4

Ik stel voor dat je even blijft staan, zei Raul.

Tesla stond meteen stil en liet Phoebe ook stilstaan.

Heel stil.

Tien of twaalf meter van hen vandaan bewoog er iets in de mist, zag Tesla. Vier gestalten (een van hen was de hameraar, dacht ze) bewo­gen zich over de helling. Phoebe had ze ook gezien en hield haar adem in. Als een van die vier in hun richting keek, was het spel uit. Met een beetje geluk, dacht Tesla, zou ze twee van de vier kunnen uitschakelen voordat ze op de plaats kwamen waar Phoebe en zij stonden, maar elk van de vier leek haar zeer wel in staat hen beiden met één slag te do­den.

Niet de mooiste wezens van de schepping, merkte Raul op.

Dat was nog maar zwak uitgedrukt. Elk van de vier vertoonde een eigen weerzinwekkendheid, en dat werd nog versterkt door de manier waarop ze aan eikaars schouders hingen, als broeders in de wanstaltig­heid. Een van hen was vast en zeker de magerste man op aarde. Zijn zwarte vlees zat als keukenpapier over zijn scherpe botten geplakt; zijn ogen waren fel en hij liep met trippelpasjes. Naast hem liep een man zo dik als de eerste dun was. Zijn gewaad, dat licht van kleur was en be­spat met modder of bloed, was als dat van zijn broeder en hing tot de navel open. Zijn borsten hingen zwaar naar voren en zaten onder de blauwe plekken, en de bron van die plekken was een wezen dat op een kruising tussen een kreeft en een papegaai leek, gevleugeld, geklauwd en knalrood, en dat zich als een zuigeling aan zijn tieten vastklampte. Het derde lid van dit kwartet was de hameraar. Hij was de bruutste van de vier, met zijn ijzeren kop in de vorm van een spade en zijn dikke stierennek. Maar hij floot een deuntje onder het lopen en dat was een lief­lijke melodie, als een Ierse air. Rechts van hem, en het dichtst bij de vrouwen, dribbelde een ondermaats exemplaar, een kop kleiner dan de hameraar. Zijn huid had de kleur van gal en bezat een klamme glans, en verder liep hij strompelend en vertoonde zijn schrale lichaam veel tics. Zijn gelaatstrekken getuigden van rampzalige inteelt: uitpuilende ogen, terugwijkende kin, de neus niet meer dan twee spleetjes die van tussen zijn ogen tot net boven zijn verwrongen mond leidden.

Ze schenen niet veel haast te hebben. Ze namen de tijd en praatten en lachten onder het lopen. Blijkbaar werden ze zo door eikaars gezelschap in beslag genomen dat ze niet eens een blik in de richting van de twee vrouwen wierpen.

Ten slotte sloot de mist zich om hen heen en waren ze weg.

'Afschuwelijk,' zei Phoebe zachtjes.

'Ik heb ze wel erger meegemaakt,' zei Tesla, en ze begon de helling weer op te lopen, met Phoebe nog aan haar arm.

In de mist om hen heen was nu een subtiele eb- en vloedbeweging te bespeuren, en die werd duidelijker naarmate ze hoger kwamen.

'O mijn god,' mompelde Phoebe, wijzend naar de grond. Dezelfde be­weging was daar namelijk ook te zien: het gras, het zand, zelfs de rot­sen die her en der lagen werden aangetrokken door een kracht die zich hoger op de berg moest bevinden, en daarna weer losgelaten, om en­kele seconden later weer opgepakt te worden. Kleinere kiezelstenen rol­den zelfs naar boven, en dat was op zichzelf al vreemd, maar nog vreem­der was de manier waarop de massieve rotsmassa van de berg zich gedroeg. Hier, dicht bij de drempel, was het gesteente niet gebarsten maar zachter geworden, en was het onderworpen aan dezelfde bewe­ging als mist, zand en gras.

'Ik denk dat we warmer worden,' zei Tesla, toen ze dat zag. Dit was hetzelfde buitengewone verschijnsel dat ze ook in het huis van Buddy Vance had gezien: voorwerpen die hun vastigheid verloren en in een be­paalde richting bogen. Het huis van Vance was een maalstroom geweest. Zo kon je dit niet noemen. Dit was een zachte, ritmische beweging (Als een getij, merkte Raul zachtjes op). De rotsen werden niet met grof ge­weld maar met zachte drang overgehaald hun vastigheid op te geven. Tesla was nog te diep geschokt door Luciens dood om van het schouw­spel te kunnen genieten, maar toch kon ze haar opwinding niet hele­maal bedwingen. Ze waren dicht bij de deur; daar twijfelde ze niet aan. Nog een paar meter en Quiddity kwam in zicht. Zelfs als de gedrogeerde zangeres gelijk had en er geen wonderen op het strand te vinden waren, zou het nog een belangrijke gebeurtenis zijn om de oceaan te zien die de bron was van alles wat leefde.

Opeens werd er dicht bij hen gelachen. Ditmaal hielden de twee vrou­wen niet op met klimmen maar versnelden ze juist hun pas. De bewe­gingen van de mist en de grond werden heftiger bij iedere meter die ze aflegden. Het was net een onderstroom die aan hun voeten en enkels trok, en hoewel ze nog niet ten val werden gebracht, zou dat alleen maar een kwestie van tijd zijn, veronderstelde Tesla.

Ik voel me een beetje vreemd, zei Raul.

'Hoe dan?'

Alsof... ik weet het niet... alsof ik me hier niet helemaal veilig voel, antwoordde hij.

Voordat ze de kans kreeg hem meer vragen te stellen, ging er een ex­tra krachtige golf door de grond en de lucht. De mist ging voor hen op­zij en Tesla hield haar adem in van verbazing. Het was niet de bergtop die in zicht kwam, maar een heel ander landschap. Een hemel van wer­velende kleuren, en een strand waarop de wateren van de droomzee zich stortten, donker en schuimend.

Phoebe liet Tesla's arm los. 'Ik kan dit niet geloven,' zei ze. 'Ik zie het, maar ik..'

Tesla...

'Verbazingwekkend, hè?'

Hou me vast.

'Waar heb je het over?'

Ik verlies mijn greep.

'Nou en?'

Tesla! Ik meen het! Hij klonk paniekerig. Ga niet dichterbij.

'Ik moet wel,' zei ze. Phoebe was al drie stappen voor haar uit, haar blik gericht op het strand. 'Ik zal voorzichtig zijn.' Ze riep naar Phoe­be: 'Langzamer!' Maar aan haar verzoek werd geen gevolg gegeven. Phoebe liep haastig door, gefascineerd door het spektakel dat voor haar lag, en toen werd ze opeens uit haar evenwicht gebracht. Ze viel met een kreet zo hard dat iedereen binnen een straal van twintig meter er wakker van zou worden en had moeite weer overeind te komen.

Tesla kwam haar strompelend te hulp. De aarde en lucht verkeerden in een staat van steeds meer agitatie, alsof hun aanwezigheid alles er­ger maakte. Ze greep Phoebes arm vast en hielp haar op de been, wat geen geringe taak was.

'Ik mankeer niets,' verzuchtte Phoebe, 'echt waar.' Ze keek achterom naar Tesla. 'Je kunt nu teruggaan,' zei ze.

Luister naar haar, zei Raul met bevende stem.

'Jij hebt al het mogelijke gedaan,' ging Phoebe verder. 'Ik red het nu verder zelf wel.' Ze sloeg haar armen om Tesla heen. 'Dank je,' zei ze. 'Jij bent een geweldige vrouw, weet je dat?'

'Pas goed op jezelf,' zei Tesla.

'Dat zal ik doen,' antwoordde Phoebe, en ze maakte zich nu van Tes­la los en wendde haar blik en haar lichaam naar de kust.

'Ik meende wat ik zei,' riep Tesla haar na.

'Wat meende je?'

'Ik was niet...'

Ze had geen tijd om haar zin af te maken, want ze werd afgeleid door iemand die voor Phoebe uit op het strand verscheen. Hij straalde van alle wezens die ze hier had zien werken en spelen, de meeste autoriteit uit: een vlezig, gebiedend individu met geniepige ogen, diep in hun kas-

sen, en een stuk of tien rossige baardjes die uit zijn wangen en kinnen groeiden, elk uitgerekt en opgedraaid zodat ze op hoorns leken. In zijn ene hand had hij een kleine staf. Zijn andere hand gebruikte hij om zijn wijde gewaden omhoog te houden, opdat drie kinderen - identiek aan elkaar en aan het lachende kind dat Phoebe en Tesla op de helling wa­ren tegengekomen - ruimte hadden om tikkertje te spelen tussen zijn blote, spichtige benen. Misschien leidde dat hem een beetje af, maar evengoed zag hij de vrouwen op zijn pad, en aan zijn gezicht te zien be­sefte hij meteen dat ze niet tot zijn gevolg behoorden. Onmiddellijk riep hij: 'Gamaliel! Hierheen! Mutep! Hierheen! Bartho! Swanky! Hierheen! Hierheen!'

Phoebe draaide zich om en keek Tesla wanhopig aan. Het strand lag hooguit tien passen van haar vandaan, en nu was de weg versperd.

'Bukken!' schreeuwde Tesla uit, en ze richtte Lourdes op de man in de gewaden.

Hij bracht op datzelfde moment zijn staf omhoog. Er schitterde ener­gie omheen, zag ze, energie die zich samenbalde...

Het is een wapen! riep Raul uit.

Ze wachtte niet op het bewijs. Ze schoot gewoon. De kogel trof de man midden in zijn buik, lager dan ze had gericht. Hij liet zijn gewa­den en zijn staf vallen en stootte zo'n schelle kreet uit dat ze dacht dat ze hem misschien had ontmand. Het giechelen van de kinderen ging over in gillen en ze renden om hem heen terwijl hij naar voren wan­kelde, onder het uitstoten van telkens nieuwe kreten.

Een van de kinderen rende langs Phoebe, zonder zich iets aan te trek­ken van het pistool, en schreeuwde:

'Laat iemand Zegenman Zury helpen!'

'Rennen!' riep Tesla naar Phoebe, maar het bevel ging verloren in de herrie van Zury's kreten en het gillen van de kinderen. De mist demp­te de kakofonie niet, maar fungeerde juist als bulderende echokamer en het lawaai dat zich op die manier samenpakte had zo'n kracht dat de zachte grond ervan trilde.

Aan de paniek op Phoebes gezicht was duidelijk te zien dat ze in te grote verwarring verkeerde om haar kans te kunnen grijpen. Tesla schreeuwde weer naar haar en begon door de ondiepten te waden om haar voort te duwen.

Niet verder! schreeuwde Raul in haar hoofd. Ik hou het niet meer uit.

Hij was de enige niet. Belaagd door al dat lawaai en tumult, raakte ook Tesla in grote verwarring. Het was of haar ogen voor haar uit vlo­gen, losgetrommeld uit haar schedel, en gedurende enkele afschuwelij­ke ogenblikken keek ze vanaf de drempel tussen Kosmos en strand naar

zichzelf. Ze zou misschien helemaal zijn opgeëist, als Phoebe haar niet had vastgegrepen. Dat contact bracht haar in de realiteit terug.

'Ga nu!' riep ze naar Phoebe, met een blik op Zury. Hij was niet in staat om Phoebe tegen te houden. Hij stond dubbelgeklapt en gaf bloed op.

'Kom met me mee!' brulde Phoebe.

'Dat kan ik niet.'

'Jij kunt niet terug!' zei Phoebe. 'Ze vermoorden je.'

'Niet als ik...'

Tesla...? schreeuwde Raul.

'... vlug. Toe dan, schiet op!'

Tessllaa...?

'Goed,' zei ze tegen hem, en ze duwde Phoebe van zich af in de rich­ting van het strand.

Phoebe ging, wadend door een moeras van zacht geworden rots.

Tesssllaaa...

'We gaan!' zei Tesla, en ze wendde zich van Phoebe af en begon naar de vaste grond terug te lopen.

Terwijl ze dat deed, was er een moment van volkomen desoriëntatie, alsof haar verstand plotseling uit haar weggevlogen was. Ze bleef ab­rupt staan en het was allemaal verdwenen in een flits van witte pijn: haar doel, haar wil, haar geheugen. Het waren lege momenten waarin ze helemaal niets meer voelde, geen pijn, geen angst, geen drang tot zelf­behoud. Ze stond daar gewoon te wankelen te midden van het tumult. Lourdes gleed uit haar hand en ging verloren in de getijdegrond. En toen had ze plotseling haar verstand terug. Haar hoofd deed meer pijn dan ooit in haar leven en het bloed liep uit haar neus, maar ze had vol­doende kracht om verder te strompelen naar veilig terrein.

Maar wat haar nog te wachten stond, beloofde weinig goeds en kwam in vier verschrikkelijke gedaanten: Gamaliel, Mutep, Bartho en Swanky.

Ze had niet meer de kracht om van hen weg te rennen. Het beste waarop ze nu kon hopen, was dat ze haar niet ter plekke zouden exe­cuteren omdat ze Zury had verwond. Toen de hameraar haar naderde, keek ze over haar schouder, op zoek naar Phoebe, en tot haar genoe­gen zag ze dat die de drempel was overgestoken en weg was.

'Dat is tenminste iets,' dacht ze tegen Raul. Hij gaf geen antwoord. 'Sorry,' zei ze. 'Ik heb mijn best gedaan.'

De hameraar was nu nog maar één stap van haar vandaan en stak zijn hand uit om haar arm vast te pakken.

'Raak haar niet aan,' zei iemand.

Ze bracht haar duizelige hoofd omhoog. Iemand kwam uit de mist,

met een geweer. Dat geweer was langs Tesla op de gewonde Zegenman gericht.

'Loop weg, Tesla,' zei degene met het geweer.

Ze kneep haar oogleden enigszins samen om het gezicht van haar red­der beter te kunnen zien.

'D'Amour?'

Hij keek haar met een vermoeide, wolfachtige grijns aan. 'En nie­mand anders,' zei hij. 'Nou, wil je nu even deze kant oplopen?'

De hameraar stond nog vlak voor Tesla en had er duidelijk zin in haar kwaad te doen. 'Laat hem weggaan,' zei D'Amour tegen Zury. 'Of an­ders...'

'Bartho,' zei de Zegenman. 'Laat haar erdoor.'

Jengelend als een gefrustreerde hond ging de hameraar voor Tesla op­zij, en ze strompelde de helling af tot ze bij D'Amour was aangekomen.

'Gamaliel?' zei Harry. De zwarte-stokman draaide zijn geschroeide hoofd in D'Amours richting. 'Leg jij de gebroeders Grimm hier uit dat ik een vizier op dit geweer heb waarmee ik door mist kan kijken. Be­grijp je wat ik je zeg?' Gamaliel knikte. 'En als een van jullie in de ko­mende tien minuten in beweging komt, schiet ik die ouwe rukker de kop van z'n romp. Denken jullie dat ik dat niet kan?' Hij mikte op Zu­ry. Gamaliel begon te jammeren. 'Ja, jij begrijpt het,' zei Harry. 'Ik kan hem hiermee op grote afstand doden. Grote, grote afstand. Ja?'

Het was niet Gamaliel die sprak, maar zijn dikke broer.

'O-kie,' zei hij, en hij bracht zijn handen met de dikke vingers om­hoog. 'Niet skieten, o-kie? Wij niet bewegen. O-kie? Jij niet skieten. O-kie?'

'O-kie do-kie,' zei D'Amour. Hij keek Tesla aan. 'Kun je hard lopen?' fluisterde hij.

'Ik zal mijn best doen.'

'Vooruit dan,' antwoordde D'Amour, en hij liep langzaam achteruit.

Tesla begon de helling af te lopen, langzaam genoeg om D'Amour in het zicht te houden terwijl hij zich van Zury en de gebroeders terug­trok. Hij bleef zich terugtrekken tot de wezens hem niet meer konden zien, draaide zich toen om en rende naar Tesla toe.

'We moeten vlug zijn,' zei hij.

'Kun jij het?'

'Kan ik wat?'

'Zury neerschieten in de mist?'

'Welnee. Ik gok erop dat ze het niet riskeren. En nu wegwezen.'

Afdalen was gemakkelijker dan klimmen, al voelde Tesla's hoofd aan alsof het uit elkaar zou springen. Binnen tien minuten was de mist op­getrokken en korte tijd later strompelden ze door de frisse zomerlucht.

'Ik denk dat we nog niet uit de problemen zijn,' zei Harry.

'Je denkt dat ze achter ons aan komen?'

'Dat weet ik wel zeker,' zei hij vlug. 'Waarschijnlijk is Bartho al krui­sen voor ons aan het maken.'

Ze moest meteen weer aan Lucien denken en er ontsnapte haar een snik. Ze hield haar hand voor haar mond om de volgende snik tegen te houden, maar de tranen kwamen toch. Ze stroomden over haar wan­gen.

'Ze zullen ons niet krijgen,' zei D'Amour. 'Daar zorg ik wel voor.'

'Dat is het niet,' zei Tesla.

'Wat is het dan?'

Ze schudde haar hoofd. 'Later,' zei ze, en wendde zich van hem af en begon de helling af te lopen. De tranen maakten haar halfblind en ze struikelde meermalen, maar ze haalde het uiterste uit haar vermoeide benen, net zolang tot ze de boomgrens hadden bereikt en min of meer in veiligheid waren. Zelfs nu vertraagde ze haar pas maar een klein beet­je en keek steeds weer achterom, bang als ze was dat ze D'Amour kwijt zou raken.

Eindelijk, toen ze allebei al zo erg hijgden dat ze bijna niet meer kon­den spreken, begon het bos dunner te worden en drongen er allerlei ge­luiden tot hen door. Een van die geluiden was het ruisen van Ungers Kreek. Een ander geluid was het gejuich van de menigte. En ook hoor­den ze het bonken en tetteren van de stadsfanfare, die voorop ging in de optocht door de straten van Everville.

'Het is niet bepaald Mozart,' dacht Tesla tegen Raul. 'Sorry.'

Haar inwoner zei niets.

'Raul?' zei ze, nu hardop.

'Is er iets?' wilde D'Amour weten.

Ze bracht hem met een blik tot zwijgen en richtte haar aandacht weer naar binnen. 'Raul...?' zei ze. Opnieuw kwam er geen antwoord.

Bezorgd sloot ze haar ogen en ging op zoek naar hem. Tijdens haar reizen had hij zich twee of drie keer op deze manier voor haar verbor­gen, uit woede of angst, en had ze hem moeten overreden weer te voor­schijn te komen. Ze ging met haar gedachten naar de scheidslijn tussen zijn territorium en het hare en riep intussen zijn naam. Er kwam nog steeds geen antwoord.

Een afschuwelijk vermoeden kwam in haar op.

'Geef antwoord, Raul,' zei ze. Ze stuitte weer op stilte en stak daar­om over naar de ruimte die door hem werd bezet.

Zodra ze dat deed, wist ze dat hij weg was. De vorige keren dat ze zich op zijn territorium had gewaagd had hij haar maar al te goed dui­delijk gemaakt dat hij er was, zelfs wanneer ze hem niet zover had kunnen krijgen dat hij tegen haar sprak. Ze had zijn essentie gevoeld als iets dat totaal anders was dan zijzelf, en die essentie nam een ruimte in die volgens de meeste mensen die leefden en stierven van hen alleen was: hun geest. Nu was daar niets. Geen protest, geen klacht, geen humor, geen snik.

'Wat is er?' vroeg D'Amour, die haar strak aankeek.

'Raul,' zei ze. 'Hij is weg.'

Ze wist wanneer dat was gebeurd. Toen ze voor de drempel had ge­staan, op dat moment van pijn en tijdelijke waanzin, was hij vertrok­ken. Haar geest had zich samengetrokken op het moment dat hij eruit weggerukt werd.

Ze deed haar ogen open. Na de leegte waar Raul was geweest was de wereld om haar heen - de bomen, de lucht, D'Amour; het geluid van de kreek en de fanfare en de menigte - bijna meer dan ze verdragen kon.

'Weet je het zeker?' zei D'Amour.

'Ja.'

'Waar zou hij heen zijn?'

Ze schudde haar hoofd. 'Hij heeft me gewaarschuwd toen we dicht bij het strand waren. Hij zei dat hij zijn greep verloor. Ik dacht dat hij bedoelde...'

'Dat hij gek werd?'

'Ja.' Ze nam zichzelf haar domheid erg kwalijk. 'Jezus! Ik heb hem laten gaan. Hoe kon ik dat nou laten gebeuren?'

'Boor jezelf nou niet de grond in omdat je niet aan alles kunt den­ken. Alleen God denkt aan alles.'

'Ga alsjeblieft niet christelijk tegen me doen,' zei Tesla met een ge­smoorde stem. 'Dat is godverdomme wel het laatste waar ik nu behoefte aan heb.'

'We moeten ergens hulp halen,' zei D'Amour met een blik op de berg. 'Jij weet wat ze daarboven doen, hè?'

'Ze wachten op de Iad.' 'Ja.'

'En Kissoon is voorzitter van het ontvangstcomité.'

'Je weet van Kissoon?' zei D'Amour, duidelijk verrast.

Tesla was ook verrast. 'Jij weet ook van hem?'

'Ik volg hem al twee maanden door het hele land.'

'Hoe wist je dat hij hier was?'

'Van een vrouw die jij kent. Maria Nazareno.'

'Hoe heb je haar gevonden?'

'Zij heeft mij gevonden, zoals ze ook jou vond.'

Tesla bracht haar hand naar haar gezicht en veegde iets van het zweet en stof weg. 'Ze is dood, hè?'

'Helaas wel. Kissoon heeft haar gevonden.'

'Wij zijn een dodelijk stel, D'Amour. Iedereen met wie we in aanra­king komen...' Ze maakte haar zin niet af, maar draaide zich om en ging verder met haar afdaling tussen de bomen door.

'Wat ga je nu doen?'

'Zitten. Nadenken.'

'Mag ik met je meekomen?'

'Heb jij nog een laatste redmiddel in gedachten?'

'Nee.'

'Goed. Want ik ben het zat om te geloven dat we er nog iets tegen kunnen beginnen.'

'Dat heb ik niet gezegd.'

'Nee, maar ik wel,' zei Tesla, terwijl ze de helling af bleef lopen. 'Ze komen, D'Amour, of we het nu leuk vinden of niet. De deur staat open en ze komen erdoorheen. Ik denk dat we ons daarbij neer moeten leg­gen.'

Harry wilde haar tegenspreken, maar voordat hij de woorden kon vinden, herinnerde hij zich het gesprek dat hij met Norma had gehad. De wereld kon veranderen, had ze gezegd, maar niet eindigen. En wat was er zo erg aan verandering? Was alles nu dan zo goed?

Hij keek tussen de deinende takken door naar de stralende blauwe hemel, terwijl de muziek van de stadsfanfare door een milde bries naar hen toe werd gevoerd, en toen had hij zijn antwoord.

'Zoals de wereld nu is, is het precies goed,' zei hij zo hard dat Tesla het kon horen. Ze gaf hem geen antwoord, maar liep gewoon door naar de kreek en waadde erdoorheen. 'Precies goed,' zei hij tegen zichzelf, en proclameerde daarmee zijn onvervreemdbare recht om de wereld te ver­dedigen. 'Precies goed.'