5
I
Phoebe had verwacht dat haar aan het eind van haar tocht letterlijk een deur te wachten zou staan. Die zou waarschijnlijk veel mooier zijn dan alle deuren die ze ooit had gezien, en ze was niet zo naïef om een bel en een matje te verwachten, maar het zou wel een deur zijn. Ze zou ervoor staan, de knop omdraaien, en met een majestueuze zucht zou hij voor haar opengaan.
Wat had ze zich daarin vergist! De overgang van de ene naar de andere wereld was zoiets als ether bij de tandarts in de slechte oude tijd: haar geest die strijd leverde om aan het bewustzijn vast te houden, en die deze strijd verloor, verloor, verloor...
Ze herinnerde zich niet dat ze viel, maar toen ze haar ogen weer opendeed lag ze op haar buik op rotsen met een dun laagje sneeuw. Verkild tot op het bot richtte ze zich op. Er lagen bloeddruppels tussen de sneeuwvlokken en er vielen er nog meer van haar gezicht. Ze bracht haar hand omhoog en streek voorzichtig over haar mond en neus. Het was de neus die bloedde, maar omdat het nauwelijks pijn deed, nam ze aan dat hij niet gebroken was.
Ze zocht in de zak van haar jurk (die ze had gekozen omdat hij zo nietig was, in de verwachting dat Joe haar erin zou zien; een besluit waar ze nu spijt van had) naar een zakdoek en vond een samengepropt papieren zakdoekje dat ze tegen haar neus kon houden. Nu pas begon ze op haar omgeving te letten.
Rechts van haar was de barst waar ze doorheen was gekomen. Het daglicht aan de andere kant was helderder (en warmer) dan de purperen schemering waarin ze zich nu bevond. Links van haar, en gedeeltelijk gehuld in mist, lag de zee, waarvan de donkere golven bijna stroperig waren. En op het strand daartussen zaten talloze vogels die een vage gelijkenis met aalscholvers vertoonden. De grootste was zo'n zestig centimeter lang en hun lichamen waren gespikkeld en bijna wasachtig, terwijl hun koppen, sommige met een kraag van groene veren en andere helemaal kaal, erg klein waren. De dichtstbijzijnde zaten een meter of twee van haar vandaan, maar ze toonden geen enkele belangstelling voor haar. Klappertandend van de kou stond ze op en wierp een
blik in de richting vanwaar ze gekomen was. Moest ze naar haar eigen wereld teruggaan om geschikte kleren te halen? Zonder iets om zich te bedekken zou ze binnen erg korte tijd doodgaan van de kou.
Ze dacht er maar even over na. Toen zag ze een van de kinderen van de Zegenman aan de andere kant. Zo te zien keek het kind in haar richting en meteen kwam alles wat ze had meegemaakt om hier te komen weer in haar op. Beter de kou dan de kruisen, dacht ze, en voordat het kind iemand kon roepen die achter haar aan kon gaan, trok ze zich over het strand terug, in de richting van het water. De sluier van mist tussen haar en de deuropening werd dichter met iedere stap die ze zette, tot ze de opening niet meer kon zien en, zo hoopte ze, ook zelf niet meer te zien was.
Bij de waterkant was het nog kouder. Iedere brandinggolf joeg een verkillend schuim op. Maar daar stond iets tegenover. Rechts van haar zaten er openingen in de mist en daar zag ze lichtjes twinkelen, een eind verderop aan de kust. Ze zag daar ook de vage silhouetten van daken en torens. Goddank, dacht ze, beschaving. Ze begon er meteen naartoe te lopen, al zorgde ze, bang dat ze in de mist zou verdwalen, dat ze het water niet uit het oog verloor. Toen ze zo'n vijf minuten had gelopen, werd de mist al dunner en kort daarna was de lucht volkomen helder en had ze een onbelemmerd zicht op het landschap dat voor haar lag. Het was geen geruststellende aanblik. De lichten van de stad leken niet dichterbij dan toen ze ze voor het eerst had gezien, en de rest van het landschap - het strand, het rotsige terrein daarachter en de droomzee zelf - was troosteloos. Alleen de hemel bezat kleur, en die was een onrustig mengelmoesje van blauwe-plekkenblauw en ijzergrijs. Er waren geen sterren om haar bij te lichten, en er was ook geen maan, maar het dunne laagje sneeuw maakte dat alles in een spookachtig schijnsel leek te liggen, alsof de grond zich het beetje licht had toegeëigend dat de hemel had gehad. Wat levende wezens betrof, waren er de vogels, al waren dat er nu veel minder. Hier en daar zaten ze langs de kust, als een leger dat op de bevelen wachtte van een generaal die nog moest komen. Enkele hadden hun post verlaten en doken naar vis in de ondiepten. Dat was geen moeilijke taak. In de golven wemelde het van de kleine zilverige visjes, en ze zag een paar van de duikers met zoveel spartelende vis in hun snavel en slokdarm bovenkomen dat het leek of ze erin zouden stikken.
Deze aanblik herinnerde haar eraan dat ze honger had. Het was minstens zes uur geleden dat zij en Tesla een haastig ontbijt hadden gegeten voordat ze op pad gingen. Inmiddels zou ze zelfs op een dieetdag twee snacks en een lunch hebben genomen. In plaats daarvan had ze een berg beklommen, een kruisiging gezien en een andere wereld betreden. Dat was genoeg om ieders maag te laten knorren.
Een van de vogels waggelde haar voorbij, en toen hij zich in het water stortte om voedsel te zoeken, keek ze naar de plek op het strand waar hij had gezeten. Was dat een ei, daar tussen die stenen? Ze liep naar de plek en pakte het op. Het was inderdaad een ei, twee keer zo groot als een kippenei en met subtiele streepjes. Het was geen aanlokkelijk idee om het rauw op te eten, maar ze had zo'n honger dat ze zich daar niet druk om maakte. Ze sloeg het ei kapot en goot de inhoud in haar mond. Het smaakte scherper dan ze had verwacht, bijna vlezig, met de substantie van snot. Ze slikte het tot de laatste druppel door en begon al uit te kijken naar nog een ei, toen ze een heftig gekrijs hoorde. Ze draaide zich om en zag een woedende vogel over het strand op haar afstormen, de kop omlaag, de verenkraag hoog opgestoken.
Phoebe was niet van plan zich door hem op de kop te laten zitten.
'Ksst!' zei ze tegen de vogel. 'Toe dan, verdomme! Ksst!'
De vogel liet zich niet zomaar verjagen. Met een gekrijs dat een soortgelijk gekrijs verwekte bij alle andere vogels in de buurt, bleef hij op Phoebe afkomen en zijn snelle snavel trof haar op een van haar schenen. De wond deed stekend pijn. Ze gaf een schreeuw en sprong van de vogel vandaan om buiten zijn bereik te komen. Ze sprak hem nu nog veel minder vriendelijk toe.
'Rot op!' schreeuwde ze. 'Snertbeest!' Terwijl ze zich terugtrok, keek ze naar haar pijnlijke been, en op dat moment gleed haar hak over de besneeuwde stenen uit. Voor de tweede keer in een half uur kwam ze ten val en deze ene keer was ze blij dat ze goed gevulde billen had. Toch kwam ze door haar val in nog grotere moeilijkheden, niet alleen door de vogel waarvan ze het ei had gegeten, maar ook door een stuk of wat andere vogels, die haar val en de kreet van woede die daarmee gepaard ging als een duidelijke bedreiging hadden beschouwd. Met stijf rechtopstaande kuiven en kragen stootten ze hun schelle kreten uit, wel twintig of dertig vogels tegelijk.
Dit begon gevaarlijk te worden. Hoe belachelijk het ook leek: ze verkeerde in moeilijkheden. De vogels kwamen van alle kanten op haar af en waren in staat haar ernstig te verwonden. Om ze op een afstand te houden bleef ze schreeuwen en intussen probeerde ze overeind te krabbelen. Twee keer lukte haar dat bijna, maar telkens gleden haar voeten over de rotsen uit. De dichtstbijzijnde vogels konden haar nu pikken. Hun snavels staken in haar armen en schouders en rug.
Ze begon wild om zich heen te slaan en maakte er zelfs een paar onschadelijk, maar het waren er te veel. Vroeg of laat zou een van de snavels een slagader doorprikken, of een oog. Ze moest snel overeind zien te komen.
Ze hield haar armen voor haar gezicht en zag kans om op haar knieën te komen. De vogels hadden in hun schedel niet veel ruimte voor hersenen, maar ze voelden dat ze kwetsbaar was en verhevigden hun aanval. Terwijl ze verwoede pogingen deed om overeind te komen, pikten ze in haar rug en billen en benen.
Plotseling klonk er een schot. En nog een, en een derde schot, en toen sproeide er iets tegen Phoebes linkerarm. De toon van het vogelgekrijs veranderde van massahysterie in paniek en toen Phoebe haar armen van elkaar bracht, zag ze dat de vogels zich chaotisch terugtrokken, met achterlating van drie dode soortgenoten op de grond. Ze waren niet alleen dood, maar aan flarden geschoten. Een van hen miste zijn kop, een ander de helft van zijn borst en de derde lag nog naast haar te stuiptrekken, met een gat ter grootte van haar vuist in zijn buik.
Ze keek om zich heen naar de schutter.
'Hier,' zei een lichtelijk geamuseerde stem, en een eindje verder stond een man in een bontjas op het strand. Zijn muts was ook van een dierevacht gemaakt, met de snuit als klep. In zijn armen had hij een geweer. Het rookte nog.
'Jij hoort niet bij Zury,' merkte hij op.
'Nee,' bevestigde Phoebe.
De man schoof de klep van zijn muts naar achteren. Aan zijn gelaatstrekken te zien behoorde hij tot dezelfde stam als de hameraar. Zijn hoofd was breed en afgeplat, zijn onderlip stond bol en hij had heel kleine oogjes. Maar terwijl de kruisenmaker geen enkele versiering had gedragen, was het gezicht van dit wezen versierd van voorhoofd tot kin. Door zijn wangen waren misschien wel vijftig ringen gestoken waaraan kleine ornamentjes bungelden, en om zijn ogen had hij kringen van rode en gele verf, terwijl zijn haren in krulletjes waren gemodelleerd, zodat zijn platte voorhoofd wat minder grimmig leek.
'Waar kom je vandaan?' vroeg hij.
'Van de andere kant,' zei Phoebe. De juiste woorden wilden haar even niet te binnen schieten.
'Je bedoelt de Kosmos?'
'Ja.'
De man schudde zijn hoofd; zijn versieringen dansten op en neer. 'O...' zei hij. 'Ik hoop dat het de waarheid is.'
'Dacht je dat ik zulke dunne kleren zou dragen als ik hiervandaan kwam?' zei Phoebe.
'Nee, misschien niet,' antwoordde de man. 'Ik ben Hoppo Musnakaff. En jij?'
'Phoebe Cobb.'
Musnakaff had de knopen van zijn jas losgemaakt en schudde hem nu van zijn schouders. 'Aangenaam kennis te maken, Phoebe Cobb,' zei hij. 'Hier, trek deze aan.' Hij wierp Phoebe de jas toe. 'En laat me je naar Liverpool terugbrengen.'
'Liverpool?' Na alles wat ze had meegemaakt leek dat haar een nogal banale bestemming.
'Het is een schitterende stad,' zei Musnakaff, en hij wees naar de lichten aan de kust. 'Je zult het zien.'
Phoebe trok zijn jas aan. Die was warm en rook naar een zoet parfum met een zweem van sinaasappel. Ze stak haar handen in de diepe, met bont gevoerde zakken.
'Je krijgt het gauw genoeg warm. Ik zal die wonden onderweg verzorgen. Ik wil dat je er goed uitziet als je voor de meesteres verschijnt.'
'De meesteres?'
'Mijn... werkgeefster,' antwoordde hij. 'Ze heeft me hierheen gestuurd om te kijken wat Zury in zijn schild voert, maar ik denk dat ze liever heeft dat ik mijn spionagewerk opgeef en jou mee naar huis neem. Ze zal graag horen wat je haar te vertellen hebt.'
'Waarover?'
'Over de Kosmos natuurlijk,' antwoordde Musnakaff. 'Mag ik je nu een hand geven?'
'Graag.'
Hij kwam naar haar toe (het parfum in de jas kwam van hem, merkte ze: hij rook ernaar), gaf haar een arm en begeleidde haar over de glibberige rotsen.
'Dat is ons vervoermiddel,' zei hij. Een eindje van hen vandaan stond een veelkleurig paard. Het graasde op het ruwe gras, dat was opgeschoten tussen de platen van wat eens een goede verkeersweg moest zijn geweest.
'Koning Texas heeft die weg laten aanleggen, toen hij indruk wilde maken op de meesteres. Natuurlijk is de weg daarna in verval geraakt.'
'Wie is koning Texas?'
'Hij is de rots,' antwoordde Musnakaff. 'Hij is nu gek, sinds ze hem verlaten heeft. Hij hield zielsveel van haar, weet je; de rots kan dat.'
'Jij weet dat ik niets begrijp van waar jij het over hebt, hè?' zei Phoebe.
'Zullen we je eerst maar eens op het paard helpen?' zei Musnakaff. 'Ja, zo. Rechtervoet in de stijgbeugel. En erop! Goed! Goed!' Hij zwaaide de teugels over de kop van het paard om het te kunnen leiden. 'Zit je goed?' vroeg hij.
'Ik geloof van wel.'
'Pak haar manen vast. Toe dan, ze zal niet klagen.' Phoebe deed wat haar werd gezegd. 'Wel,' zei Musnakaff, terwijl hij met zachte drang het dier in beweging liet komen. 'Dan zal ik je nu vertellen over de meesteres en koning Texas, en dan zul je meer begrip hebben voor haar krankzinnigheden wanneer je haar ontmoet.'
2
Joe werd door paniekgeschreeuw wakker geschud uit zijn staat van verdoving. Hij tilde zijn hoofd van het fijne rode zand van het strand van Mem-é b'Kether Sabbat en keek om naar de zee die hem hierheen had gebracht. Twee- of driehonderd meter uit de kust lag het schip Fanacapan, boordevol passagiers. Ze zaten op het dak van het stuurhuis, ze klampten zich aan de mast en de ladders vast; eentje hing zelfs aan het anker. Maar hun gewicht en tumult bleek te veel te zijn voor het vaartuig. Joe zag dat de Fanacapan overhelde en een stuk of twintig passagiers in het water wierp, waar ze nog veel harder begonnen te schreeuwen.
Joe stond op en keek vol afgrijzen, maar tegelijk gefascineerd, naar de ramp. De mensen in het water deden nu verwoede pogingen om weer aan boord te klimmen en werden daarbij door sommigen geholpen en door anderen juist heftig tegengewerkt. Wat hun bedoelingen ook waren, het effect was hetzelfde. De Fanacapan sloeg helemaal om en binnen twee seconden waren de dekken, het stuurhuis en de ladders van hun menselijke lading ontdaan, en meteen daarop kraakte het hout en begon het schip verrassend snel te zinken.
Het was een erbarmelijk gezicht. Hoe klein het schip ook was, zijn afdaling in de droomzee bracht een groot tumult teweeg. Het water kolkte en schuimde. Het was of het de mensen vastgreep en met groot geweld omlaag trok. Ze gingen krijsend en vloekend omlaag, alsof ze naar hun dood gingen, al veronderstelde Joe dat ze niet konden verdrinken. Per slot van rekening was hij minutenlang met Phoebe onder water geweest zonder gebrek aan lucht te krijgen. Misschien zouden die paniekerige zielen dat nu ook ontdekken, maar hij vermoedde van niet. Aan de manier waarop het water zich om die spartelende zielen sloot, kon hij zien dat het gevoel had en dat het deze schipbreukelingen zo wreed zou behandelen als het hem goed had behandeld.
Hij keerde de zee zijn rug toe en tuurde over het strand. Dat was verre van verlaten. In beide richtingen stonden mensen zo ver als hij kon kijken, en dat was een heel eind. De sombere hemel had plaats gemaakt voor een stralende helderheid. De bron daarvan was niet een hemellichaam maar de voorwerpen zelf. Alles straalde zijn eigen licht uit, sommige dingen gestaag, andere dingen schitterend. Al met al was het een glorieuze aanblik.
Joe keek naar zijn lichaam, naar zijn bloederige kleren en zijn wonden, en zag dat zelfs hij hier licht uitstraalde, alsof alle poriën en vouwen en rimpels zich kenbaar wilden maken. Hij vond het een sensationeel gezicht. Hij was niet zonder wonderen naar een plaats van wonderen gekomen, maar bracht zijn eigen glorie mee.
Hij begon nu langs het strand te lopen, in de richting van de titanische bomen die erlangs stonden, zulke grote bomen dat hij niets van het eiland zelf kon zien. Dit was Mem-é b'Kether Sabbat, daar was hij zeker van. Onderweg had Noach hem de lof bezongen van de kleur van het zand op dat eiland. Er was geen strand zo rood, had hij gepocht, en geen eiland zo mooi. Afgezien daarvan wist Joe niet wat hij kon verwachten. De Ephemeris was niet één eiland, maar een hele archipel, dat wist hij, en al die eilanden hadden zich volgens de traditie gevormd uit fragmenten van de Kosmos. Sommige van die fragmenten lééfden: al die personages op het strand waren door de droomzee gevormd en gefantaseerd, met de gedachten van die mannen en vrouwen als inspiratie. Toch bestonden de meeste fragmenten uit dode materie, stukjes van het Heiter Incendo die door een barst waren gekomen. Na verloop van tijd, en onder invloed van Quiddity, waren dat de minder belangrijke eilanden van de archipel geworden. Hoewel het er duizenden waren, had Noach gezegd, waren de meeste onbewoond.
Nou, had Joe gevraagd, welke man of vrouw had het eiland gesticht dat Noach de hele tijd 'mijn land' noemde? Noach had geantwoord dat hij het niet wist, maar in de grote stad b'Kether Sabbat waren er die het wisten, en misschien kon Joe bij een van hen in de gunst komen en in dat mysterie worden ingewijd.
Dat was een zwakke hoop, zelfs toen al. Nu hoefde hij er niet eens aan te denken. De mensen op het strand waren blijkbaar vluchtelingen. Waarschijnlijk waren ze juist uit die stad afkomstig. Als b'Kether Sabbat nog bestond, zou het waarschijnlijk een verlaten stad zijn.
Toch wilde Joe erheen gaan. Hij was nu al zo ver gekomen en had al zo'n hoge prijs betaald. Hij zou het slap van zichzelf vinden als hij niet naar de stad ging kijken die volgens Noach het juweel van de Ephemeris was, het Rome, het New York, het Babyion van de eilandengroep. En zelfs als hij er niet kon komen, zelfs als er aan de andere kant van die bomen alleen maar braakliggende grond lag, was alles beter dan hier bij deze troosteloze mensen te blijven rondhangen.
Met die gedachten begon hij het strand op te lopen. De droom van
macht waarmee hij deze reis was begonnen, was verdwenen en in de plaats daarvan had hij nu het eenvoudige verlangen te zien wat er te zien viel en te weten wat er te weten viel, zolang hij daar nog toe in staat was.