2
I
Die dingen; die dingen: wat waren nu precies die dingen? De volgende weken, waarin de karavaan zich een weg door Idaho zocht, in het spoor van vijf jaar karavaanreizen naar het Westen, verbaasde Maeve zich steeds weer over het mysterie van alles wat ze die dag had gezien en gehoord. Overigens was die verbazing een vorm van afleiding - net als het samenvoegen van droomflarden - afleiding van de eentonige reis. Het eind van de maand juni en de hele volgende maand was het benauwend heet. Niemand had energie voor spelletjes. Volwassenen hadden het gemakkelijker, dacht Maeve. Ze hadden landkaarten waarop ze konden kijken en vetes waarover ze zich druk konden maken. En ze hadden dat gedoe tussen mannen en vrouwen dat haar met haar tien jaren te boven ging maar dat ze wel heel graag zou willen begrijpen. Voor zover zij het kon bekijken, was het duidelijk dat jonge mannen veel wilden doen voor een meisje dat hen in haar ban kon krijgen. Ze liepen haar als hondjes achterna om haar te helpen en haar te voorzien van alles wat ze nodig had. Zo nodig maakten ze zich volslagen belachelijk. Ze begreep die rituelen niet goed, maar ze was een goede leerling, en dit was, in tegenstelling tot de raadselachtige meneer Buddenbaum, een mysterie waarvan ze wist dat ze het uiteindelijk zou oplossen.
Haar vader was na het conflict met Whitney erg stil geworden. Hij ging nog minder met de andere reizigers om, en als hij dat toch deed, wisselde hij alleen nietszeggende beleefdheden met hen. In de veiligheid en beslotenheid van zijn wagen bleef hij de plannen voor de bouw van Everville bestuderen. Aandachtiger dan ooit boog hij zich over zijn plattegronden. Ze deed maar één keer een poging om hem daar achter vandaan te krijgen en toen zei hij streng tegen haar dat ze hem met rust moest laten. Hij was van plan, zei hij, om Everville in zijn geheugen te prenten. Wanneer Pottruck of Goodhue of lieden van dat slag erin zouden slagen de plattegronden te vernietigen, zou hij de schitterende stad uit zijn geheugen kunnen opbouwen.
'Je moet geduld hebben, meisje,' zei hij, en toen keek hij wat minder streng. 'Nog een paar weken en we zijn over de bergen. Dan vinden we een vallei en kunnen we beginnen.'
Zoals altijd vertrouwde ze op hem, en ze liet hem bij zijn papieren achter. Wat waren een paar weken? In die tijd zou ze zich tevreden stellen met het drievoudig mysterie van dromen, onuitgesproken dingen en het gedoe tussen mannen en vrouwen.
Binnenkort zouden ze in Oregon zijn. Daar twijfelde ze geen moment aan.
2
Maar nog voordat de maand augustus voorbij was, verdween de hitte als bij toverslag. Aan het eind van de derde week, toen de Blue Mountains zelfs voor het scherpste oog nog niet zichtbaar waren en de voedselrantsoenen zo klein waren dat sommigen te zwak waren om te lopen, werd bij de kampvuren rondverteld dat er volgens welgezinde Indianen al buitengewoon hevige stormen vanuit de hoogten neerdaalden. Sheldon Sturgis, die de karavaan tot dan toe met losse hand had geleid (volgens sommigen was dat zijn stijl; volgens anderen was hij gewoon slap en had hij een zwak voor drank), begon nu degenen die de voortgang vertraagden tot spoed te manen. Omdat het aantal zwakke en zieke reizigers gestaag toenam, werden er steeds meer fouten gemaakt en gebeurden er steeds meer ongelukken. Daarnaast deden zich de problemen voor die op een dergelijke reis nu eenmaal onvermijdelijk waren: gebroken wielen, gewonde dieren, versperde doorgangen.
Ergens in het begin van september werd de dood een medereiziger; dat dacht Maeve tenminste. Ze zag hem niet meteen, maar wist zeker dat hij er was. Hij was in het land om hen heen en doodde levende dingen met zijn aanraking of zijn adem. Bomen die in deze tijd van het jaar vruchten zouden moeten dragen, hadden hun bladeren al laten vallen en stonden er naakt bij. Dieren, groot en klein, lagen dood of stervend langs het pad. In deze september werden alleen kadavervliegen vet, maar de dood was toch ook een vriend van vliegen?
Als ze 's avonds wachtte tot de slaap zou komen, hoorde ze mensen in de andere wagens bidden. Ze smeekten God om de dood bij hen vandaan te houden.
Het hielp niet. De dood kwam toch. Naar Marsha Winthrops zoontje William, dat twee weken voordat de tocht begon in Missouri was geboren. Naar Jack Pottrucks vader, evenals zijn zoon een verschrikkelijke man, die plotseling verzwakte en in het holst van de nacht het leven liet (niet stilletjes, zoals het kind van de Winthrops, maar met verschrikkelijke kreten en vloeken). Naar de zusters Brenda en Meriel Schonberg, twee oude vrijsters, wier overlijden pas werd ontdekt toen
de karavaan tegen de avond tot stilstand kwam en hun wagen gewoon doorreed, de vrouwen dood aan de teugels.
Maeve vroeg zich onwillekeurig af waarom de dood juist deze mensen had uitgekozen. Ze kon zich voorstellen waarom hij haar moeder had genomen: die was mooi en gracieus en liefdevol geweest. Door haar weg te halen had hij de wereld armer en zichzelf rijker willen maken. Maar wat wilde hij met een baby en een oude man en twee verschrompelde zusters?
Ze viel haar vader niet met zulke vragen lastig; hij maakte zich al druk genoeg. Hoewel hun wagen nog geen gebreken vertoonde en hun paard in gezondheid voor geen enkel ander paard uit de karavaan onderdeed, wist ook hij dat de dood als een onwelkome ruiter met hen meereed. Dat zag ze aan de blik in zijn doffe ogen. Ze begon zelf naar de ruiter uit te kijken, want misschien kon ze haar vader geruststellen door hem de vijand aan te wijzen. Dan zou ze kunnen zeggen: ik weet de kleur van zijn paard en van zijn hoed, en als hij bij ons komt, zal ik hem herkennen en hem afschrikken met een gebed of een lied. Meer dan eens meende ze hem te zien, zigzaggend tussen de wagens die meer naar voren reden, een donker silhouet in het stof. Maar ze was er nooit helemaal zeker van en hield liever haar mond dan dat ze haar vader iets vertelde waar ze zelf aan twijfelde.
En de dagen verstreken, en de kou werd heviger, en toen eindelijk de Blue Mountains in zicht kwamen, waren de hellingen onder de boomgrens wit en de wolken achter de bergen duister van al het ijs dat ze droegen.
En Abilene Welsh en Billy Baxter, die 's zomers veel aanleiding tot geroddel (en tonggeklak van Martha Winthrop) hadden gegeven, werden op een ochtend bevroren in eikaars armen gevonden, overmand door de dood terwijl ze, ver van de warme vuren, van eikaars nabijheid genoten. Toen ze begraven werden en Doe Hodder over hun eeuwige vereniging in het Koninkrijk des Heren sprak, waar de zonden die ze wellicht hadden begaan in de naam van de liefde vergeven zouden worden, keek Maeve op naar de grauwe hemel en zag ze de eerste sneeuwvlokken omlaag dwarrelen. En dat was het begin van het einde.
Daarna keek ze niet meer uit naar dood de ruiter. Wanneer hij de wagens ooit als ruiter had vergezeld, zoals zij had vermoed, had hij die gedaante nu afgeworpen. Hij was eenvoudiger geworden. Hij was ijs.
Het doodde in korte tijd veel van de reizigers, en degenen die niet stierven, kwelde het met voorstellingen van wat hen te wachten stond. Het vertraagde de hersenen en liet het bloed stollen; het deed de vingers trillen en verstijfde de voeten; het deed de pezen verstrakken; het bekleedde de longen met een laagje rijp.
Zelfs nu er zoveel mensen dood waren en de rest stervende was, hoorde Maeve haar vader soms zeggen: 'Zo zou het niet moeten zijn,' alsof hem een belofte was gedaan die nu werd gebroken. Ze wist zeker wie die belofte had gedaan. Meneer Buddenbaum. Hij was degene die het hart van haar vader met ambities had vervuld, die hem geschenken had gegeven en hem had gezegd dat hij naar het Westen moest gaan om een stad te bouwen. Hij was degene die voor het eerst het woord Everville had gefluisterd. Misschien, begon ze te denken, had Whitney gelijk. Misschien was de duivel inderdaad in de gedaante van meneer Buddenbaum naar haar vader gekomen om hem in verleiding te brengen en om hem, die goedgelovige ziel, met dromen te vervullen, en dat dan alleen omdat hij het leuk vond zijn hart te zien breken. Het probleem kwelde haar dag en nacht, en nooit heviger dan toen haar vader zich midden in de sneeuwstorm naar haar toe boog en zei: 'We moeten sterk zijn, meisje. We mogen niet sterven, want dan sterft Everville met ons!'
Van honger en uitputting balanceerde ze nu op de rand van een delirium. Soms zag ze weer voor zich hoe ze op het schip uit Liverpool stond en met haar vingertoppen aan de ijzige reling vastzat. Soms was ze weer in Ierland en at ze gras en wortels van planten om de pijn in haar buik te verdrijven. In heldere ogenblikken vroeg ze zich af of dit een soort proef was die haar vader moest afleggen; Buddenbaums manier om te kijken of de man die hij de droom van Everville had gegeven sterk genoeg was om in leven te blijven. Die gedachte leek haar zo logisch dat ze hem niet voor zich kon houden.
'Papa...?' zei ze, en ze pakte hem bij zijn jas.
Haar vader draaide zich naar haar om. Zijn gezicht was nauwelijks zichtbaar onder zijn capuchon. Ze zag alleen een van zijn ogen, maar dat keek haar met evenveel liefde aan als altijd.
'Wat is er, kind?' zei hij.
'Misschien... Misschien was het voorbestemd.'
'Wat bedoel je?'
'Misschien kijkt meneer Buddenbaum naar ons om te zien of we het verdienen zijn stad te bouwen. Misschien zal hij, juist als wij denken dat we niet verder kunnen, te voorschijn komen en tegen ons zeggen dat het een proef was, en misschien zal hij ons dan de weg wijzen naar het dal.'
'Dit is geen proef, kind. Dit is wat er in de echte wereld gebeurt. Dro
men sterven. De kou komt uit het niets en maakt ze dood.' Hij sloeg zijn arm om zijn dochter heen en drukte haar tegen zich aan, al had hij nog maar heel weinig kracht.
'Ik ben niet bang, papa,' zei ze.
'Nee?'
'Nee, dat ben ik niet. We zijn samen een lange weg gegaan.'
'Dat is zo.'
'Weet je nog hoe het thuis was? Dat we dachten dat we van honger zouden omkomen? Maar we kwamen niet om. En toen op het schip. Links en rechts van ons werden mensen door de golven overboord geslagen, en we dachten dat we vast en zeker zouden verdrinken. Maar de golven gingen aan ons voorbij. Dat is toch zo?'
Zijn gebarsten, witte lippen vormden een vaag glimlachje. 'Ja, mijn kind, dat is zo.'
'Meneer Buddenbaum wist wat we hadden doorgemaakt,' zei Maeve. 'Hij wist dat er engelen over ons waakten. En mama ook...'
Ze voelde dat haar vader huiverde, ik droomde vannacht van haar...,' zei hij.
'Was ze mooi?'
'Als altijd. We zweefden zij aan zij in een kalme, kalme zee. En ik zweer je, als ik niet had geweten dat jij hier was, mijn kind, dat jij op me wachtte...'
Hij maakte de zin niet af. Uit de blinde witheid voor hen klonk een enkele stoot op een trompet, een klank van triomf die meteen een koor van kreten uit de wagens voor en achter hen liet opgaan.
'Hoorde je dat?'
'Er is nog iemand hierboven!'
Weer trompetgeschal, en weer, en weer. Elk signaal steeg op uit de echo van het vorige, tot de hele witte wereld vervuld was van schallend kopergezang.
De wagen van de familie Sturgis, die voor hen reed, was tot stilstand gekomen, en Sheldon riep naar achteren. Hij liet een groep mannen bij zich komen.
'Stratton! Whitney! O'Connell! Pak jullie geweren!'
'Geweren?' zei Maeve. 'Papa, waarom wil hij geweren?'
'Ga maar in de wagen, meisje,' zei Harmon, 'en blijf daar tot ik terug ben.'
Het trompetgeschal was een ogenblik weggestorven, maar nu kwam het weer opzetten, schitterender dan tevoren. Toen ze op de wagen klom, voer er bij ieder trompetsignaal een rilling door Maeves magere lichaam, alsof de muziek haar spieren en merg verzwakte. Ze begon te huilen, zag haar vader met zijn geweer in zijn hand verdwijnen. Ze huilde niet
omdat ze zich zorgen over hem maakte, maar omdat ze zelf de sneeuw in wilde gaan om te zien wat voor trompetten het geluid maakten dat haar op zo'n vreemde manier ontroerde, en wat voor mensen er op die trompetten bliezen. Misschien waren het helemaal geen mensen, dacht ze met haar koortsige hoofd. Misschien waren de engelen over wie ze enkele minuten geleden in haar onwetendheid had gesproken nu naar de aarde gekomen en was dit hun bazuingeschal.
Ze tuurde in de sneeuw, want plotseling was ze er volkomen zeker van dat het engelen waren. Hun hemelse wachters waren hen komen redden, en waarschijnlijk mama ook. Als ze goed keek, zou ze hen straks zien, goud en blauw en purper. Ze ging rechtop staan, zich vasthoudend aan het zeildoek van de wagen, om verder te kunnen kijken en tuurde in alle richtingen in de sneeuw. Haar inspanningen werden beloond. Net op het moment dat de trompetten aan hun derde halleluja begonnen, week de sneeuw enkele ogenblikken uiteen. Links en rechts verhieven de bergen zich als de kaken van een val, en recht voor zich uit zag ze een enkele titanische piek. Het onderste deel van de helling was bedekt met bos. Dat bos begon niet meer dan honderd meter van de wagen vandaan en de muziek die ze hoorde kwam uit die richting, daar was ze zeker van. Haar vader en de andere mannen waren nergens te bekennen, maar ze waren ongetwijfeld tussen de bomen verdwenen. Ze kon hen gerust volgen, en het zou geweldig zijn als ze aan haar vaders zijde was wanneer hij met mama werd herenigd. Zou het niet heerlijk zijn haar moeder te kussen, omringd door engelen, terwijl Whitney en al die mannen die haar vader hadden geminacht met grote ogen toekeken?
De opening in de sluier van sneeuw sloot zich weer, maar niet voordat zij van de wagen was gesprongen en in de richting van de bomen begon te lopen. Binnen enkele seconden had de sneeuw niet alleen het bos dat voor haar lag helemaal onzichtbaar gemaakt, maar ook de wagens achter haar. Ze liep blindelings door een witte wereld, struikelend bij iedere stap. De sneeuw was hier en daar verraderlijk diep, en soms zakte ze zo ver weg dat ze bang was levend begraven te worden. Maar juist toen haar verkleumde ledematen dreigden te bezwijken, hoorde ze de trompetten opnieuw. De muziek bracht haar weer tot leven en vervulde haar met een gevoel van gelukzaligheid. Daar voor haar lag een stukje van het paradijs. Engelen en mama en haar liefhebbende vader, met wie ze een stad zou bouwen waarover de hele wereld zich zou verwonderen.
Ze zou niet sterven, daar was ze zeker van. Niet vandaag, en ook de komende jaren niet. Er stond haar een grootse taak te wachten en de engelen wisten hoe ver ze had gereisd om dat werk te doen en zouden haar niet laten omkomen in de sneeuw.
En nu zag ze de bomen voor zich, naaldbomen hoger dan alle huizen van de wereld. Ze verhieven zich als een muur van schildwachten. Roepend om haar vader, rende ze eropaf, zonder acht te slaan op de kou en de schrammen en haar tollende hoofd. De trompetten waren dichtbij en er flitsten kleuren in haar ooghoek, alsof een stuk of wat engelen, die hun instrument nog niet ter hand hadden genomen, om haar heen vlogen en ze alleen een glimp van de punten van hun vleugels mocht opvangen.
Gedragen door onzichtbare handen, werd ze onder het baldakijn van bomen geleid, daar waar de sneeuw niet kon komen. De grond was zacht van de dennenaalden en ze liet zich op haar knieën zakken en haalde tien keer diep adem, terwijl het geluid van de trompetten haar diep beroerde.