6
I
Grillo noemde de grote hoeveelheid informatie die hij in de afgelopen vijf jaar had verzameld het Rif, omdat de verzameling, net als koraal, was ontstaan doordat er steeds een klein stukje (meest dode materie) aangroeide, en ook omdat een woord dat aan de zee was ontleend hem wel passend leek voor informatie die betrekking had op de geheimen van de droomzee. Maar de laatste tijd vond hij dat die naam iets spottends had. Hij voelde zich niet meer de bewaker van het rif, maar de gevangene ervan.
Het Rif zat in de geheugenbanken van vier aan elkaar gekoppelde computers, die aan Grillo's vreemde project waren geschonken door een man uit Boston, die in ruil voor zijn gulheid maar één ding had verlangd: als Grillo uiteindelijk kans zag de computers alle stukjes informatie op elkaar te laten inwerken en het antwoord op de mysteriën van Amerika te laten uitspuwen, wilde hij degene zijn die het nieuws mocht verspreiden. Grillo had daarmee ingestemd. Toen het geschenk voor het eerst ter sprake was gebracht, had hij zelfs geloofd dat zo'n moment nog eens zou aanbreken.
Daar geloofde hij nu niet meer in. De snippers die hij in de loop van de jaren zo nauwgezet had verzameld, bevatten niet de geheimen van het universum. Ze waren waardeloos, hadden geen enkele betekenis, en hij zou zelf binnen korte tijd even waardeloos, even betekenisloos zijn.
Zijn lichaam, dat hem drieënveertig jaar goede diensten had bewezen, was in de afgelopen zes maanden dramatisch achteruitgegaan. Eerst had hij geprobeerd het te negeren, had hij de koffiekopjes die hij liet vallen en de pijn in zijn rug en het waas voor zijn ogen aan te veel werken toegeschreven. Maar na een tijdje was het te erg geworden en had hij de dokter om iets gevraagd dat de pijn kon verlichten. Hij had pijnstillers gekregen, en van alles waar hij niet om had gevraagd: bezoeken aan specialisten, steeds ergere paranoia, en ten slotte het slechte nieuws. 'Je hebt multiple sclerose, Nathan.'
Hij deed zijn ogen even dicht, want hij wilde niet naar het meelevende gezicht tegenover hem kijken, maar de duisternis achter zijn oogleden was nog erger. Het was een cel, die duisternis; die stonk naar hemzelf.
'Dit is geen doodvonnis,' had de dokter uitgelegd. 'Een heleboel mensen leven nog vele, vruchtbare jaren met deze ziekte en er is geen enkele reden waarom jij niet een van hen zou zijn.'
'Hoe lang?' wilde hij weten.
ik zou dat echt niet kunnen schatten. Het ziekteverloop is voor iedere patiënt verschillend. Het zou dertig jaar kunnen duren...'
Toen hij daar in die sober ingerichte spreekkamer zat, had hij geweten dat hij geen dertig jaar meer voor de boeg had. Bij lange na niet. De ziekte had hem stevig te pakken en zou hem teisteren tot hij dood was.
Maar zijn honger naar informatie had hem niet verlaten, zelfs niet in deze sombere tijden. Hij deed grondig onderzoek naar de aard van zijn verslinder, niet omdat hij hoopte dat hij hem zou kunnen verslaan, maar gewoon om te weten wat er in zijn lichaam gebeurde. De isolerende scheden van zijn zenuwvezels waren te gronde gegaan, zo las hij, in zijn hersenen en in zijn ruggemerg. Hoewel de knapste koppen hun best deden om de oorzaken te vinden, waren er nog geen definitieve antwoorden. Zijn ziekte was een even groot mysterie als alles in het Rif, en tegelijk heel wat tastbaarder. Als hij voor de monitoren zat en naar de boodschappen keek die binnenkwamen, verbeeldde hij zich soms dat hij kon voelen hoe het beest Sclerose zich door zijn lichaam bewoog en hem cel voor cel afbrak, zenuw voor zenuw, en dan leek het net of de woorden die op de beeldschermen verschenen, de meldingen van waarnemingen en verschijningen, ook een manifestatie van de ziekte waren. Een gezonde geest had geen behoefte aan zulke fantasieën. Die leefde in de wereld van het mogelijke en was daar tevreden mee.
In een vlaag van wanhoop zette hij soms het scherm af en speelde dan met het idee om het hele systeem uit te schakelen, zodat de verhalenvertellers in stilte en duisternis verder konden vertellen. Maar verslaafd als hij was, ging hij na een tijdje altijd naar zijn stoel terug en zette hij schuldbewust de schermen weer aan om nauwgezet alles te bestuderen wat er intussen aan het Rif was aangegroeid.
In het vroege voorjaar was het beest Sclerose plotseling ambitieus geworden; in een maand tijd was het of Grillo twintig jaar zwakheid te verduren kreeg. Hij kreeg zwaardere medicijnen, die hij ijverig innam, en de dokter zei dat hij plannen moest maken voor de naderende invaliditeit, een advies dat hij even ijverig in de wind sloeg. Hij zou nooit in een rolstoel gaan zitten, dat had hij al besloten. Op een avond zou hij een overdosis nemen en wegzakken; dat zou veel gemakkelijker zijn. Hij had geen vrouw voor wie hij aan het leven moest vasthouden, geen kinderen die hij moest zien opgroeien, al was het nog maar één dag. Hij had alleen de beeldschermen en de verhalen die ze vertelden, en die zouden doorgaan tot het einde van de wereld, met of zonder hem.
En toen, begin juni, gebeurde er iets vreemds: het aantal meldingen nam plotseling toe. De systemen werden ieder uur van de dag en de nacht belegerd door mensen die hun geheimen wilden vertellen. Er zat geen duidelijk patroon in dat offensief, maar alleen al door het grote aantal meldingen ging hij zich afvragen of de waanzin niet een kritische massa had bereikt.
In die tijd had Tesla contact met hem opgenomen vanuit New Mexico. Hij had haar verteld wat er aan de hand was. Ze was in een van haar fatalistische stemmingen geweest (te veel peyote, vermoedde hij) en ze was niet erg geïnteresseerd geweest. Maar toen hij Harry D'Amour in New York had gebeld, had die heel anders gereageerd. D'Amour, een vroegere privé-detective wiens zaken altijd in metafysische excursies overgingen, hunkerde naar informatie. Drie weken lang hadden ze elkaar minstens twee keer per dag gesproken. D'Amour had alles willen weten van iedere melding die naar het satanische riekte, vooral wanneer het iets uit New York was. Grillo vond D'Amours geloof in het vocabulaire van het katholicisme absurd, maar speelde het mee. En ja, er was een aantal meldingen dat aan D'Amours beschrijving voldeed. Twee verminkingsmoorden in de Bronx, met spijkers door de handen en voeten, en een drievoudige zelfmoord in een klooster in Brooklyn (zaken waarnaar D'Amour al een onderzoek had ingesteld), en verder een groot aantal kleine eigenaardigheden waar hij niets van wist en waarvan sommige duidelijk de een of andere theorie ondersteunden.
D'Amour had geen nadere uitleg over de exacte aard van zijn theorie willen geven, zelfs niet via een veilige telefoonlijn, maar tijdens hun laatste gesprek had hij dat opeens wel gedaan. Hij had Grillo met plechtige stem verteld dat hij alle redenen had om aan te nemen dat er in New York een samenzwering was om de terugkeer van de antikrist voor te bereiden. Grillo had niet helemaal kunnen verbergen dat hij het een bespottelijk idee vond.
'O, de wóórden bevallen je niet, is dat het?' had D'Amour geantwoord. 'We vinden wel iets anders, als je dat liever hebt. Noem het de Iad. Noem het de vijand. Het is allemaal de duivel, maar dan met een andere naam.'
Ze hadden daarna niet meer met elkaar gesproken, hoewel Grillo meermalen had geprobeerd weer met D'Amour in contact te komen. Er kwamen bijna dagelijks nieuwe meldingen uit New York binnen, leek het wel, en vaak ging het om daden van een misselijkmakende beestachtigheid. Soms vroeg Grillo zich af of een van de lichamen die in die maanden rottend op de braakliggende terreinen van de wereldstad werden aangetroffen niet dat van Harry D'Amour was. En hij vroeg zich
ook af bij welke naam hij de duivel zou noemen als die hier in Omaha op zoek ging naar D'Amours informant. Sclerose, misschien.
2
En toen was dat telefoontje van Tesla gekomen. Ze had hem gevraagd of Fletcher was gesignaleerd en na afloop van dat gesprek had hij zich zo leeg gevoeld dat het niet veel had gescheeld of hij had op dat moment zijn overdosis genomen. Waarom kon hij de gedachte niet verdragen dat ze naar hem toe zou komen? Omdat hij nu te veel op zijn vader leek; benen als stokken, haren grijs en broos? Omdat hij bang was dat ze zich van hem af zou wenden, dat ze zijn aanblik niet kon verdragen? Dat zou ze nooit doen. Zelfs in haar krankzinnige tijden (en wat dat betrof, had ze haar portie wel gehad), had ze de gevoelens die tussen hen bestonden nooit losgelaten.
Nee. Waar hij bang voor was, was dat ze spijt zou hebben. Waar hij bang voor was, was dat ze hem in deze erbarmelijke staat zou zien en dan zou zeggen: waarom hebben we niet meer gedaan met wat we voor elkaar voelden? Waarom hebben we niet genoten van wat er in ons hart was, in plaats van het diep weg te stoppen? Waar hij bang voor was, was dat hij te horen zou krijgen dat het te laat was, ook al wist hij dat al.
Voor de zoveelste keer had het Rif hem voor de totale wanhoop behoed. Na haar telefoontje had hij een tijdje zitten denken, aan de pillen, aan al zijn domheden, en toen hij te moe was om nog langer te denken maar nog steeds te opgewonden was om te gaan slapen, was hij weer voor de monitoren gaan zitten. Hij keek of er overtuigende meldingen van Fletchers aanwezigheid waren.
Het was niet Fletcher die hij vond. Toen hij de meldingen van de laatste paar weken nog eens doornam, stuitte hij op een verhaal dat hij nog niet had gelezen. Het kwam van een vaste, en in zijn ogen betrouwbare, bron: een vrouw in Illinois die bij de politie werkte en daar foto's ontwikkelde die op plaatsen van misdrijven waren genomen. Ze had een afschuwelijk verhaal. Eind juli was er een jong stel aangevallen. Het vrouwelijke slachtoffer, zeven maanden zwanger, was onmiddellijk gedood en daarna geopend door de dader, die alle tijd had genomen om haar in het bijzijn van haar gewonde vriend te onderzoeken, waarna hij de foetus uit haar lichaam had gehaald en zich daarmee uit de voeten had gemaakt. De vader was een dag later overleden, maar niet voordat hij een vreemd signalement aan de politie had doorgegeven. Dat signalement was buiten de publiciteit gehouden omdat het zo bizar was, maar Grillo's informante vond het zo belangrijk dat ze het aan hem doorgaf. De moordenaar was niet alleen geweest, had de stervende man gezegd. Hij was omringd geweest door een wolk van stof 'vol schreeuwende gezichten'.
'Ik smeekte hem,' had de man gezegd, 'smeekte hem Louise niet open te snijden, maar hij zei steeds weer dat hij het moest doen, hij moest het doen. Hij was de Doodsjongen, zei hij, en dit was de taak van Doodsjongens.'
Dat was, samengevat, de melding geweest. Toen hij die had gelezen, zat Grillo een halfuur naar het scherm te staren, verbijsterd en tegelijkertijd gefascineerd. Wat was er daar in de echte wereld gebeurd? Fletcher was in het winkelcentrum van Palomo Grove gestorven. Verbrand; in vlammen opgegaan. Tommy-Ray McGuire, de zoon van de Jaff, de Doodsjongen, was een paar dagen later gestorven, in een plaats in New Mexico die Trinity heette. Ook hij was verbrand, maar dan wel in een veel verschrikkelijker vuur dan dat waardoor Fletcher was verteerd.
Ze waren allebei dood. De rol die ze in het verwarde verhaal van de mensheid en de droomzee hadden gespeeld, was voorbij. Tenminste, dat dacht iedereen.
Was het mogelijk dat iedereen zich had vergist? Dat ze op de een of andere manier de vergetelheid hadden getrotseerd en waren teruggekomen om de draad van hun grote streven weer op te pikken? Zo ja, dan kon daar maar één verklaring voor zijn. Dan moesten ze beiden tijdens hun leven door de Nuncio zijn aangeraakt. Misschien was de evolutie veel verder gegaan dan iemand zou kunnen vermoeden en waren ze buiten bereik van de dood gekomen.
Hij huiverde bij die gedachte. Buiten bereik van de dood. Dat was nog eens een belofte die het leven de moeite waard maakte.
Hij belde naar Californië. Een slaperige Tesla nam op.
'Tes, ik ben het.'
'Hoe laat is het?'
'Dat doet er niet toe. Ik ga het Rif doornemen, op zoek naar materiaal over Fletcher.'
ik weet waar hij heen is gegaan,' zei Tesla. 'Tenminste, ik denk dat ik het weet.'
'Waarheen dan?'
'Een stadje in Oregon, Everville. Is dat ooit opgedoken in het Rif?'
'Het komt me niet bekend voor, maar dat zegt niet alles.'
'Waarom bel je eigenlijk? Midden in de nacht, verdomme.'
'Tommy-Ray.'
'Huh?'
'Wat heb je over Tommy-Ray gehoord?' 'Niks. Hij is omgekomen in de Lus.' 'O ja?'
Aan de andere kant van de lijn was het even stil. Toen zei Tesla: 'Ja.' 'Jij bent eruit gekomen. En Jo-Beth en Howie ook...' 'Wat wil je daarmee zeggen?'
'Ik heb in het Rif een bericht gevonden over een moordenaar die zich de Doodsjongen noemde...'
'Grillo,' zei Tesla. 'Nu ben ik wakker...'
'... en hij had een wolk van stof om zich heen. En dat stof schrééuwde.'
Tesla haalde diep adem en blies de lucht langzaam uit. 'Wanneer was dat?' zei ze zachtjes.
'Nog geen maand geleden.' 'Wat heeft hij gedaan?'
'Een jong stel in Illinois vermoord. Een baby uit de vrouw gehaald. De man stervend achtergelaten.' 'Slordig. Is dat de enige melding?'
'Het is de enige die ik tot nu toe heb gevonden, maar ik blijf zoeken.'
'Ik neem contact op als ik onderweg ben naar Oregon...'
'Ik zat te denken...' begon Grillo.
'... je zou met Howie en Jo-Beth moeten praten.'
'... ja, dat zal ik doen. Ik zat te denken over Fletcher.'
'Wanneer heb je ze voor het laatst gesproken?'
'Een paar weken geleden.'
'En...?' drong Tesla aan.
'... ze maakten het goed,' antwoordde Grillo.
'Tommy-Ray was gek op haar, weet je. Het is een tweeling...'
'Ik weet het...'
'Eén ei, één ziel. Ik zweer je, hij was gek op haar...' 'Fletcher,' zei Grillo. 'Wat is er met hem?'
'Als hij daar in Everville is, wil ik hem ontmoeten.' 'Waarvoor?'
Er volgde een korte stilte. Toen zei Grillo: 'Vanwege de Nuncio.' 'Waar heb je het over? Er is geen Nuncio. Ik heb het laatste restje vernietigd.'
'Hij moet iets voor zichzelf hebben bewaard.'
'Hij was juist degene die me vroeg alles te vernietigen, verdomme.'
'Nee. Hij heeft wat bewaard.'
'Waar wil je nou eigenlijk naartoe?'
'Dat vertel ik je nog wel eens. Zoek jij Fletcher. Ik zal proberen Tommy-Ray te vinden.'
'Probeer eerst maar wat te slapen, Grillo. Zo te horen ben je er niet best aan toe.'
'Ik slaap tegenwoordig niet veel meer, Tes. Het is tijdverspilling.'