slangen en de stank van stront. Waar doet die combinatie je aan denken?
Ze gaf geen antwoord, deinsde alleen maar nog verder achteruit. Plotseling brak het klamme zweet haar uit. Nee, zei haar geest, nee, nee, nee. Niet Lix. Niet hier. Niet in deze uithoek.
Tesla, beheers je.
Ze beefde plotseling van top tot teen.
is hij er weer?' zei Phoebe, die een stap deed in de richting van de deur.
'Niet doen,' zei Tesla.
'Ik ben niet bang voor slangen.'
Tesla stak haar hand uit om Phoebe tegen te houden. 'Ik meen het,'
zei ze.
Phoebe duwde haar arm opzij. 'Ik wil kijken,' zei ze nadrukkelijk, en ze drukte haar gezicht tegen de ruit. ik zie niets.'
'Het kwam en ging.'
'Of het is er nooit geweest,' antwoordde Phoebe. Ze keek Tesla weer aan. 'Je ziet er niet zo goed uit,' zei ze.
'Ik voel me ook niet zo goed.'
'Heb je een fobie?'
Tesla schudde haar hoofd. 'Niet voor slangen.' Ze trok voorzichtig aan Phoebes arm. 'Ik vind echt dat we weg moeten gaan.'
Misschien kwam het door de grimmige klank van haar stem, of misschien door de uitdrukking op haar asgrauwe gezicht. Hoe dan ook, Phoebe was er meteen van overtuigd dat het haar ernst was, want zij deinsde nu ook achteruit, weg van de achterdeur.
'Misschien heb ik het me maar verbeeld,' zei Tesla, en ze hoopte bij
elke god die maar wilde luisteren dat het waar was. Ze was overal op voorbereid, maar niet op Lix.
Met Phoebe achter haar aan liep ze naar de voorkant van het huis en ging over het tuinpad naar de straat.
'Gaat het weer?' zei Phoebe.
'Wil je met me meelopen?' zei Tesla, en ze gaf het tempo aan, tot ze zo'n vijftig meter van het huis vandaan waren. Toen ging ze pas langzamer lopen.
'Gaat het weer?' zei Phoebe opnieuw, ditmaal een beetje geïrriteerd.
Tesla keek naar de hemel en haalde een paar keer diep adem om tot rust te komen. Toen zei ze: 'Dit is nog erger dan ik had verwacht.'
'Wat? Waar heb je het over?'
Tesla haalde weer diep adem. ik denk dat er iets kwaadaardigs in dat huis is,' antwoordde ze.
Phoebe keek achterom. De straat lag kalm in de middagzon.
ik weet dat het moeilijk te geloven is...'
'O nee,' zei Phoebe meteen. 'Ik geloof het best.' Toen ze Tesla weer aankeek, had ze een strak glimlachje op haar gezicht. 'Dit stadje is wreed,' zei ze. 'Het ziet er niet naar uit, maar het is het wel.'
Tesla begon het gevoel te krijgen dat het misschien toch geen toevallige samenloop van omstandigheden was dat zij elkaar hadden ontmoet. 'Wil je erover praten?'
'Nee,' zei Phoebe.
'Goed, dan zal ik niet proberen...'
'Ik bedoel ja,' zei Phoebe. 'Ja, ik wil erover praten.'