10
I
Toen het stil werd in de straten, begon Erwin spijt te krijgen van zijn onenigheid met Dolan. Hoewel zijn voeten pijn deden en hij moe was tot diep in zijn denkbeeldige botten, wist hij zeker dat fantomen niet sliepen. Hij zou wakend door de duisternis gaan, terwijl de levende ingezetenen van Everville veilig achter hun afgesloten deuren en vergrendelde ramen sliepen en hun reis naar dromenland maakten. Als een eenzame dronkeman dwaalde hij over straat, over Main Street. Hij wou dat hij de vrouw kon vinden tegen wie hij voor Kitty's Diner had gefluisterd. Zij had hem tenminste gehoord, al was het met moeite, terwijl alle anderen bij wie een hart in de borst sloeg zelfs niet zijn kant op keken, hoe hard hij ook schreeuwde. Er was iets bijzonders met die vrouw aan de hand, besloot hij. Misschien was ze wel helderziende.
Hij bleef niet helemaal onopgemerkt. Op de hoek van Apple Street kwam hij Bill en Maisie Waits tegen, die daar hun twee chocoladebruine labradors uitlieten. Toen ze Erwin naderden, merkten de honden blijkbaar zijn aanwezigheid op. Roken ze hem of zagen ze hem? Hij kon dat niet achterhalen. Maar hun nekharen gingen overeind staan en ze gromden. De teef bleef staan en de reu rende Apple Street uit, met zijn riem achter zich aan. Bill, die in de vijftig was en verre van fit, zette schreeuwend de achtervolging in.
Erwin schrok van de reactie van het dier. Hij had nooit een hond gehad, maar over het geheel genomen hield hij wel van honden. Was een fantoom zoiets onnatuurlijks dat alleen al een vage zweem van hem genoeg was om die dieren uitzinnig te maken?
Hij ging op zijn hurken zitten en riep zachtjes naar de teef.
'Rustig maar... rustig maar...' zei hij, en stak zijn hand uit. '... Ik zal niemand kwaad doen...'
Het dier blafte woest door, terwijl Maisie haar man nakeek, die achter de andere hond aan rende. Erwin kroop een beetje dichterbij en bleef geruststellende woorden mompelen. De teef liet blijken dat ze hem hoorde. Ze hield haar kop schuin en blafte niet meer zo erg.
'Goed zo,' zei Erwin. 'Goed zo. Zie je wel, zo erg is het toch niet?' Zijn geopende hand was nu zo'n halve meter van haar neus verwijderd. Haar geblaf was niet woest meer en ze liet alleen van tijd tot tijd iets
horen. Erwin stak zijn hand een beetje verder uit en aaide haar kop. Ze hield nu helemaal op met blaffen en ging op haar rug liggen om haar buik te laten krabbelen.
Maisie Waits keek naar haar. 'Katy, wat ben je aan het doen?' zei ze. 'Kom overeind.' Ze trok aan de lijn om het dier omhoog te krijgen, maar Katy genoot te veel van Erwins aandacht. Ze gromde een beetje, alsof ze zich vaag herinnerde dat de man die haar aaide haar een minuut of twee geleden nog bang had gemaakt, en hield toen zelfs daarmee op.
'Katy,' zei Maisie Waits kwaad, en tegen haar man: 'Heb je hem gevonden?'
'Lijkt het erop dat ik hem heb gevonden?' hijgde Bill. 'Hij is de kant van de kreek op gegaan. Hij komt vanzelf wel weer thuis.'
'Maar het verkeer...'
'Er is geen verkeer,' zei Bill. 'Nou ja, nauwelijks. En het is niet de eerste keer dat hij ervandoor is.' Bill was nu op de straathoek aangekomen en keek verbaasd naar de liggende Katy. 'Moet je jou nou eens zien, dwaas oud beest,' zei hij vol genegenheid, en hij ging naast de hond op zijn hurken zitten. 'Ik snap niet waar hij ineens zo bang voor was.'
'Voor mij,' zei Erwin, en hij aaide de buik van de hond tegelijk met Bill. De hond hoorde het. Ze spitste haar oren en keek Erwin aan. Bill hoorde natuurlijk niets. Erwin praatte toch maar door; de woorden tuimelden over zijn lippen. 'Wil je wel eens luisteren, Waits? Als een hond me kan horen, kun jij dat ook. Luister nou. Ik ben Erwin Toothaker...'
'Als je dat maar zeker weet,' zei Maisie.
'Erwin Toothaker.'
'Ik weet het zeker,' zei Bill. 'Hij is waarschijnlijk eerder thuis dan wij.' Hij gaf een klopje op Katy's stevige buik en stond op. 'Kom mee, meid,' zei hij. En met een twinkeling in zijn ogen tegen zijn vrouw: 'Jij ook, Katy.'
Maisie Waits porde hem in zijn ribben. 'William Waits,' zei ze quasiverontwaardigd.
Bill boog zich een beetje dichter naar haar toe. 'Zullen we nog wat rollebollen?' zei hij tegen haar.
'Het is laat...'
'Morgen is het zaterdag,' zei Bill, en hij sloeg zijn arm om het middel van zijn vrouw. 'Of we doen het, of ik overweldig je in je slaap.'
Maisie giechelde en met een snelle ruk aan de riem kwam Katy overeind. Bill kuste Maisies wang en fluisterde toen iets in het oor van zijn vrouw. Erwin was niet dichtbij genoeg om alles te kunnen horen, maar hij verstond kussen en als altijd. Wat hij ook had gezegd, Maisie beantwoordde zijn kus en ze liepen de straat uit, waarbij Katy nog een weemoedige blik op haar fantoombewonderaar wierp.
'Ben jij ooit getrouwd geweest, Erwin?'
Het was Dolan. Hij zat in de portiek van Lively Verlichting en Meubilair en peuterde in zijn neus.
'Nee.'
'Die van mij is naar Seattle vertrokken toen ik was doodgegaan. Zeven weken en twee dagen, en toen was ze weg. Ze verkocht het huis, verkocht bijna alle meubelen en zei de huur van de winkel op. Ik was zo kwaad. Ik heb een maand lang brullend door de stad gelopen, huilend en jammerend. Ik heb zelfs geprobeerd achter haar aan te gaan.'
'En?'
Dolan schudde zijn hoofd, ik kan het je niet aanraden. Hoe verder ik van Everville kwam, des te... vager... werd ik.'
'Enig idee waarom?'
'Nou, misschien moeten ik en deze stad met elkaar verbonden blijven, na al die jaren. Misschien kan ik me mezelf niet op een andere plaats voorstellen. Hoe dan ook, ik huil en jammer niet meer. Ik weet waar ik thuishoor.' Hij keek Erwin aan. 'Over thuishoren gesproken, ik had een reden om naar je op zoek te gaan.'
'Welke?'
ik sprak met een paar vrienden van me. Ik vertelde ze over jou en wat er voor mijn oude winkel gebeurd was, en ze wilden je ontmoeten.'
'Dat zijn dus ook...'
'Toe dan. Je kunt het best.'
'... geesten?'
'Wij spreken liever van teruggekeerden. Maar ja, je kunt ons ook geesten noemen.'
'Waarom willen ze me ontmoeten?'
Dolan stond op. 'Wat kan jou dat nou schelen?' riep hij uit, plotseling geërgerd. 'Heb je soms wat beters te doen?'
'Nee,' zei Erwin na enkele ogenblikken.
'Ga je nou mee of niet? Mij laat het koud.'
ik ga mee.'
2
Buddenbaum werd wakker in een witte kamer. Hij had barstende koppijn. Aan het voeteneind van het bed stond een vaalgele jongeman naar hem te kijken.
'Daar ben je dan,' zei de jongeman.
Blijkbaar kende de jongeman hem. Maar Buddenbaum kon zijn gezicht niet in verband brengen met een naam. Zijn verbazing was blijkbaar van zijn gezicht te lezen, want de jongen zei:
'Owen? Ik ben het. Seth.'
'Seth.' De naam liet een stuk of tien beelden opflikkeren in Buddenbaums hoofd, als afzonderlijke beeldjes uit een film, elk uit een andere scène, achter elkaar gezet. Tien, twintig keer verschenen en verdwenen ze. Hij ving een glimp op van naakte huid, een woedend gezicht, hemel, nog meer gezichten die op hem neerkeken.
'Ik ben gevallen.'
'Ja.'
Buddenbaum streek met zijn handpalmen over zijn borst, hals en buik. ik ben intact.'
'Je hebt wat ribben gebroken en een paar barsten in je wervels opgelopen en verder heb je een schedelbasisfractuur.'
'O ja?' Buddenbaums handen gingen naar zijn hoofd. Dat zat flink in het verband. 'Hoe lang ben ik bewusteloos geweest?'
'Bijna acht uur.'
'Acht uur?' Hij ging rechtop in bed zitten. 'O mijn god.'
'Je moet blijven liggen.'
'Geen tijd. Ik heb andere dingen te doen. Belangrijker dingen.' Hij bracht zijn hand naar zijn voorhoofd. 'Er komen mensen aan. Ik moet... ik moet... Jezus, ik ben het kwijt.' Wanhopig keek hij op naar Seth. 'Dit is erg,' zei hij, 'dit is heel erg.' Hij greep Seth vast en trok hem dichter naar zich toe. 'Er was een of andere coïtus, ja?' Seth kende het woord niet. 'Jij en ik, wij waren aan het paren...'
'O. Dat. Ja. Ja, we waren net lekker bezig, en toen kwam die Bosley, dat is een vrome christen...'
'Laat de christenen maar,' snauwde Buddenbaum. 'Vertrouw je me?'
'Natuurlijk vertrouw ik je,' zei Seth, en hij legde zijn hand op Buddenbaums gezicht. 'Jij hebt me verteld wat er gaat gebeuren.'
'O ja? En wat heb ik je dan verteld?'
'Je zei dat er avatars komen.' Seth sprak het woord aarzelend uit. 'Ze zijn meer dan engelen, zei je.'
De wanhoop op Buddenbaums gezicht maakte plaats voor begrip. 'De avatars,' zei hij. 'Natuurlijk.' Hij zwaaide zijn benen over de rand van het bed.
'Je mag niet opstaan,' zei Seth. 'Je bent gewond.'
'Ik heb wel ergere dingen overleefd, geloof me,' zei Buddenbaum. 'Nou, waar zijn mijn kleren?' Hij stond op en liep naar het kastje in de hoek van de kamer. 'Zijn we nog in Everville?'
'Nee, in Silverton.'
'Hoe ver is dat?'
'Zestig kilometer.'
'Hoe ben jij hier gekomen?'
'Ik heb de auto van mijn moeder geleend. Maar Owen, je bent nog lang niet beter...'
'Er staat hier meer op het spel dan een gebarsten schedel,' zei Buddenbaum, en hij maakte het kastje open en haalde zijn kleren eruit. 'Veel meer.'
'Wat dan?'
'Het is te ingewikkeld...'
'Ik ben vlug van begrip,' zei Seth. 'Dat weet je. Dat heb je zelf gezegd.'
'Help me met aankleden.'
is dat alles waar ik goed voor ben?' protesteerde Seth. 'Ik ben niet een of ander imbeciel jongetje dat je hebt opgepikt.'
'Gedraag je daar dan ook niet naar!' snauwde Buddenbaum.
Seth trok zich meteen terug. 'Nou, dat lijkt me duidelijk genoeg,' zei hij.
'Zo bedoelde ik het niet.'
'Als je wil dat iemand je aankleedt, vraag je het maar aan de zuster. Als je een lift naar huis wil, bel je maar een taxi.'
'Seth...'
Het was te laat. De jongen was de deur al uit en gooide hem hard achter zich dicht.
Owen ging niet achter hem aan. Dit was er het moment niet naar om energie te verspillen aan discussies. Die jongen zou na verloop van tijd wel bijdraaien. Of anders maar niet. Over een paar uur zou hij geen behoefte meer hebben aan de hulp of de genegenheid van Seth of een andere koppige jongen. Dan zou hij verlost zijn van iedere zwakheid, inclusief de liefde. Dan zou hij vrij zijn om buiten tijd en ruimte te leven, buiten alle begrenzingen. Hij zou ongemaakt zijn, zoals godheden ongemaakt waren, omdat godheden geen begin en geen einde hadden: een zeldzame en geweldige staat om in te verkeren.
Toen hij zich half had aangekleed, verscheen de dokter, een bleke jongeman met sliertig blond haar.
'Meneer Buddenbaum, wat bent u aan het doen?' vroeg hij.
'Dat lijkt me toch wel duidelijk,' antwoordde Owen.
'U kunt niet weggaan.'
integendeel. Ik kan niet blijven. Ik heb werk te doen.'
'Het verbaast me dat u al overeind kunt staan,' zei de dokter. 'Ik sta erop dat u weer in bed gaat liggen.'
Hij liep naar Owen toe, die zijn armen omhoogbracht. 'Laat me,' zei
hij. 'Als u iets voor me wilt doen, kunt u een taxi voor me bellen.'
'Als u probeert weg te gaan,' zei de dokter, 'ben ik niet verantwoordelijk voor de gevolgen.'
'Mij best,' zei Owen. 'En mag ik me dan nu in alle rust aankleden?'
Voor een stadje van zo'n bescheiden omvang mocht Everville zich in het bezit van een ongewoon groot aantal begraafplaatsen verheugen. Het katholieke kerkhof van St. Mary lag drie kilometer buiten de stadsgrens aan Mulino Road, maar de andere drie, de Pioniersbegraafplaats (de kleinste met de grootste historische betekenis), de Potterbegraafplaats (genoemd naar de familie die meer mensen uit de omgeving had begraven dan ieder ander) en de gewone begraafplaats Everville lagen allemaal binnen de stadsgrenzen. Dolan bracht Erwin naar de Potterbegraafplaats, aan Lambroll Drive, dicht bij het oude postkantoor.
Onderweg hield hij op zijn levendige manier het gesprek gaande. Hij had het er vooral over dat de stad in de laatste jaren zo veranderd was. En het waren volgens hem meestal geen veranderingen ten goede geweest. Veel dingen die deel hadden uitgemaakt van de geschiedenis van Everville, de familiebedrijven, de oude gebouwen, zelfs de straatlantaarns, waren opgeheven of vernietigd.
'Toen ik nog leefde, stond ik niet zo vaak stil bij dat soort dingen,' merkte Dolan op. 'Dat doe je dan niet, hè? Je gaat zo goed mogelijk verder met je leven. Je hoopt dat je de belastingen niet achter je aan krijgt. Je hoopt dat je hem op zaterdagavond nog overeind kunt krijgen. Je hoopt dat je haar niet te gauw uitvalt. Je hebt geen tijd om na te denken over het verleden, totdat je daar zelf deel van uitmaakt. En dan...'
'Dan?'
'... dan besef je dat alles wat weg is, nooit meer terugkomt, en als het dan iets was dat de moeite van het behouden waard was, is dat verrekte zonde.' Hij wees naar het oude postkantoor, dat in verval was geraakt sinds een groter en moderner gebouw in Salem was geopend. 'Moet je dat bijvoorbeeld eens zien,' zei hij. 'Dat had toch in stand kunnen blijven? Ze hadden er iets voor de gemeenschap van kunnen maken.'
'Welke gemeenschap?' zei Erwin. 'Je hebt hier geen gemeenschap. Je hebt hier alleen een paar duizend mensen die toevallig bij elkaar wonen en die tachtig procent van de tijd een grote hekel aan elkaar hebben. Geloof me, ik heb in mijn werk genoeg meegemaakt. Mensen die tegen elkaar procederen omdat er een schutting op de verkeerde plaats staat
of een boom moet worden omgehakt. Leuke buren, zou je zeggen, als je ze zo ziet: degelijke mensen met een goed hart. Maar neem dit van mij aan: als de wet het toestond, zouden ze elkaar voor het minste of geringste vermoorden.'
Die laatste opmerking was al over zijn lippen voordat hij goed en wel besefte wat hij had gezegd. 'Ik wilde alleen de kinderen beschermen,' mompelde Dolan.
ik had het niet over jou,' zei Erwin. 'Wat jij deed...'
'... was verkeerd. Dat weet ik. We hebben een vreselijke fout gemaakt en ik zal daar altijd spijt van hebben. Maar we deden het omdat we dachten dat het moest.'
'En hoe heeft jouw dierbare gemeenschap jullie behandeld toen ze beseften dat jullie die fout hadden gemaakt? Als paria's, nietwaar?' De andere man zei niets. 'Mooie gemeenschap,' zei Erwin.
Ze zwegen tot ze bij het hek van de Potterbegraafplaats kwamen. Toen zei Dolan: 'Weet je wie Hubert Nordhoff is?'
'Was hij niet van de familie die de fabriek bezat?'
'Niet alleen de fabriek. Hij was een groot man in deze omgeving, vijftig jaar lang.'
'Wat is er met hem?'
'Hij houdt hof op de laatste vrijdag van iedere maand.'
'Hier?' zei Erwin, turend door het smeedijzeren hek van de begraafplaats. Er hing een dunne wolkensluier voor de maan, maar het was licht genoeg om de graven te zien. Hier en daar versierde een engel of een urn de rustplaats van een familie met geld te veel, maar de meeste graftomben waren eenvoudige stenen.
'Ja, hier,' zei Dolan, en leidde hem de begraafplaats op.
Er stond een oude, met mos begroeide eik op het achterste gedeelte van de begraafplaats, en daar, onder de reusachtige takken van die boom, hadden zich zes mannen en een vrouw verzameld. Sommigen zaten op stenen. Een van hen, een man die er zelfs voor een dode nog ziekelijk uitzag, zat op de laagste tak. En dicht bij de stam van de boom stond een man van in de zeventig die de groep toesprak. Aan zijn kleding, zijn bril en zijn nogal formele houding was te zien dat hij in vroeger tijden had geleefd. Erwin had Dolans gefluisterde mededeling niet nodig om te weten dat dit Hubert Nordhoff was. De man ging helemaal op in zijn betoog.
'Zijn wij onbemind? Mijn vrienden, dat zijn we. Zijn wij vergeten? Door allen, op enkelen na, vrees ik. En trekken wij ons dat aan? Mijn vrienden, trekken wij ons dat aan?' Hij liet zijn scherpe blauwe ogen op iedere aanwezige rusten alvorens antwoord te geven: 'O, mijn God, ja, Tot op de bodem van onze gebroken harten: ja, wij trekken ons dat
aan.' Hij zweeg nu en keek langs zijn publiek naar Dolan en Erwin. Hij boog zijn hoofd.
'Meneer Dolan,' zei hij.
'Meneer Nordhoff.' Dolan wendde zich tot Erwin. 'Dit is de man over wie ik vertelde. Hij heet...'
'Toothaker,' zei Erwin, vastbesloten om niet als Dolans vangst in deze kring te komen, maar als individu met een vrije wil. 'Erwin Toothaker.'
'Het is ons een genoegen u te ontmoeten, meneer Toothaker,' zei de oude man. 'Ik ben Hubert Nordhoff. En dit...' Hij ging met Erwin het groepje rond en stelde ze voor. Drie van de namen waren hem bekend. Het waren leden van families die nog altijd prominent waren in Everville (een van hen was een Gilholly, een ander de vader van een vroegere burgemeester). De anderen kende hij niet, al was aan hun postmortale kleding goed te zien dat ze geen van allen een onbemiddeld leven hadden geleid. Evenals Hubert waren dit mannen die een vooraanstaande plaats in de gemeenschap hadden ingenomen. Er was maar één verrassing: dat de enige vrouw in het groepje helemaal geen vrouw was, maar een zekere Cornelius Floyd, die kennelijk in nogal slonzige vrouwenkledij in het hiernamaals was afgeleverd en daar zo te zien heel tevreden mee was. Zijn gezicht was te breed en zijn kaak te hoekig om vrouwelijk genoemd te kunnen worden, maar het lukte hem om met een lichte vrouwenstem te spreken toen hij Erwin vertelde dat, hoewel zijn naam inderdaad Cornelius was, iedereen hem Connie noemde.
Toen iedereen aan Erwin was voorgesteld, kwam Hubert ter zake. 'We hebben gehoord wat er met je is gebeurd,' zei hij. 'Je bent vermoord, hoorden we, in je eigen huis.'
'Ja, dat klopt.'
'We zijn natuurlijk geschokt.' Er ging een gemompel van gepast medeleven door de kring. 'Maar het spijt me te moeten zeggen dat we niet vreselijk verrast waren. Dit soort dingen komt steeds vaker voor.'
'Het was geen gewone moord,' merkte Erwin op, 'voor zover een moord gewoon kan zijn.'
'Dolan zei iets over vampieren,' zei Gilholly senior.
'Dat zegt hij, maar ik niet,' merkte Erwin op. 'Het leven werd uit me weggezogen, maar niet via een beet in mijn nek of zo.'
'Kende je de moordenaar?' vroeg een gezette kerel die Dickerson heette en die momenteel op een grafsteen lag.
'Niet precies.'
'Wat bedoel je?'
'Ik had hem bij de kreek ontmoet. Hij heette Fletcher. Ik geloof dat hij zich als een soort messias ziet.'
'Dat ontbrak er nog maar aan,' zei de magere man in de boom.
'Wat doen we hieraan, Nordhoff?' wilde Gilholly weten.
'We kunnen niets doen,' zei Erwin.
'Niet zo defaitistisch,' snauwde Nordhoff. 'Wij hebben verantwoordelijkheden.'
'Dat is zo,' zei Connie. 'Als wij niets doen, wie dan wel?'
'Wat doen?' zei Erwin.
'Ons erfgoed redden,' antwoordde Nordhoff. 'Wij zijn de mannen die deze stad hebben gemaakt. Wij hebben ons zweet vergoten om de wildernis te temmen en ons hoofd gepijnigd om een fatsoenlijke stad op te bouwen waar we onze kinderen konden grootbrengen. Nu stort het allemaal in. We vermoedden het al een aantal maanden. Er zijn overal kleine aanwijzingen. En nu kom jij, vermoord door iets onnatuurlijks, en dan is er die jongen van Lundy, die in Dolans winkel verkracht is door iets anders, iets dat al even onnatuurlijk is...'
'En vergeet de bijen niet,' merkte Dickerson op.
'Welke bijen?' vroeg Erwin.
'Ken je Frank Tibbit?' zei Dickerson. 'Die in een zijstraat van Moon Lane woont?'
'Nee, ik kan niet zeggen...'
'Die houdt bijen. Of beter gezegd, die hield hij. Tien dagen geleden zijn ze allemaal verdwenen.'
'Zegt dat iets?' vroeg Erwin.
'Niet als het op zichzelf zou hebben gestaan,' zei Nordhoff. 'Maar dat staat het niet. Wij observeren, weet je, en wij luisteren. Het is onze laak om in stand te houden wat wij hebben gemaakt, ook al zijn wij zelf vergeten. Alles wat er gebeurt, dringt vroeg of laat tot ons door. En er zijn tientallen voorbeelden...'
'Honderden,' zei Connie.
'In ieder geval vele tientallen,' zei Nordhoff. 'Vele tientallen voorbeelden van vreemde gebeurtenissen, geen van alle op grotere schaal dan Tibbits bijen...'
'Met uitzondering van de moord op jou,' merkte Dickerson op.
'Zou ik een zin kunnen afmaken zonder te worden onderbroken?' zei Nordhoff.
'Misschien wel, als je niet zo lang van stof was,' zei Meivin Pollock, die minstens zo oud als Nordhoff leek en de smalle, zure mond had van iemand die zijn leven lang een vrek is geweest. 'Wat hij probeert te zeggen, is dat wij ons leven in Everville hebben geïnvesteerd. De tekenen vertellen ons dat we op het punt staan die investering voorgoed kwijt te raken.'
'En als die weg is...' zei Dickerson.
'Dan gaan wij mee,' zei Pollock. 'De vergetelheid in.'
'Dat wij dood zijn,' zei Nordhoff, 'wil nog niet zeggen dat we ons daar zomaar bij neer moeten leggen.'
Dickerson grinnikte. 'Niet gek, Hubert. We maken nog wel eens een komiek van je.'
'Dit is niet om te lachen,' zei Nordhoff.
'Natuurlijk wel,' zei Dickerson, en hij hees zijn niet geringe lichaamsmassa in zittende positie. 'Hier zitten we dan, de fine fleur van Everville, een bankier...' Hij knikte in Pollocks richting. 'Een makelaar.' Dat was Connie. 'Een fabrikant.' Nordhoff, natuurlijk. 'En de rest van ons, allemaal invloedrijke personen. Hier zitten we dan. We klampen ons vast aan onze waardigheid en denken dat we invloed kunnen uitoefenen op wat daar gebeurt...' Hij wees door het hek naar de wereld van de levenden. 'Terwijl iedereen met ogen in zijn hoofd kan zien dat het voorbij is.'
'Wat is voorbij?' zei Connie.
'Onze tijd. De tijd van Everville. Misschien...' Hij zweeg even en fronste zijn wenkbrauwen. 'Misschien zelfs de mensheid,' mompelde hij.
Ze zwegen nu allemaal, zelfs Nordhoff. Ergens in de straten buiten het kerkhof blafte een hond, maar zelfs dat vertrouwde geluid had niets geruststellends meer.
Ten slotte zei Erwin: 'Fletcher weet het.'
'Weet wat?' zei Nordhoff.
'Weet wat er aan de hand is. Misschien is hij er zelfs de oorzaak van. Als we een manier konden vinden om hem te doden...'
'Het is een idee,' zei Connie.
'En zelfs als we daarmee de stad niet redden,' zei Dickerson, die er duidelijk wel oren naar had, 'kunnen we er plezier aan beleven.'
'Allemachtig, we krijgen niet eens voor elkaar dat de mensen ons kunnen horen,' merkte Dolan op. 'Hoe kunnen we dan iemand doden?'
'Hij is niet iemand,' zei Erwin. 'Hij is een ding. Hij is niet menselijk.'
'Zo te horen ben je daar nogal zeker van,' zei Nordhoff.
'Je kunt me op mijn woord geloven,' zei Erwin. 'Ga zelf maar kijken.'