9

I

In Everville was er een eind aan het grote ontkennen gekomen, en ook aan de muziek. Zelfs degenen die zo dronken van drank of liefde wa­ren dat ze hun eigen naam waren vergeten, konden niet meer doen als­of alles goed was met de wereld. Er gebeurde iets op de berg. De he­mel schudde ervan. De straten schudden ervan. Hun hart schudde ervan.

Sommige van de feestvierders waren naar buiten gekomen om de Hoogten beter te kunnen zien en wisselden nu theorieën uit over wat er aan de hand zou kunnen zijn. Sommigen kwamen met rationele ver­klaringen, anderen met absurde speculaties. Het was een aardbeving, het was een meteoor die insloeg. Het was een gevallen ster, het was een eruptie uit de aarde.

We moeten hier weg, zeiden sommigen, en ze gingen er haastig van­door.

We moeten blijven, zeiden anderen, en kijken of er iets gebeurt dat we ons de rest van ons leven herinneren...

Owen Buddenbaum zat alleen in de Nook, die verder helemaal was leeg­gelopen. Hij dacht geobsedeerd aan Tesla Bombeck. Ze had pas laat au­ditie gedaan voor dit stuk, maar het begon er verontrustend veel op te lijken dat ze de ster was.

Hij wist natuurlijk wat ze de laatste tijd had gedaan. Hij had het be­langrijk gevonden om dat aan de weet te komen. Voor zover hij kon nagaan, had ze geen grote visie en beschikte ze ook niet over veel ac­teertalent. Vasthoudend was ze wel; o ja, dat was ze zeker. Maar dat waren terriërs ook. En hij moest met tegenzin erkennen dat ze over nog­al wat drieste moed beschikte, en liefde voor het gevaar.

Er was één verhaal over haar dat die aspecten van haar karakter goed illustreerde. Dat was het verhaal van Bombeck die in of onder de ruï­nes van Palomo Grove met Randolph Jaffe onderhandelde. In dat sta­dium had Jaffe zijn aspiraties als Kunstenaar op niets zien uitlopen en was hij, zo ging het verhaal, vervallen tot niets meer dan een grillige krankzinnige. Ze had zijn hulp nodig gehad. Hij had die hulp niet wil­len geven, maar ze had hem gepaaid tot hij haar een van de medaillons

had gegeven die identiek waren aan het medaillon dat onder het kruis­punt begraven lag, en hij had tegen haar gezegd dat als ze binnen een bepaalde periode de betekenis van dat medaillon zou begrijpen hij haar zou helpen. Als het haar niet lukte, zou hij haar doden.

Ze had de uitdaging natuurlijk aanvaard en was erin geslaagd het kruis te decoderen. Zo had ze de Jaff tot haar bondgenoot gemaakt, in elk geval voor een tijdje. Het feit dat ze had ontdekt wat de symbolen betekenden, had in Buddenbaums ogen niet veel betekenis. Het feit dat ze haar leven op het spel had gezet terwijl ze nog met het probleem wor­stelde, had dat wel.

Een vrouw die bereid was zo'n groot risico te nemen was gevaarlij­ker dan een geest. Als Seth haar naar hem toebracht, zou hij er klaar voor moeten zijn om haar in een oogwenk te elimineren...

2

Tesla was halverwege over het pad naar Phoebes voordeur toen ze ie­mand van de stoep zag opstaan.

'Ik heb u overal gezocht,' zei hij. Het was de jongen van het kruis­punt, Buddenbaums vaalgele volgeling. 'Ik ben Seth,' zei hij.

'Wat wil je?'

'Het gaat er eigenlijk niet om wat ïk wil...'

'Wat je ook te verkopen hebt, ik ben niet geïnteresseerd,' zei ze. 'Ik heb hier een baby die verzorging nodig heeft.'

'Laat mij dan helpen,' zei Seth. Zijn woorden hadden iets meelij­wekkends. ik kan goed met kinderen omgaan.'

Ze was te moe om te weigeren. Ze gooide de sleutels in zijn richting. 'Pak op en maak de deur open,' zei ze tegen hem. Terwijl hij dat deed, wierp ze een blik op de berg, die net zichtbaar was tussen de huizen aan de overkant. Bij de top steeg een rokende spiraal van mist op.

'Weet u wat er daarboven aan de hand is?' zei Seth.

'Ik heb een sterk vermoeden.'

'Het is gevaarlijk, nietwaar?'

'Dat is een understatement.'

'Buddenbaum zegt...'

'Heb je de deur nog niet open?'

'Ja.' Hij duwde hem wijd open.

'Doe het licht aan.' Hij deed het. ik wil pas over Buddenbaum pra­ten als ik zeker weet dat het kind niets mankeert,' zei ze, en ze liep het huis in.

'Maar hij zegt...' 'Het kan me geen moer schelen wat hij zegt,' zei ze heel rustig tegen hem. 'Nou, ga je me nog helpen of ga je weg?'

3

Harry en Raul hadden de boomgrens al bijna bereikt toen Raul opeens bleef staan.

'Ik hoor iemand praten...' zei hij. 'Ik hoor niets.'

'Nou, ik wel,' antwoordde Raul, om zich heen kijkend. Er was nie­mand te zien. 'Ik hoorde wel vaker zulke stemmen toen ik nog in Tesla's hoofd zat.'

'Wie zijn het dan?' 'De doden, denk ik.' 'Hmm.'

'Interesseren ze je niet?'

'Dat hangt ervan af wat ze willen.'

'Hij zegt iets over zijn vrouw, dat hij zijn vrouw heeft gevonden...'

'Hij hoort me!' riep Coker uit. 'Goddank! Hij hoort me!'

Erwin keek naar de bergtop en dacht weer aan wat Dolan had ge­zegd toen ze voor zijn snoepwinkel hadden gestaan: wij zijn net rook. Misschien was dat nog niet zo erg, rook te zijn, tenminste niet wanneer de wereld zou worden overweldigd door wat hij daarboven had gezien en wat nu door een barst in de hemel kwam.

Intussen sprak Coker tegen het wezen dat D'Amour had gered en leid­de hij hem de bomen in...

Er waren daar twee mensen in de schaduw. De een was een vrouw van hoge leeftijd. Ze zat met haar rug tegen een boomstronk en dronk uit een zilveren flacon. De ander was een man die een paar meter van haar vandaan op zijn buik lag.

'Hij is dood,' zei de vrouw toen Harry zich over de man heen boog om hem te onderzoeken. 'Vervloekte kerel.'

'Ben jij een van Zury's mensen?' vroeg Harry haar. De vrouw gaf wat slijm op en spuwde een paar centimeter van Har­ry vandaan op de grond. 'Maria Moeder van God, zie ik eruit als een van Zury's mensen?' Ze prikte met haar vinger in Rauls richting. 'Dat is er een van hem!'

'Hij ziet er misschien zo uit,' wierp Harry tegen, 'maar hij heeft de ziel van een man.'

'Dank je,' zei Raul tegen Harry.

'Nou, en ben jij man genoeg om me naar beneden te dragen?' zei de vrouw tegen Harry. 'Ik wil mijn stad zien voordat de wereld naar de hel gaat.' 'Jóuw stad?'

'Ja, de mijne! Ik ben Maeve O'Connell en die verrekte stad...' Ze wees door de bomen omlaag naar Everville. 'Die verrekte stad zou helemaal niet zijn ontstaan als ik er niet was geweest!'

'Luister naar haar,' jubelde Coker. 'O God in de Hemel, luister naar haar.' Hij knielde naast de helleveeg neer, zijn beestachtige gezicht een en al ge­lukzaligheid. 'Nu weet ik waarom ik niet de vergetelheid ben ingegaan, Erwin. Nu weet ik waarom ik al die jaren heb gewacht, daar op die berg. Om hier te zijn en haar gezicht te zien. Om haar stem te horen.' 'Ze zal het nooit weten,' zei Erwin.

'O, maar dat zal ze. Die Raul zal namens mij spreken. Ze zal weten hoeveel ik van haar heb gehouden, Erwin. Hoeveel ik nog steeds van haar hou.'

'Blijf met je handen van me af!' bulderde Maeve tegen Raul. 'Ik ga op de rug van deze man of anders kruip ik er wel op mijn handen en knieën naartoe.' Ze wendde zich tot Harry. 'Nou, pak je me nog op of niet?' 'Dat hangt ervan af,' zei Harry. 'Waarvan?'

'Of je je mond kunt houden of niet.'

De vrouw keek hem aan alsof hij haar een klap in haar gezicht had gegeven. Toen vormden haar dunne lippen een glimlach. 'Hoe heet je?' zei ze.

'D'Amour.'

'Liefde?'

'Liefde.'

Ze kreunde. 'Daarmee ben ik nooit ergens gekomen waar ik wilde zijn,' zei ze.

'Dat meent ze niet,' zei Coker. 'Dat kan ze niet...'

'Mensen veranderen,' zei Erwin. 'Hoeveel jaren zijn het geweest?' 'Ik ben niet veranderd,' zei Coker.

'Daar kun jij niet over oordelen,' zei Erwin. 'Het heeft geen zin dat je daarover je hart breekt.'

'Jij hebt makkelijk praten. Wat heb jij ooit echt gevoeld?' 'Minder dan goed voor me zou zijn geweest,' antwoordde Erwin zachtjes.

'Het spijt me,' zei Coker. 'Dat meende ik niet.'

'Of je het nu meende of niet, het is de waarheid,' zei Erwin, en hij nam zijn blik van de vrouw weg, die nu op D'Amours rug klauterde, en keek weer naar de Hoogten. 'Je denkt dat er meer tijd is dan er in werkelijkheid is,' zei hij, half in zichzelf. 'En er is altijd minder tijd. Al­tijd.'

'Ga je met ons mee?' zei Coker.

'Ik ben blij voor je,' antwoordde Erwin. 'Dat je je vrouw terugziet. Daar ben ik echt blij om.'

'Ik wil dat jij erbij hoort, Erwin.'

'Dat is aardig van je. Maar... ik kan beter hier blijven. Ik zou maar in de weg zitten.'

Coker legde zijn arm om Erwins schouder. 'Wat valt er hier nou te zien?' vroeg hij. 'Kom nou... ze laten ons hier achter.'

Erwin keek om. Het trio was al twintig meter de helling afgezakt. 'Kom mee naar de stad die door de vrouw van mijn hart is gebouwd,' zei Coker. 'Voordat die voor altijd verdwenen is.'