12
I
Tesla trof Buddenbaum in de Nook aan, zoals Seth haar had verteld. De kleine lunchroom was verlaten, en het zou er helemaal donker zijn geweest als Buddenbaum geen vuurtje had gemaakt op een bord dat voor hem stond. Hij voedde het vuur met stukjes van de menukaart.
'Ik dacht al dat je niet meer zou komen,' zei hij, met een glimlachje dat bijna oprecht was.
'Ik ben opgehouden.'
'Door enkele burgers van deze stad?'
'Ja.' Ze liep naar zijn tafel, ging tegenover hem zitten en pakte een servet om het zweet van haar gezicht te vegen. Toen nam ze er nog een en snoot haar neus.
'Ik weet wat jij denkt,' zei Buddenbaum.
'O ja?'
'Jij denkt: waarom zou ik me iets aan die vervloekte mensen gelegen laten liggen? Ze zijn wreed en ze zijn dom, en als ze bang zijn, worden ze alleen nog maar wreder en dommer.'
'Jij rekent ons natuurlijk niet tot hen.'
'Natuurlijk niet. Jij bent een nunciaat. En ik ben...'
'... de man van de Jai-Wai.'
Buddenbaum trok een grimas. 'Weten ze dat jij hier bent?'
'Ik heb ze verteld dat ik een eind ging wandelen om de dingen te overdenken.' Ze groef in haar zak en haalde de kaarten te voorschijn. 'Heb je deze ooit eerder gezien?' Ze legde ze op de tafel. Buddenbaum keek er bijna bijgelovig naar, met zijn lippen stijf op elkaar.
'Van wie zijn ze?' vroeg hij. Zijn vingers hingen boven de kaarten maar raakten ze niet aan.
'Dat weet ik niet.'
'Ze zijn in machtige handen geweest,' zei hij waarderend.
Tesla groef weer in haar zak om een achtergebleven kaart te pakken en haalde toen ook de resten van de joint te voorschijn die ze van de zangeres bij de kruisen had afgepakt. Ze snoof eraan. Wat er ook in had gezeten, het rook verleidelijk scherp. Ze pakte een stukje brandend karton van het bord, bracht de joint naar haar lippen en stak hem aan.
'Ga je voor ze werken?' vroeg Buddenbaum.
'De Jai-Wai?' zei ze. Hij knikte. 'Ik betwijfel het.'
'Waarom niet?'
'Ze zijn psychotisch, Buddenbaum. Ze krijgen er een kick van om mensen te zien lijden.'
'Geldt dat niet voor ons allemaal?'
'Nee.' Ze inhaleerde, een klein trekje maar, en hield de rook even in haar longen.
'O, kom nou, Bombeck,' zei Buddenbaum. 'Jij schreef voor de film. Jij weet waar mensen een kick van krijgen.'
Ze blies een pluim lila rook uit. 'Het verschil is: dit is echt.'
Buddenbaum boog zich naar voren. 'Ga je die delen?' zei hij. Ze reikte hem de joint aan. Die had bij haar al tot subtiele visuele hallucinaties geleid. De vlammen likten niet zo intens meer en de zweetdruppels op Buddenbaums gezicht waren kristallijn geworden. Hij nam een trek van de joint en sprak met ingehouden adem. 'Wat echt is voor ons, is niet echt voor de rest van de wereld. Dat weet je.' Hij keek weer naar de donkere straat. Een gezin van vijf personen rende over het trottoir, de kinderen huilend. 'Hoe ze ook lijden - en dit is niet denigrerend bedoeld - het is een dierlijke reactie. Ze zijn niet echt in de absolute zin van het woord. Het gaat wel over. Alles gaat over, vroeg of laat.' Hij blies de rook uit.
Ze dacht weer aan Kissoon in Toothakers huis. Die had ook zoiets gezegd.
'Het leven van het lichaam, het dierlijke leven, is van voorbijgaande aard. Het smelt, het vervaagt. Maar wat verborgen zit in het lichaam... de blijvende geest... die is eeuwig, of kan tenminste hopen dat hij eeuwig is. Het is aan ons om die hoop tot werkelijkheid te maken.'
'Is dat de reden waarom je de Kunst wilt hebben?'
Buddenbaum nam nog een trek van de joint, gaf hem aan Tesla terug en leunde achterover in zijn stoel. 'Ah... de Kunst,' zei hij.
'Ik was erbij toen de Jaff de Kunst kreeg. Weet je dat?'
'Natuurlijk.'
'Het was nou niet bepaald zo dat hij opbloeide.'
'Dat weet ik ook,' zei Buddenbaum. 'Maar hij was toen zwak. En gek. Ik ben geen van beide. Ik heb tweeëneenhalf leven geleid in voorbereiding van wat er hier nu gaat gebeuren. Ik ben er klaar voor met de macht om te gaan.'
'Waar heb je mij dan voor nodig?'
Buddenbaum rolde met zijn ogen. 'Dit is goede ganga,' zei hij. 'Weet je, jij bent niet degene die ik nodig heb, Tesla.'
'Maar de Jai-Wai.'
'Ik ben bang van wel.'
'Wil je me vertellen waarom?'
Buddenbaum dacht even na.
'Als je mijn hulp wilt,' zei Tesla, 'moet je me vertrouwen.'
'Dat is moeilijk,' zei Buddenbaum. ik heb zoveel jaar in eenzaamheid geleefd en mijn geheimen bewaard.'
'Ik zal het gemakkelijker voor je maken,' zei Tesla. 'Ik zal je vertellen wat ik al weet. Of wat ik heb geraden.' Ze pakte de kaarten op, schudde ze in het licht van het vuur en hield al die tijd haar blik op Buddenbaum gericht. 'Jij hebt een van de medaillons van de School op het kruispunt begraven, en in de loop van de jaren heeft het op de een of andere manier macht verworven. En nu ben jij er klaar voor om die macht te gebruiken en zo de Kunst te verwerven.'
'Goed...' zei Buddenbaum. 'Ga verder...'
Ze schoof het bord met het vuur opzij en begon de kaarten op de tafel uit te leggen, een voor een. 'De Jaff heeft me iets geleerd,' zei ze, 'toen we samen onder de Grove waren. Ik zocht naar het kruis dat hij had, probeerde te ontdekken wat de symbolen betekenden - déze symbolen...' Ze wuifde met de kaarten. 'En hij zei tegen me: iets begrijpen is hetzelfde als iets hebben. Als je weet wat een symbool betekent, is het geen symbool meer. Dan heb je het ding zelf in je hoofd, en dat is de enige plaats waar iets hoeft te zijn.' Ze keek even naar de kaarten. Toen ze weer naar Buddenbaum opkeek, had hij een ijzige blik in zijn ogen. 'Alles vloeit in elkaar over op dat kruispunt, nietwaar? Lichaam en geest, verleden en toekomst, het wordt allemaal geest' Ze had alle kaarten gevonden van het lichaam dat languit in het midden van het kruis hing en begon alle kaarten op hun positie te leggen. 'Maar om toegang tot de Kunst te krijgen moet je over alle mogelijkheden beschikken die daar door elkaar heen gevloeid liggen. Daar op het kruispunt. De menselijke stukken. De dierlijke stukken. De dromende stukken...' Ze zweeg. Keek hem aan. 'Heb ik het goed?' zei ze.
'Ik denk dat je het weet,' zei Buddenbaum.
'Dus... waar was ik?'
'Dromende stukken.'
'O ja. En natuurlijk de laatste stukken. De stukken die het patroon compleet maken.' Ze had precies die kaart in haar hand: het symbool boven aan de verticale deel van het kruis. 'De stukken van de goddelijkheid.'
Buddenbaum zuchtte.
'De Jai-Wai,' zei ze, en wierp de kaart op de tafel.
Er volgden twintig, misschien dertig seconden van stilte. Ten slotte zei Buddenbaum: 'Kun je je voorstellen hoe moeilijk het is om dit te regelen? Om een plaats te vinden waar ik kon hopen dat al die machten
op een gegeven moment te voorschijn zouden komen? Dit is natuurlijk niet de enige plaats waar ik een kruis heb begraven. Ik heb ze overal liggen. Maar er was iets aan deze plaats...'
'Wat dan?'
Hij dacht daar even over. 'Een klein meisje dat Maeve O'Connell heette,' zei hij toen.
'Wie?'
'Zij is degene die het kruis voor me heeft begraven. Dat was nog voordat deze stad bestond. Ik kan me herinneren dat ik haar vader haar naam hoorde roepen - Maeve, Maeve - en dat leek me een teken. Die naam is Iers. Het is een geest die naar mannen komt als ze dromen. En toen ik haar vader ontmoette, realiseerde ik me hoe gemakkelijk het zou zijn hem te inspireren, hem een honingpot van een stad voor me te laten bouwen, waar allerlei wezens kwamen. En midden in dat stadje zou mijn kleine kruis langzaam kracht verzamelen.'
'Everville is jouw creatie?'
'Nee, dat kan ik niet zeggen. De inspiratie kwam van mij, maar dat was dan ook alles. De rest is gedaan door gewone mannen en vrouwen die gewoon hun leven leidden.'
'Dus je bleef de stad in de gaten houden?'
'De eerste drie of vier jaar kwam ik kijken, maar het zaad was niet uitgekomen. De vader was op de berg gestorven en de dochter was met een rare snuiter van de andere kant getrouwd. De mensen wilden niets met hen te maken hebben.'
'Maar de stad werd toch gebouwd?'
'Uiteindelijk wel, al snap ik niet hoe. Ik ben hier een hele tijd niet geweest en toen ik eindelijk terugkwam, keek ik mijn ogen uit. Everville was er toch gekomen. Niet precies het Byzantium dat mij voor ogen had gestaan, maar het had mogelijkheden. Ik wist dat hier nu en dan reizigers uit de Metakosmos kwamen, om sentimentele redenen. En ze kruisten het pad van Sapas Humana, en gingen hun eigen weg, en al die tijd lag dat medaillon onder de grond en verzamelde het kracht.'
'Je hebt lang gewacht.'
'Ik moest er klaar voor zijn, in mezelf. Randolph Jaffe is niet de enige die gek is geworden doordat hij meende met de Kunst te kunnen omgaan. Zoals ik al eerder heb gezegd, ik heb enkele mensenlevens geleefd, dank zij Rara Utu en haar vriendjes. Ik heb die jaren gebruikt om mezelf ijler te maken.'
'En nu ben je er klaar voor?'
'Nu ben ik er klaar voor. Alleen mis ik nog één stukje van de puzzel.'
'En... je wilt dat ik je dat stukje breng?'
'Als je zo goed zou willen zijn,' zei Buddenbaum met een lichte hoofdbuiging.
'Als het me lukt, zul je me dan helpen voorkomen dat de Iad de stad verwoest?'
'Dat beloof ik.'
'Hoe weet ik dat jij niet gewoon in je hogere existentievorm verdwijnt en de rest van ons in vlammen laat opgaan?'
'Je moet geloven dat ik me aan de laatste belofte die ik als sterveling doe zal houden,' antwoordde Buddenbaum.
Het was geen waterdicht aanbod, vond Tesla, maar het was waarschijnlijk het beste dat ze zou krijgen. Terwijl ze erover nadacht, zei Buddenbaum:
'Nog één ding.'
'En dat is?'
'Zodra je de Jai-Wai naar het kruispunt heb gebracht, wil ik dat jij de stad uitgaat.'
'Waarom?'
'Vanmiddag, toen ik alles op zijn plaats had, ging het niet goed, en dat kwam door jou.'
'Hoe ben je daar achter gekomen?'
'Er kon geen andere reden zijn,' antwoordde Buddenbaum. 'Jij bent een nunciaat. De macht kon niet tussen ons tweeën kiezen en kwam daardoor niet in beweging.'
'Goed. Dan ga ik weg.'
'Nu ben ik degene die om een belofte vraagt.'
'Ik beloof het.'
'Dat is goed genoeg,' zei Buddenbaum. 'Nu... wil je de kaarten verbranden?'
'Waarom?'
'Als... gebaar van goede wil.'
Tesla haalde haar schouders op. 'Mij best,' zei ze, en ze pakte ze bij elkaar en wierp ze in het vuurtje. Ze vatten snel vlam.
'Mooi,' zei Buddenbaum, en hij stond op. 'Dan zie ik je op het kruispunt.'
'Ik zal er zijn.'
2
Ze voelde de aanwezigheid van de vijand zodra ze de straat opging. Herinneringen aan Point Zero kwamen in haar op: de troosteloosheid, het stof, en de lad, opkomend als een ziedend tij. Binnenkort zouden ze
hier zijn, met hun waanzin en hun honger naar waanzin. Ze zouden deze stad verwoesten, deze stad wier enige misdaad het was dat ze gesticht was in de naam van de transcendentie.
En als deze stad eenmaal was vernietigd, wat dan? De Amerika's in, op zoek naar nieuwe slachtoffers, nieuwe volgelingen? In de jaren dat ze door het land had gereisd, had ze geleerd dat de Iad niet overal onwelkom zouden zijn. Er waren in dit verdeelde land veel mensen die naar catastrofes hunkerden, die niets liever wilden dan het nieuwe millennium met bloedvergieten en verwoesting inluiden. Ze had ze in cafetaria's boven hun koffie horen mompelen, had ze langs de kant van wegen gezien, razend en tierend. Ze was ze voorbijgelopen in drukke straten (de meesten zagen eruit alsof ze niets mankeerden: keurig gekleed en verzorgd en beleefd): mensen die de wereld wilden uitmoorden omdat die hen had teleurgesteld.
Als de Iad er eenmaal waren, zouden die mensen niet meer in zichzelf hoeven te praten. Dan hoefden ze de hemel geen verwijten meer te maken en hoefden ze niet meer te glimlachen terwijl ze eigenlijk niets liever deden dan schreeuwen. Dan kregen zij hun dag van toorn, en in vergelijking met wat er dan zou komen was de macht die ze in Point Zero had zien vrijkomen onbeduidend geweest.
God helpe haar, in vroeger tijden zou zij zelf misschien ook tot hen hebben behoord.
Ze hoefde niet ver te lopen om de Jai-Wai te vinden. Zo'n honderd meter van de Nook vandaan hoorde ze een groot tumult en toen ze ging kijken wat er aan de hand was, zag ze de politiecommandant met twee van zijn agenten pogingen doen een menigte van zo'n vijftig Evervillianen tot kalmte te brengen. Al die mensen eisten dat hij iets deed om hun stad te beschermen. Velen van hen hadden zaklantaarns, die ze op het voorwerp van hun woede gericht hadden. Asgrauw en bezweet deed Gilholly zijn best hen tot rust te brengen, maar hij had de omstandigheden niet mee. De invloed van de Iad werd sterker naarmate ze van de Hoogten afdaalden, en de opgewonden menigte verloor geleidelijk iedere voeling met de realiteit. Mensen begonnen onbedaarlijk te snikken, of gilden zo hard ze konden. Iemand in de menigte begon in tongen te spreken.
Omdat hij merkte dat hij de zaak niet meer onder controle had, trok Gilholly zijn pistool en schoot in de lucht. De menigte kwam enigszins tot bedaren.
'En nu luisteren!' schreeuwde Gilholly boven het gemompel en gesnik uit. 'Als we maar rustig blijven, komen we hier wel doorheen. Ik wil dat iedereen naar het stadhuis gaat. Daar wachten we tot er hulp komt.'
'Hulp waarvandaan?' vroeg iemand.
'Maak je geen zorgen. Ik heb overal heen gebeld,' antwoordde Gilholly. 'In het komend halfuur krijgen we assistentie uit Molina en Silverton. Dan gaan de lichten weer aan en...'
'En hoe zit het met wat er op de berg gebeurt?'
'Dat komt allemaal wel goed,' zei Gilholly. 'En willen jullie nu alsjeblieft de straten vrijmaken? Dan raakt er niemand gewond als er hulp komt.' Hij baande zich een weg door de menigte en gaf de mensen een teken dat ze hem moesten volgen. 'Kom op! Laten we gaan.'
Terwijl de menigte in beweging kwam, ving Tesla een glimp op van een witte jurk. Ze ging erheen en vond Rara Utu, die glimlachend naar het tafereel keek. Haar meisjesachtige vermomming was net zo smetteloos als altijd. Ze keek grijnzend naar Tesla op.
'Ze gaan er allemaal aan,' zei ze stralend.
'Ja, leuk, hè?' kaatste Tesla terug.
'Heb je een besluit genomen?'
'Ja,' zei Tesla. 'Ik accepteer het aanbod. Op één voorwaarde.'
'Welke?' zei Yie, die met zijn menselijke gezicht uit de menigte opdook.
'Ik wil niet degene zijn die het aan Buddenbaum vertelt. Dat moeten jullie doen.'
'Waarom zouden we die moeite doen?' vroeg Haheh, die opeens naast Yie stond.
'Omdat hij jullie al die jaren heeft gediend,' zei Tesla. 'Hij verdient het om met enige waardigheid te worden behandeld.'
'Hij gaat niet meteen dood als wij van hem weggaan,' merkte Haheh op. 'Hij zal snel achteruitgaan, omdat de jaren hem inhalen, maar zo verschrikkelijk zal dat niet zijn.'
'Zeg dat dan tegen hem,' zei Tesla. Ze keek Rara Utu weer aan. 'Ik wil niet dat hij met een mes achter me aan komt omdat ik zijn baan heb ingepikt.'
'Ik begrijp het,' zei het meisje.
Yie trok een lelijk gezicht. 'Dit is de éérste en laatste keer dat we aan jouw verlangens tegemoetkomen,' zei hij. 'Je zou dankbaar moeten zijn omdat je ons mag dienen.'
'Dat ben ik ook,' zei Tesla. 'Ik wil jullie geweldige verhalen vertellen en prachtige dingen laten zien. Maar eerst...'
'Waar is hij?' zei Haheh.
'Op het kruispunt.'
3
'Goddank is het donker,' zei Maeve toen ze door de duistere straten liepen. 'Ik zweer het je: als ik deze lelijkheid bij klaarlichte dag zag, zou ik in huilen uitbarsten.' Ze beval neergezet te worden voor de Hamburger Hang-out en bleef daar hoofdschuddend naar kijken. 'Lelijk, lelijk, lelijk,' zei ze. 'Het lijkt op iets dat voor kinderen is gemaakt.'
'Maak je er maar niet druk om,' zei Raul. 'Het zal er niet lang meer staan.'
'We gingen een stad bouwen die tot in de eeuwigheid zou voortbestaan,' zei Maeve.
'Niets blijft zo lang bestaan,' zei Harry.
'Dat is niet waar,' zei Maeve. 'Grote steden worden legenden. En legenden sterven niet.' Ze wierp weer een woedende blik op de Hamburger Hang-out. 'Alles zou beter zijn dan dit,' zei ze. 'Een berg puin! Een gat in de grond!'
'Zullen we verder gaan?' zei Harry, achteromkijkend naar de berg. Ze hadden nu zo'n twintig minuten door de straten gelopen, en al die tijd had dat mens van O'Connell vol zelfvertrouwen de weg gewezen naar de plaats waar ze had gewoond, al was steeds duidelijker geworden dat ze verdwaald was. Intussen waren Kissoon en zijn Iadische legioen van de Hoogten naar beneden gekomen. Hun verwarde massa was niet meer zichtbaar, en dat kon niets anders betekenen dan dat ze de voet van de helling hadden bereikt. Misschien waren ze al in de stad en was de verwoesting al aan de gang.
'Het is niet ver meer,' zei de oude vrouw. Ze liep op eigen kracht naar het dichtstbijzijnde kruispunt en keek in alle richtingen. 'Die kant op!' Ze wees.
'Weet je het zeker?' zei Harry.
'Ik weet het zeker,' zei ze. 'Het was in het midden van de stad, mijn bordeel. Het was het eerste huis dat hier ooit is gebouwd.'
'Zei je bordeel?'
'Natuurlijk hebben ze het platgebrand. Heb ik je dat verteld? De halve buurt is toen ook afgebrand, omdat het vuur zich verspreidde.' Ze draaide zich om naar Harry. 'Ja, ik zei bordeel. Hoe denk je dat ik mijn stad heb gebouwd? Ik had geen rivier. Ik had geen goud. Dus bouwden we een bordeel, Coker en ik, en ik nam de mooiste vrouwen aan die ik kon vinden. En daar kwamen de mannen op af. En sommigen van hen bleven hier. En trouwden. En bouwden zelf ook een huis. En...' Ze spreidde haar armen en barstte in lachen uit. 'En ziedaar! Daar was Everville!'
4
Gelach? dacht Bosley, die Maeves hilariteit door de straten hoorde galmen. Wat erbarmelijk. Iemand was gek geworden in al die chaos.
Hij stond in de portiek van het gebouw van de vrijmetselarij. Hij stond daar om zichzelf (en de baby die hij in zijn armen had) buiten de stroom mensen en auto's te houden. Tien meter verderop had Larry de jongen van Lundy tegen de muur gezet om hem te ondervragen. Hij wilde weten waar de sodomieter Buddenbaum zich schuilhield, maar Seth wilde niets zeggen. Telkens wanneer Seth zijn hoofd schudde, gaf Larry hem een klap: soms zacht, soms erg hard. Waits en Alstead stonden een eindje verderop. Waits had ingebroken in Dan's Slijterij in Coleman Street. Hij had een paar flessen bourbon bemachtigd en stond nu heel tevreden over Larry's schouder mee te kijken naar het verhoor. Alstead zat op het trottoir. Hij had zijn overhemd omhoog getrokken en keek naar de schaafwonden die hij in zijn schermutseling met Lundy had opgelopen. Hij had Larry al verteld dat als het verhoor was afgelopen, hij het zou overnemen. Bosley gaf niet veel meer voor Lundy's leven.
Zachtjes begon hij te bidden. Niet alleen voor zijn eigen behoud, en dat van het kind, maar ook om de Heer uit te leggen dat dit alles niet zijn bedoeling was geweest. In de verste verte niet.
'Ik wilde alleen uw wil doen,' zei hij. Hij deed zijn best om het geluid van de klappen en Seths gekreun te negeren. 'Maar alles is zo in de war geraakt. Ik weet niet meer wat goed is, Heer...'
Ergens in de buurt ging een nieuw koor van kreten op waarin zijn smeekbeden verdronken. Hij sloot zijn ogen en deed zijn uiterste best om logisch te blijven denken, maar omdat hij zijn ogen dicht had, werd hij zich bewust van informatie die anderen kregen. Er hing een geur in de lucht, een geur als van de vuilnis achter zijn cafetaria ten tijde van een hittegolf, maar dan met iets zoets erdoorheen waardoor het des te smeriger stonk. En tegelijk met die stank was er een geluid, diep in zijn hoofd, alsof iemand een stemvork tegen zijn schedel aan het uitproberen was.
Hij hield het niet uit om nog langer te blijven waar hij was. Zonder de anderen te vertellen dat hij wegging, glipte hij uit de portiek weg en liep hij de straat door. Hij ging de eerste de beste hoek om en kwam zo in Clarke Street. Die was volkomen verlaten, en daar was hij blij om. Van hieruit kon hij naar zijn cafetaria terugkomen zonder dat hij door de grote straten hoefde te lopen. Als hij eenmaal thuis was, zou hij even uitrusten en dan een paar bezittingen achter in de wagen gooien en de stad uitrijden. De baby zou hij meenemen. Hij zou haar beschermen in naam van de Heer.
Toen hij de straat overstak, werd hij door een koude windvlaag getroffen. Onmiddellijk begon de baby te snikken.
'Rustig maar,' mompelde hij tegen haar. 'Wil je nu stil zijn?'
Er kwam opnieuw een windvlaag, harder en kouder dan de eerste. Hij drukte het kind dichter tegen zijn borst en terwijl hij dat deed, bewoog er iets in de duisternis aan de overkant van de straat. Bosley verroerde geen vin meer, maar hij was al gezien. Er kwam een stem uit de duisternis, zo koud als de wind die hem naar Bosley voerde.
'Je hebt haar gevonden...' zei de stem, en de spreker kwam uit de diepste schaduw, zodat Bosley hem kon zien. Hij was verbrand, totaal verbrand. Op sommige plaatsen zwart, op andere geelwit. Toen hij dichterbij kwam, dwarrelde er een tapijt van levend stof neer.
Bosley begon weer te bidden.
'Niet doen!' zei de verbrande man. 'Mijn moeder bad altijd. Ik kan dat geluid niet horen.' Hij spreidde zijn armen. 'Geef me mijn kleine meisje.'
Bosley schudde zijn hoofd. Dit was de laatste beproeving, dacht hij, de confrontatie waarop de incidenten met de feeks en de sodomieters hem hadden voorbereid. Nu zou hij ontdekken wat zijn geloof waard was.
'Je krijgt haar niet,' zei hij vastbesloten. 'Ze is niet van jou.'
'Ja, dat is ze wel,' zei de verbrande man. 'Ze heet Amy McGuire en 'Ik ben haar vader Tommy-Ray.'
Bosley ging een stap achteruit en maakte intussen zijn berekeningen. Hoe ver was het naar de hoek? Als hij nu schreeuwde, zou Glodoski hem dan boven Lundy's gekreun uit kunnen horen?
'Ik wil je geen kwaad doen,' zei Tommy-Ray McGuire. 'Ik wil niet nog meer sterfgevallen...' Hij schudde zijn hoofd terwijl hij dat zei, en er dwarrelden vlokjes materie van zijn korstige gezicht. '...Ik heb te veel gezien... te veel...'
'Ik kan haar niet aan je geven,' zei Bosley op zo redelijk mogelijke toon. 'Misschien wel als je haar moeder kunt vinden.'
'Haar moeder is dood,' zei Tommy-Ray met overslaande stem. 'Dood.'
'Wat triest.'
'De baby is nu alles wat ik heb. Ik ga een plaats zoeken waar ik en mijn kleine meisje in vrede kunnen leven.'
Mijn kleine meisje. God in de Hemel, dacht Bosley, verlos die arme man van zijn waanzin. Verlos hem van zijn lijden en geef hem rust.
'Geef haar aan mij,' zei het wezen, dat opnieuw dichterbij kwam.
'Ik ben bang... dat ik dat... niet kan doen...' zei Bosley, en hij trok zich naar de hoek terug. Daar aangekomen schreeuwde hij: 'Glodoski!
Alstead!' Hij rende de straat weer door, blij dat ze nog steeds bezig waren Lundy te kwellen.
'Waar was jij nou?' wilde Larry weten.
Bosley voelde een kille wind in zijn rug en keek over zijn schouder. McGuire kwam de hoek om. Het tapijt van stof dwarrelde nog om hem heen.
'Christus Allemachtig!' zei Larry.
'Blijf rennen!' schreeuwde Alstead. 'Het haalt je in!'
Bosley had geen aanmoediging nodig. Hij vluchtte naar de mannen toe. Het stof wervelde nu om zijn benen heen, alsof het hem wilde laten struikelen.
'Opzij!' riep Larry, en hij rende hem tegemoet. Bosley veranderde van richting en Glodoski schoot op McGuire, die meteen bleef staan. Maar het stof bleef komen en gooide Glodoski tegen de muur. Hij begon om hulp te snikken, maar hij kreeg er niet meer dan een paar woorden uit, want toen werd zijn smeekbede in zijn keel gesmoord. Een ogenblik later had het stof hem helemaal omhuld en werd zijn lichaam van de grond getild, nog steeds tegen de muur aan.
Alstead, die zijn aanval op Seth alleen met tegenzin had opgegeven, liet de jongen nu op de grond zakken en kwam Glodoski te hulp. Maar het stof had zijn werk gedaan. In hooguit tien seconden had het Larry's schedel kapotgeslagen tegen de muur. Nu wendde het zich tot Alstead. Hij begon terug te deinzen, bracht zijn handen in overgave omhoog, maar het stof ging hem als een dolle hond te lijf en zou hem vast en zeker ook hebben gedood als Bosley zich niet smekend tot Tommy-Ray had gewend.
'Niet meer sterfgevallen!' zei hij.
'Goed,' zei McGuire, en hij riep het stof terug naar zijn voeten. Alstead bleef snikkend op het trottoir achter, een paar meter van Waits vandaan, die flauwgevallen was in de goot en daar in comateuze staat was blijven liggen.
'Geef me het kind dan,' zei Tommy-Ray tegen Bosley. 'Dan ga ik weg.'
'Je zult haar niets doen?' zei Bosley.
'Nee.'
'Niet...' mompelde Seth, die zich overeind hees. 'In Godsnaam, Bosley...'
'Ik heb geen keus,' antwoordde Bosley, en hij hield Tommy-Ray het kind voor.
Seth stond nu rechtop en strompelde met een gesmoorde kreet op Bosley af. Maar zijn gehavende lichaam kon hem niet snel genoeg dragen. Tommy-Ray nam Amy uit Bosley's handen en drukte haar tegen zijn verbrande lichaam. Vervolgens floot hij de dodende wolk en die volgde hem door de straat.
Seth was nu ter hoogte van Bosley gekomen, snikkend van machteloosheid.
'Hoe... kon... je... dat... doen?'
'Dat zei ik toch: ik had geen keus.'
'Je had kunnen wegrennen.'
'Hij zou me hebben gevonden,' antwoordde Bosley. Hij staarde in de duisternis waarin Tommy-Ray al was verdwenen.
Seth verspilde geen tijd meer aan argumenten. Hij had nog maar weinig energie in zijn gehavende lichaam en het was een heel eind lopen om op het kruispunt terug te komen, het kruispunt waar alle reizen van die avond zouden eindigen.