11

I

Tesla had haar eerste vuurwapen vier jaar geleden in Florida gekocht, toen ze ternauwernood ontkomen was aan mishandeling of erger door twee dronken kerels buiten een bar in Fort Lauderdale, die tot de con­clusie waren gekomen dat haar gezicht ze niet aanstond. Nooit meer, had ze zich voorgenomen, zou ze zonder wapen de straat opgaan. Ze had een kleine .45 gekocht en zelfs een paar schietlessen genomen om er goed mee overweg te kunnen.

Dat was overigens niet het enige wapen dat in haar bezit was geko­men. Een halfjaar later, toen ze voor het eerst in Louisiana was, had ze midden op een verlaten snelweg ook een pistool gevonden. Ondanks Rauls waarschuwing dat het vast niet zonder reden was weggegooid en dat het verrekte stom was om het op te rapen, had ze dat toch gedaan. Het was ouder en zwaarder dan het pistool dat ze had gekocht, en de loop en kolf vertoonden krassen en deuken, maar ze vond dat het pret­tig in de hand lag en was ook niet ongevoelig voor de mysterieuze sfeer die eromheen hing.

Het derde wapen was een geschenk van een zekere Maria Lourdes Nazareno geweest, die ze op een straathoek in Mammoth, Arizona, had ontmoet. Lourdes, zoals ze het liefst genoemd wilde worden, had dagenlang op die hoek op Tesla staan wachten, tenminste dat had ze beweerd. Ze had het tweede gezicht, had ze gezegd, en er was haar in een droom verteld dat een machtige vrouw voorbij zou komen. Tesla had gezegd dat zij dat niet was, maar Lourdes was ervan overtuigd ge­weest. Ze had staan wachten met geschenken, zei ze, en zou niet rus­ten voordat Tesla die geschenken had aanvaard. Een van de geschen­ken was een sleutelbeen dat volgens Lourdes aan een heilige die Maxinia heette had toebehoord. Verder gaf ze een koperen kompas - Voor de reis', had ze gezegd. Het derde geschenk was het pistool ge­weest, dat zonder enige twijfel het mooiste van de drie wapens was, met inlegwerk van parelmoer op de kolf. Het had een geheime naam, had Lourdes haar verteld, maar ze wist niet wat die naam was. Tesla zou er wel achter komen, had Lourdes gezegd, als ze een beroep op dat pistool moest doen.

Die gelegenheid had zich nog niet voorgedaan. Na haar ontmoeting

met Lourdes had ze nog eens twee jaar gereisd en in al die tijd had ze de pistolen nooit nodig gehad.

Tot nu toe.

'Welk krijg ik?' vroeg Phoebe.

Ze waren van de pizzeria naar Phoebes huis teruggegaan, enkel en al­leen om zich van wapens te voorzien.

'Kun jij met een pistool omgaan?' vroeg Tesla haar.

'Ik weet waar ik mijn vinger moet houden,' zei Phoebe.

'Met je vinger maak je geen gaatje in iemand,' zei Tesla.

Phoebe pakte Lourdes' pistool op en liet het van haar ene hand in haar andere gaan. 'Zo moeilijk kan het niet zijn, als je de mannen ziet die zo'n ding gebruiken.' Daar zat wat in.

'Wil je dit?' vroeg Tesla.

'Ja,' zei ze glimlachend.

'We gebruiken ze alleen als het echt moet.'

'Als iets dat eruitziet als een slang en dat stinkt als stront, opeens komt aansnuffelen.'

'Jij gelooft me nog steeds niet, hè?'

'Maakt het iets uit of ik je geloof of niet?' zei Phoebe.

Tesla dacht daar even over na. 'Misschien niet,' zei ze. 'Ik wil alleen dat je op het ergste voorbereid bent.'

'Dat ben ik al jaren,' zei Phoebe.

2

Het huis van Erwin Toothaker was in duisternis gehuld, maar daar wa­ren ze op voorbereid. Phoebe had een grote zaklantaarn, Tesla een iets kleinere.

'Voel je iets?' vroeg Tesla aan Raul toen zij en Phoebe over het pad liepen.

Tot nu toe niet.

Maar de stank van uitwerpselen hing nog in de lucht en werd ster­ker naarmate ze dichter bij de voordeur kwamen. Sinds ze bijna een uur geleden het restaurant hadden verlaten, was het veel kouder geworden, maar Tesla voelde zich warm en klam, alsof ze op het punt stond griep te krijgen. Ze stond ook te bibberen op haar benen.

'Wat doen we nu?' zei Phoebe zodra ze bij de voordeur waren aan­gekomen. 'Gewoon aankloppen?'

'Dat is beter dan proberen de deur in te trappen,' zei Tesla. Ze koes­terde nog steeds de hoop dat er niets aan de hand zou blijken te zijn: dat het gefluister dat zij en Raul bij die cafetaria hadden gehoord alleen

maar de wind was geweest, en dat de stank alleen maar een verstopt ri­ool was, zoals Phoebe had gezegd. Ze klopte hard op de deur. Ze wacht­ten. Er gebeurde niets. Ze klopte opnieuw, en tegelijk vroeg ze Raul of hij voelde of er iemand in het huis was. Zijn antwoord was niet wat ze wilde horen.

Ja, zei hij. Ik hoor iemand.

Het beest dat in Tesla's buik had getrild sinds ze op weg waren ge­gaan, trok zich nu samen. Ze pakte Phoebes arm vast. 'Ik kan dit niet,'

zei ze.

'Het komt wel goed,' antwoordde Phoebe. Ze pakte de deurknop vast. 'We zijn nu al zo ver gekomen.' Ze draaide de knop om en tot Tesla's verbazing ging de deur open. Een golf koude, zurige lucht kwam over de drempel.

Tesla stapte achteruit en trok aan Phoebes arm, maar Phoebe maak­te een zacht grommend geluid en rukte haar arm los.

'Ik wil het zien,' zei ze.

'We zien het morgen wel,' antwoordde Tesla. 'Als het licht is.'

'Morgen is het misschien te laat,' zei Phoebe zonder achterom te kij­ken naar Tesla. ik wil het nu zien. Nu meteen.' En met die woorden ging ze het huis in. Tesla hoorde haar mompelen: 'Waar ben je?'

Waar ben je? zei Raul.

'Ja, dat hoorde ik ook.'

Er zit iemand in haar hoofd, Tes.

'Verdomme!'

Phoebe had al een stuk of vijf stappen in het huis gezet en de duis­ternis had haar bijna opgeslokt.

'Phoebe?' riep Tesla. 'Kom naar buiten.'

Maar de andere vrouw aarzelde geen moment. Ze liep gewoon door, tot Tesla haar helemaal uit het zicht dreigde te verliezen.

Ga naar binnen... zei Raul.

'Hou je kop!'

... anders raak je haar voorgoed kwijt.

Hij had natuurlijk gelijk, dat wist ze best. Ze nam de gekochte .45 achter haar riem vandaan, ging naar binnen en volgde Phoebe door de donkere gang. Als ze vlug was, kon ze haar misschien te pakken krij­gen en naar buiten sleuren voordat...

De deur sloeg achter haar dicht. Ze draaide zich meteen om en de koude luchtstroom drukte als een muf, vochtig washandje tegen haar gezicht. Het kostte haar moeite adem te halen en ze wilde geen lucht verspillen door nogmaals naar Phoebe te roepen. Wat het ook was dat haar in zijn macht had gekregen, het zou zich niet voetstoots gewon­nen geven.

Tesla?

'Hier ben ik.'

Ze ging rechtsaf. Er is daar een deur.

Ze kon vaag een deuropening onderscheiden, en ja, daar ging Phoe­be doorheen. Tesla ging vlugger lopen, maar ze kwam te laat om Phoe­be te pakken te krijgen, want die was al in de kamer achter de deur verdwenen. Er was daar een beetje meer licht, zag Tesla tot haar op­luchting: misschien kaarsen, die flakkerden. Blij met deze kleine mee­valler, volgde ze Phoebe door de deur. Het was geen kaarslicht dat de kamer verlichtte, maar de resten van een vuur, smeulend in de haard, waar een aantal zwart geblakerde takken in lagen. Toch rook het in de kamer niet naar hout, maar naar vlees, een geur die bijna eetlust- opwekkend was na de zurige lucht die over de drempel was gekomen. Iemand had hier kort geleden gekookt en gegeten, al kon ze nog niet zien wie dat was geweest. Het was een grote kamer en alles was er uit­puttend overhoop gehaald. Bijna alle meubelen waren vernield en de ornamenten en siervoorwerpen waren kapotgegooid en vertrapt. He­lemaal aan de andere kant, zo'n vijf meter van haar vandaan, en half zo ver van Phoebe vandaan, die midden in de kamer stond, haar ar­men slap langs haar zijden, was de duisternis dichter dan in de rest van de kamer, en ook levendiger. Tesla was er zeker van dat daar ie­mand stond, maar toen ze haar blik op die plek liet rusten, flikkerden haar ogen heftig heen en weer, alsof ze daar niet konden (of wilden) kijken.

'Fletcher?' zei ze. 'Ben jij dat?'

Toen ze dat zei, keek Phoebe naar haar om. 'Laat ons met rust,' zei ze. 'Ik ben degene die hij wil.'

'O ja?' zei Tesla, en ze ging voorzichtig naar haar toe. Ze zag ze­nuwtrekjes en tic's rond Phoebes mond en ogen, alsof de vrouw ieder moment in huilen of gillen kon uitbarsten.

'Ja,' zei ze.

'En is degene die jou wil Fletcher?' zei Tesla, die opnieuw een ver­geefse poging deed om in de donkere vlek te turen.

'Het maakt niet uit hoe hij heet,' zei Phoebe.

'Voor mij wel,' zei Tesla. 'Misschien kun je het hem vragen. Wil je dat voor me doen?' Phoebe keek weer naar de duisternis. Het scheen haar geen moeite te kosten haar blik daarop te richten.

'Ze wil weten wie je bent,' zei ze.

'Is het Fletcher?' vroeg Tesla.

'Ben jij...?' Phoebe maakte de vraag niet af, maar luisterde, haar hoofd een beetje schuin.

Er was niets te horen, alleen het kraken en sissen van het vuur. Tesla

keek weer naar de haard. Er lagen plassen gesmolten was of vet tussen de takken, en op het rooster lag een steen of...

'Als je dat wil,' zei Phoebe tegen de duisternis.

Tesla keek weer naar Phoebe. Ze bracht haar handen omhoog om de knoopjes van haar blouse los te maken.

'Wat doe je?' zei Tesla.

'Hij wil me zien,' zei Phoebe eenvoudigweg.

Tesla liep naar haar toe en trok haar handen van haar blouse weg.

'Nee, dat wil hij niet.'

'Ja, dat wil hij wel,' zei Phoebe heftig, en haar handen gingen weer naar haar knoopjes. 'Hij zegt... hij zegt...'

'Wat zegt hij?'

'Hij zegt... we moeten neuken voor het millennium.'

Tesla had die zin al eerder gehoord. Eén keer uitgesproken en dui­zend keer gedroomd.

Nu die woorden hadden geklonken, was het of de vloer scheef kwam te hangen onder Tesla's voeten, alsof ze in de duisternis naar de ande­re kant van de kamer zou glijden.

Het was vijf jaar geleden dat ze die woorden voor het laatst had ge­hoord, vijf jaar waarin ze God vele malen had gedankt dat degene die ze had uitgesproken dood was. Haar dankbaarheid, zo bleek nu, was voorbarig geweest.

'Kissoon...' mompelde ze, en zodra die klanken haar lippen verlieten, kregen ze een eigen leven. Kissss-sssoooon. Kiiissssoonn. Wervelend om haar heen.

Ze had hem in talloze nachtmerries ontmoet - was van hem wegge­rend, voor hem bezweken, door hem beoordeeld, vermoord, verkracht en opgegeten - maar ze was altijd uit die beproevingen ontwaakt, zelfs uit de verschrikkelijkste, en ze had zich kunnen troosten met de gedachte dat op een dag al haar herinneringen aan hem zouden vervagen en dat ze dan vrij zou zijn.

Maar nee. O god in de hemel, nee.

Hij was hier. Hij was teruggekomen.

Ze greep naar haar riem, trok haar pistool en richtte het op de don­kere vlek.

Het is dus niet Fletcher... mompelde Raul. Zo te horen was hij de tra­nen nabij.

'Nee.'

Jij denkt dat het Kissoon is.

'Ik wéét dat het Kissoon is,' zei ze, terwijl ze het pistool omhoog- bracht.

Als je het nu eens mis hebt?

'Ik heb het niet mis,' zei ze, en ze schoot een, twee, drie keer. De scho­ten daverden met oorverdovende echo's door de kamer. Maar er kwam geen doodskreet uit de duisternis, geen geluid van gutsend bloed, van een doodssnik.

Het leek wel of de schoten alleen effect hadden op Phoebe, die er­barmelijk begon te snikken.

'Wat doe ik?' riep ze uit, en ze ging vlug bij Tesla vandaan om de deur uit te rennen.

Tesla draaide zich naar haar om en zag nog net dat Phoebe met uit­gestrekte armen op haar afkwam. Met haar ene hand sloeg ze het pis­tool uit Tesla's hand en met haar andere hand greep ze Tesla's nek vast. Tesla kon even geen adem meer krijgen. Ze greep omhoog om Phoebes hand weg te trekken, maar voordat ze dat kon doen, kwam er een eind aan het gesnik van de vrouw, dat al die tijd gewoon was doorgegaan.

'Ga naar hem toe,' zei ze monotoon. 'Ga naar hem toe en zeg hem dat het je spijt.'

Ze begon Tesla weer naar de andere kant van de kamer te duwen, naar de duistere vlek waar Kissoon zich in een of andere gedaante schuil­hield. Tesla trapte en sloeg om zich heen, maar Phoebe duwde met haar volle gewicht, nog versterkt door de kracht van het wezen dat bezit van haar genomen had, tegen Tesla.

'Phoebe! Luister naar me!' riep Tesla uit. 'Hij vermoordt ons allebei!'

'Nee...'

'Je kunt tegen hem vechten. Ik weet hoe het voelt als hij op je hoofd gaat zitten...' (Dat was geen leugen: Kissoon had in de Lus dezelfde truc met Tesla uitgehaald: hij had op haar hoofd gedrukt om haar in be­dwang te krijgen) '... maar je kunt ertegen vechten, Phoebe, je kunt er­tegen vechten.'

Het gezicht tegenover haar toonde geen enkel begrip. De tranen ble­ven gewoon stromen. Tesla greep naar haar riem. Het pistool uit Florida was er nog. Als Phoebe niet voor rede vatbaar was, zou ze misschien wel reageren als ze in de loop van een .45 keek.

Maar toen ze de kolf vastgreep, liet Phoebe haar los. Tesla haalde op­gelucht adem en boog zich daarbij voorover, en toen ze naar de vloer keek, zag ze een donkere, slangachtige gedaante van achter haar naar voren wriemelen. Ze pakte het tweede pistool achter haar riem en ging voor de Lix opzij om erop te schieten, maar op datzelfde moment voel­de ze dat de duisternis aan haar kant veranderde. De duisternis ver­schoof en ze voelde dat de lucht om haar heen door die beweging in be­roering werd gebracht.

Ze keek weer naar de vloer. De Lix aan haar voeten had gezelschap gekregen van enkele soortgenoten, belachelijk kleine verschrikkinkjes,

in vergelijking met sommige andere verschrikkingen die ze had gezien. De grootste was een centimeter of vijftig, de kleinste zo dun als een haar. Maar ze bleven komen, en komen, sommige niet langer dan een vinger, alsof hun nesten waren verstoord. Zo te zien waren ze niet van plan haar kwaad te doen. Ze wriemelden over de met rommel bezaaide vloer naar het smeulende haardvuur.

De enige dreiging ging uit van hun schepper, in wiens richting Tesla nu weer keek. Hoewel haar blik nog steeds niet op die plek kon blijven rusten, ving ze nu wel een glimp van hem op. Hij zat op een stoel, zo leek het, maar die stoel hing ongeveer een meter boven de vloer. En ter­wijl zij hem niet recht kon aankijken, kon hij wel naar haar kijken. Ze voelde zijn blik. Die prikte in haar hals. Die liet haar hart bonzen.

'Het gaat wel over...' zei hij, en met die woorden verdween het laatste restje hoop dat ze zich had vergist en dat het toch niet Kissoon zou zijn.

'Wat gaat over?' zei ze, en ze bleef haar uiterste best doen hem in haar blikveld te krijgen. Ongetwijfeld had hij een goede reden om te voor­komen dat ze haar blik op hem liet rusten, en dat was reden te meer om het toch te proberen. Als ze hem even kon afleiden, zou zijn aan­dacht misschien lang genoeg verslappen om haar de kans te geven hem goed te bekijken. 'Wat gaat over?' vroeg ze opnieuw.

'De schok.'

'Waarom zou ik geschokt zijn?'

'Omdat je dacht dat ik dood was.'

'Waarom zou ik dat denken?'

'Probeer het niet.'

'Wat niet?'

'Dat stomme spelletje dat je speelt.'

'Welk spelletje?'

ik zei: hou op!' Terwijl hij schreeuwde, keek ze naar hem, en gedu­rende twee hartslagen maakte zijn ergernis hem nonchalant en kon ze hem goed bekijken.

Het was lang genoeg om te zien waarom hij zich aan haar blik had willen onttrekken. Hij verkeerde in een overgangsfase. Zijn huid en spierweefsel hingen los om hem heen, in staat van ontbinding en vies. Er was nog wel zoveel van zijn vlees over dat ze zijn gezicht kon her­kennen. Dat aapachtig voorhoofd, die brede neus, die vooruitstekende kin: dat alles was van Raul geweest voordat Kissoon het had gestolen.

Jezus... hoorde ze Raul zeggen,... kijk een andere kant op. Alsjeblieft, kijk een andere kant op...

Ze had weinig keus. Zodra Kissoon merkte dat ze hem kon zien, sloeg zijn wilskracht met de kracht van een klap in haar gezicht haar blik op­zij. De tranen van pijn sprongen in haar ogen.

'Jij bent nieuwsgieriger dan goed voor je is,' zei Kissoon.

'Jij wordt erg ijdel op je oude dag,' antwoordde ze, en veegde de tra­nen van haar wangen.

'Oud? Ik? Nee. Ik zal altijd nieuw zijn. Jij daarentegen ziet er belab­berd uit. Waren je reizen dat waard?'

'Wat weet jij van mijn reizen?'

'Dat ik uit het zicht ben geweest, wil nog niet zeggen dat ik overal buiten stond,' antwoordde Kissoon. 'Ik heb de wereld nauwlettend gade­geslagen. En ik heb rapporten over jou binnengekregen uit groezelige kleine uithoeken. Wat zocht je? Fletcher?'

'Nee.'

'Hij is dood, Tesla. En de Jaff ook. Die episode is voorbij. Het was een eenvoudiger tijd, dus jij zult je er wel thuis hebben gevoeld, maar het is definitief voorbij.'

'En wat komt er nu?' vroeg Tesla.

ik denk dat je dat wel weet.' Tesla zei niets. 'Durf je het niet uit te spreken?'

iad, bedoel je?'

'Zie je nou wel? Je wist het best.'

'Heb je nog niet genoeg van hen gezien?' zei Tesla.

'Wij hebben meer van hen gezien dan de meesten, jij en ik. Toch heb­ben wij niets gezien. Helemaal niets.' Er klonk opwinding in zijn stem door. 'Ze zullen de wereld onherkenbaar veranderen.'

'En wil jij dat?'

'Jij niet dan?' zei Kissoon. Ze was vergeten wat een vreemde overre­dingskracht hij had, en hoe goed hij haar tweeslachtigheid begreep. 'De­ze chaos is zinloos, Tesla. Alles is losgeraakt. Alles is kapot. De wereld moet weer in elkaar worden gezet.' Zoals alle grote leugenaars zorgde hij dat er voldoende waarheid in zijn woorden zat om ze geloofwaar­dig te maken. 'Jammer genoeg kan de soort zichzelf niet zonder hulp van buitenaf genezen,' ging hij verder. 'Maar maak je geen zorgen. Er is hulp op komst.'

'En als die hulp komt...?'

'Dat heb ik je verteld. Dan worden de dingen onherkenbaar veran­derd.'

'Maar jij...'

'Wat is er met mij?'

'... wat zal het voor jou betekenen?'

'O... dat.'

'Ja, dat.'

'Het zal mij natuurlijk de allermachtigste maken.'

'Alsof dat zo'n verandering is.'

'En ik zal de Kunst hebben.' Ah, de Kunst! Vroeg of laat dook dat altijd op. ik zal de Kunst hebben in één onsterfelijke dag...'

'Klinkt geweldig. En de rest van ons?'

'Het is aan de Iad om daarover te oordelen. Jullie zullen je daarnaar richten. Zo simpel is het. Ik geloof dat ze een voorliefde voor het vrou­welijke element hebben. Tien jaar geleden zouden ze jullie waarschijn­lijk hebben gebruikt om te fokken. Nu zijn jullie natuurlijk beter te ge­bruiken als kunstmest.' Hij lachte. 'Maak je geen zorgen. Ik zal zorgen dat je niet verspild wordt.'

Ze voelde dat er iets langs haar enkel bewoog en keek omlaag. Daar kroop een Lix, vijf of zes keer zo groot als die ze daarstraks had gezien. Hij krulde zich om haar voet en stak daarbij zijn kop op. In zijn open mond zag ze vuurrode tandjes, rij na rij na rij, tot in zijn keel.

'Wacht...' zei ze.

'Geen tijd,' zei Kissoon. 'Misschien zie ik je in het verleden terug, of morgen. Misschien komen we elkaar in de Lus tegen en praten we dan over de manier waarop je vandaag bent gestorven.'

De Lix beklom haar been. Zijn greep werd al strakker.

Ze gilde en strompelde achterover, haar benen verstrikt in de slingers van het wezen. Een ogenblik wankelde ze, toen viel ze, ze viel hard, en de brokstukken die op de vloer lagen prikten in haar rug. Een ogenblik werd de kamer helemaal wit, en als ze Raul niet had horen schreeuwen in haar hoofd, als hij niet had gezegd hou vol, hou vol, zou ze vast en zeker het bewustzijn hebben verloren.

Toen de witheid wegtrok, keek ze naar de haard. De Lix die daar voor haar gesprek met Kissoon heen waren gegaan, hadden zich nu ge­warmd en draaiden hun kop in haar richting. En daar kwamen ze, als een wriemelende rivier.

Ze probeerde rechtop te gaan zitten, maar hun monsterlijke soortge­noot had zich om haar heen geslingerd en ze kon geen kant meer op. Haar enige hoop was Phoebe. Ze draaide haar hoofd opzij, op zoek naar de vrouw, en riep haar naam. Het was een verloren zaak. De ka­mer was leeg, afgezien van Kissoon en haar verslinders.

Ze keek weer naar de haard, en alsof de nachtmerrie nog niet erg ge­noeg was, realiseerde ze zich op dat moment ook wat de Lix daar had­den gedaan. Ze hadden zich helemaal niet gewarmd, maar gevoed. Wat zij had aangezien voor takken die verspreid om het vuur lagen, waren menselijke beenderen, en de steen tussen de sintels was een schedel. Er­win Toothaker had zijn huis dus helemaal niet verlaten, behalve als rook.

Ze liet een snik van afschuw horen. Toen kreeg ze de Lix over zich heen.