9
I
'Jij dacht natuurlijk dat dit een rustig klein stadje was, hè?' zei Will Hamrick, en hij schoof het volgende glas cognac naar zijn sober geklede klant.
is het dat dan niet?' zei de man.
Hij zag ernaar uit dat hij geld had, vond Will. Hij had de vanzelfsprekende houding van mensen met dollars op zak. Hopelijk zou hij een paar van die dollars aan cognac besteden voordat hij verder ging.
'Er is hier in de stad vanmiddag nog bloed vergoten.'
'O ja?'
'Een van mijn stamgasten, Morton Cobb. Hij zit altijd aan die tafel bij de muur daar...' Will wees ernaar. 'Vanmiddag is hij met een vork in zijn hart naar het ziekenhuis gebracht.'
'Een vork?' zei de man, plukkend aan zijn perfect bijgehouden snor.
'Dat zei ik. Ik zei een vork, ja, een vork, zei ik. En het is niet eens een klein mannetje.'
'Hmm,' zei de man, en hij schoof het glas terug naar Will.
'Nog eentje?'
'Waarom niet? We moeten het vieren.'
'Wat vieren we?'
'Dat bloedvergieten,' antwoordde de man. Will vond dat nogal smakeloos en dat was blijkbaar aan zijn gezicht te zien, want de drinker zei: 'Neemt u me niet kwalijk. Ik heb het verkeerd begrepen. Is die Cobb een vriend van u?'
'Niet bepaald.'
'Dus die moordaanslag, door zijn vrouw, of haar minnaar, haar zwarte minnaar...'
'U hebt ervan gehoord.'
'Natuurlijk heb ik ervan gehoord. Die bloederige schanddaad is echt iets om... om van te genieten, nietwaar?' Hij nam een slokje cognac. 'Of niet?'
Will gaf geen antwoord. Eerlijk gezegd maakte de man hem een beetje bang.
'Heb ik u beledigd?' vroeg de man aan Will.
'Nee.'
'U bent toch een professionele barkeeper?'
'Ik ben de eigenaar van deze zaak,' zei Will.
'Des te beter. Weet u, een man als u neemt een invloedrijke positie in. De mensen komen hier samen, en als ze samenkomen, wat doen ze dan?'
Will haalde zijn schouders op. 'Ze vertellen verhalen,' zei de man.
'Ik begrijp echt niet...'
'Alstublieft, meneer...'
'Hamrick.'
'Meneer Hamrick, ik ben over de hele wereld in bars geweest. Shanghai, Sint Petersburg, Constantinopel, in alle grote bars, de bars die legenden zijn geworden, en ze hebben allemaal één ding met elkaar gemeen, en dat is niet de perfecte wodka-martini. Het is een type als u. Een zaaier.'
'Een wat?'
iemand die zaden uitwerpt.'
'U begrijpt me verkeerd, meneer,' zei Will met een grijnslachje. 'U moet Doug Kenny van de Boerenbond hebben.'
De cognacdrinker lachte niet. ik voor mij,' zei hij, 'hoop dat Morton Cobb sterft. Dat maakt het een veel beter verhaal.' Will perste zijn lippen op elkaar. 'Vooruit, geef het maar toe,' zei de man, die zich naar voren boog, 'als Morton Cobb aan een vorkwond in zijn borst overlijdt, hebt u toch een veel beter verhaal te vertellen?'
'Nou...' zei Will, '... misschien wel.'
'Ziet u wel? Zo moeilijk was het toch niet?' De man dronk zijn glas leeg. 'Hoeveel krijgt u van me?'
'Negen dollar.'
De man haalde een portefeuille van alligatorleer te voorschijn en nam daar niet één maar twee fonkelnieuwe briefjes van tien uit. Hij legde ze op de tapkast. 'Laat de rest maar zitten,' zei hij. 'Misschien kom ik nog eens terug om te horen of u nog wat sappige details over de zaak-Cobb hebt. De diepte van de wond, de grootte van het liefdesapparaat van de minnaar, dat soort dingen.' De cognacdrinker grijnsde. 'En vertel me nou niet dat u daar geen moment aan hebt gedacht. Als er één ding is dat een goede zaaier weet, dan is het dat alle details belangrijk zijn. Vooral de details waarvan niemand wil toegeven dat ze hem interesseren. Als u ze schandalige dingen vertelt, vinden ze u een geweldige kerel.' Nu lachte hij, en zijn lach was even melodieus als zijn stem. ik spreek,' zei hij, 'als iemand die erg geliefd is geweest...'
En na die woorden verliet hij de bar. Will staarde naar de twintig dollar en wist niet of hij de man dankbaar moest zijn of dat hij de bankbiljetten in de dichtstbijzijnde asbak moest verbranden.
2
Phoebe keek naar het gezicht op het kussen en dacht: Morton beeft meer haren dan een varken. Haren uit zijn neus, haren uit zijn oren, haren die uit zijn wenkbrauwen naar voren sprongen, en onder zijn kin vandaan, waar hij niet met zijn scheermes was geweest.
Hield ik van hem voordat hij die haren had? vroeg ze zich af. En toen: heb ik ooit van hem gehouden?
Haar overpeinzingen waren opmerkelijk nuchter, en dat schreef ze toe aan de kalmerende middelen die haar enkele uren geleden waren toegediend. Zonder die middelen had ze de vernederingen en ondervragingen waarschijnlijk nooit kunnen doorstaan. Haar lichaam was onderzocht (haar borsten hadden bloeduitstortingen en haar gezicht was opgezwollen, maar er was geen ernstig letsel). Ze was door Jed Gilholly, de politiecommissaris van Everville, ondervraagd over haar verhouding met Joe (wie hij was; waarom ze het had gedaan). Ze was van het ziekenhuis in Silverton naar Joe's woning teruggebracht en had daar nog eens precies moeten vertellen wat er gebeurd was. En toen ze alles had verteld wat ze wist, was ze naar het ziekenhuis teruggebracht, waar ze nu aan Mortons bed over het mysterie van zijn haren zat te mijmeren.
Hoewel de dokter had gezegd dat zijn conditie stabiel was, kende ze de zonden van de patiënt maar al te goed. Hij rookte, hij dronk, hij at te veel rood vlees en te veel gebakken eieren. Zijn lichaam was wel fors maar niet sterk. Als hij de griep kreeg - en dat gebeurde bijna iedere winter - was hij wekenlang ziek. Maar hij moest in leven blijven. Ze haatte hem tot in ieder haartje dat uit zijn oren kwam, maar hij moest in leven blijven.
Jed Gilholly kwam kort voor vijf uur en vroeg haar even de gang op te komen. Hij en zijn gezin (twee meisjes van een jaar of dertien) waren patiënt bij dokter Powell, en hoewel zijn vrouw en kinderen tamelijk gezond waren, had Jed een slechte spijsvertering en ook, als ze het zich goed herinnerde, problemen met zijn prostaat. Het feit dat ze die dingen wist, maakte dat ze niet zo bang voor hem was.
'Ik heb nieuws,' zei hij tegen haar. 'Over je... eh... vriend.'
Ze hebben hem te pakken gekregen, dacht ze.
'Het is een misdadiger, Phoebe.'
Nee, misschien hadden ze hem nog niet.
'Hij was vier of vijf jaar geleden betrokken bij een geweldsdelict in Kentucky. Voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Als je weet waar hij is...'
Ze hadden hem nog niet. Goddank.
'... dan kun je dat beter meteen vertellen, want het ziet er allemaal niet best voor hem uit.'
'Ik heb je al gezegd,' zei ze, 'dat Morton begonnen was.'
'En Morton is ook degene die hier ligt,' antwoordde Jed. 'Hij had wel dood kunnen zijn, Phoebe.'
'Het was een ongeluk. Ik was degene die de vork in hem stak, niet Joe. Als je iemand gaat arresteren, moet je mij hebben.'
'Ik heb gezien wat hij je heeft aangedaan...' zei Jed, een beetje in verlegenheid gebracht, '... hij heeft je flink te pakken gehad. Ik denk dat we hier te maken hebben met mishandeling èn...' Hij keek Phoebe recht in de ogen. 'En met een man die al eerder met de rechter in aanraking is geweest en die misschien een gevaar voor de samenleving vormt.'
'Dat is belachelijk.'
ik maak hier uit wat belachelijk is en wat niet,' zei Jed. 'Nu zal ik het je nog eens vragen: weet jij waar Flicker is?'
'En ik zeg je nogmaals: nee, dat weet ik niet.'
Jed knikte. Zijn echte gevoelens waren niet van zijn gezicht af te lezen. ik zal je iets zeggen, Phoebe, dat ik je misschien niet zou vertellen als ik je niet kende.' 'Ja?'
'Het is heel eenvoudig. Ik weet niet wat er tussen jou en die Flicker is voorgevallen. Ik weet wel dat Morton niet de meest sympathieke medemens is. Als je ziet hoe hij je vanmiddag heeft mishandeld...' Hij schudde zijn hoofd. 'Dat is op zichzelf al een misdrijf. Maar ik moet ervan uitgaan dat je vriend gevaarlijk is, en als ik moet kiezen tussen zijn veiligheid en de veiligheid van mijn agenten...'
'Hij doet niemand kwaad.'
'Dat bedoel ik nou juist, Phoebe. Daar krijgt hij de kans niet voor.'
Zonder auto had Joe een beperkt aantal mogelijkheden. Hij kon een auto stelen en naar een afgelegen plek rijden om Phoebe op te halen zodra het donker was geworden. Hij kon zich ergens in de stad verbergen en daar zijn tijd afwachten. Of hij kon de bergen ingaan.
Hij koos voor het laatste. Als hij een auto stal, zou dat zijn lijst van misdrijven alleen maar langer maken, en de stad was te klein en te blank om er ongemerkt in te kunnen opgaan. Hij zou de bergen ingaan, besloot hij, in elk geval ver genoeg om niet van achtervolgers te duchten te hebben.
Hij had bijna niets uit de woning meegenomen: wat eten, een jas voor later en wat in zijn geval misschien wel het belangrijkst was: een verbanddoos. Voordat hij ontsnapte, had hij alleen tijd gehad voor een
vluchtig onderzoek (net genoeg om te constateren dat hij niet zou doodbloeden), maar de pijn was bijna niet uit te houden en hij was nog maar amper bij de kreek of hij moest al stoppen. Hij ging naar de waterkant en waste daar, uit het zicht van iedereen behalve de vissen, zijn gekneusde en bebloede kruis zo voorzichtig mogelijk. Het was een langzame, pijnlijke bezigheid. Toen het ijskoude water over zijn gehavende huid stroomde, kon hij zijn kreten nauwelijks onderdrukken, en af en toe moest hij er helemaal mee ophouden omdat de pijn zo hevig werd dat hij het bewustzijn dreigde te verliezen. Ten slotte nam hij tegen beter weten in twee pijnstillers die hij in zijn verbanddoos had, de laatste twee van tien Percodan-tabletten die hem waren voorgeschreven tegen rugpijn. Het was sterk spul en het bracht hem in een aangename staat van verdoving die op dit moment eigenlijk niet in zijn voordeel was. Maar zonder die pijnstillers zou hij waarschijnlijk niet verder komen dan de kreek.
Hij zat een tijdje op de oever te wachten tot de tabletten begonnen te werken, met zijn broek en bloederige ondergoed om zijn enkels. De hitte was minder geworden, maar de zon wist nog tussen de varens door te dringen en een schittering op het stromende water te leggen. Hij keek daarnaar terwijl de pijn afnam. Als de dood ook zo was, dacht hij - pijn die wegtrok, loomheid die langzaam opkwam - viel die vast wel mee.
Na enkele minuten, toen zijn gedachten waziger waren geworden en zijn vingers stunteliger, ging hij verder met het wassen van zijn wonden. Zijn ballen waren in het afgelopen halfuur opgezwollen tot tweemaal hun normale grootte en zijn zak was op sommige plaatsen donkerpaars en op andere plaatsen rauw rood. Voorzichtig betastte hij zijn testikels, rolde ze tussen zijn vingers. Ondanks het waas van Percodan deden ze nog pijn, maar voor zover hij kon voelen, was er niets kapot. Ooit zou hij misschien nog kinderen kunnen krijgen. Wat zijn pik betrof: die was op drie plaatsen lelijk gescheurd omdat Morton er zijn hak op had gezet. Toen Joe de wonden met water uit de kreek had schoongemaakt, smeerde hij er antiseptische crème op.
Tijdens die delicate procedure kwam er een golf van misselijkheid in hem op, nog niet eens door de aanblik van de verwondingen maar door de herinnering aan de manier waarop hij ze had opgelopen. Hij kon niets anders doen dan zijn werk onderbreken en weer naar de zon op het water kijken tot de misselijkheid voorbij was. Intussen dwaalden zijn gedachten af. Na negenentwintig jaar op deze planeet (volgende maand dertig) had hij niets meer bereikt dan de erbarmelijke staat waarin hij nu verkeerde. Daar zou, als hij nog eens dertig jaar erbij wilde hebben, verandering in moeten komen. Zijn lichaam had al genoeg te
verduren gehad voor een mensenleven. Voortaan zou hij zijn koers zorgvuldig uitzetten. Hij zou zich niet meer door de omstandigheden laten leiden. Hij zou het verleden achter zich laten, niet door het te ontkennen maar door het toe te staan een deel van hem te zijn, met alle ellende erbij. Hij mocht toch ook wel van geluk spreken? De liefde had hem gevonden in de persoon van een vrouw die deze middag voor hem gestorven zou zijn. De meeste mensen maakten dat in hun hele leven niet mee. Die hadden een compromis gesloten waar het de liefde betrof en hadden een partner die beter dan niets maar minder dan alles was. Phoebe was zoveel meer dan dat.
Ze was niet de eerste vrouw die had gezegd dat ze van hem hield en ook niet de eerste die hij antwoord had gegeven in dezelfde bewoordingen. Maar ze was wel de eerste die hij beslist niet wilde verliezen, de eerste zonder wie zijn leven leeg zou zijn, de eerste van wie hij nog zou houden als hij eraan gewend was dat ze haar benen voor hem spreidde.
Een steek van pijn in zijn kruis herinnerde hem weer aan de staat waarin hij nu verkeerde, en hij keek omlaag en zag dat alles nog niet verloren was. Bij de gedachte aan Phoebes benen die zich spreidden, had zijn pik zich tot een respectabele erectie verheven en hij moest een hele tijd vliegen tellen voordat daar een eind aan was gekomen. Toen hij klaar was met het aanbrengen van de crème en zich zo goed en zo kwaad als het ging had verbonden, was het tijd om verder te gaan. Hij moest in beweging komen voordat de zoekacties zich tot de kreek hadden uitgebreid en voordat de pijnstillers waren uitgewerkt.
Hij hees zijn broek op, zorgde dat hij niets achterliet en liep een eindje langs de oever, tot hij een plek had gevonden waar de kreek zo smal was dat hij er met een strompelend sprongetje overheen kon komen. Vervolgens klauterde hij tegen de andere oever op en verdween tussen de bomen op de helling.
Om zes uur zeventien, toen Phoebe een beker koffie uit de automaat haalde, deed Morton zijn ogen open. Toen ze de kamer inkwam, was hij de zuster een onsamenhangend verhaal aan het vertellen over een boot waar hij uit was gevallen.
ik was bijna verzopen...' zei hij de hele tijd, en hij greep de lakens vast alsof het reddingsboeien waren. 'Bijna. Bijna verzopen.'
'Nee, meneer Cobb. U bent in een ziekenhuis...'
'Ziekenhuis?' Hij bracht zijn hoofd een eindje van het kussen omhoog, al deed de verpleegster haar best hem tegen te houden, ik dreef...'
'Je droomde, Morton,' zei Phoebe, en ze stapte zijn gezichtsveld binnen.
Zodra hij haar zag, herinnerde hij zich weer hoe hij in het ziekenhuis terecht was gekomen. 'O Christus,' zei hij met zijn tanden op elkaar geklemd. 'Christus in de Hemel,' en hij liet zich weer in het kussen zakken. 'Kreng,' mompelde hij nu. 'Jij gluiperig kreng.'
'Rustig, meneer Cobb,' zei de zuster, maar in zijn woede kwam Morton opeens recht overeind. Hij trok daarbij aan de infuusslang die in zijn arm zat.
'Ik wist het!' schreeuwde hij, en hij prikte met zijn vinger in Phoebes richting.
'Doe wat de zuster zegt, Morton.'
'Alstublieft, helpt u me even, mevrouw Cobb,' zei de belaagde vrouw.
Phoebe zette haar koffie neer en ging haar helpen, maar toen zijn vrouw nog dichterbij kwam, was Morton helemaal niet meer te houden.
'Blijf verdomme van me af! Blijf...'
Hij zweeg abrupt en bracht een geluidje voort, een soort hik. Toen was alle venijn op slag uit hem weggetrokken. Zijn armen zakten langs zijn zij, zijn verwrongen gezicht verslapte helemaal en de zuster, die het gewicht van zijn bovenlichaam niet meer kon dragen, kon niets anders doen dan hem weer in het kussen te laten zakken. Daarmee was het nog niet afgelopen. Terwijl de zuster naar de deur rende om hulp te halen, begon Morton diep en moeizaam adem te halen. Iedere ademtocht klonk wanhopiger dan de vorige.
Ze kon hem niet zien lijden zonder te proberen hem te kalmeren.
'Het is goed,' zei ze. Ze ging naar het bed terug en legde haar hand op zijn koude voorhoofd. 'Morton, luister. Het is goed.'
Zijn ogen gingen heen en weer achter hun leden. Zijn ademhaling maakte nu een afschuwelijk geluid.
'Hou vol, Morton...' zei ze, toen hij het steeds moeilijker kreeg. 'Anders maak je iets kapot.'
Als hij haar al hoorde, hij luisterde niet. Maar wanneer had hij ooit geluisterd? Hij bleef naar adem happen tot zijn lichaam geen kracht meer had. Toen hield hij gewoon op.
'Morton,' mompelde ze tegen hem. 'Heb niet het hart...'
Er stonden nu weer verpleegsters aan het bed, en een dokter die opgewonden bevelen gaf, maar daarvan drong niets tot Phoebe door. Ze keek strak naar Mortons gekwelde gezicht. Er zaten vlekjes spuug op zijn kin en zijn ogen waren nog wijd open. Hij keek zoals hij naar de badkamerdeur had gekeken: woedend, woedend zelfs nu de zee waarvan hij had gedroomd zich boven zijn hoofd sloot.
Een van de zusters pakte haar hand vast en leidde haar met zachte drang van het bed vandaan.
'Ik denk dat zijn hart het heeft begeven,' mompelde ze troostend. Maar Phoebe wist wel beter. Die verrekte idioot was verzopen.
Aan het eind van de dag was er altijd een moment waarop de donkerblauwe schemering over de stad neerdaalde, maar de zon nog op Harmons Hoogten schitterde. Everville leek dan net een spookstad in de schaduw van een levende berg. Wat een minuut geleden nog volkomen duidelijk was geweest, had nu een etherisch karakter gekregen. Mensen die de glimlach van hun buren aan de overkant van de straat konden zien, konden dat nu niet meer; kinderen die zeker hadden geweten dat er niets achter de schutting dribbelde, of tussen de vuilnisbakken door kronkelde, waren daar opeens niet meer van overtuigd.
In die onzekere tijd voordat de zon de Hoogten geheel en al verliet en de straatlantaarns en verandalichten van Everville hun gezag lieten gelden, baadde de stad in twijfel en kregen schemerige zielen in schemerige straten het gevoel dat het leven niet meer dan een kaarsvlam was, een vlam die bij de eerste de beste windvlaag uit kon waaien.
Het was Seth Lundy's favoriete moment van de dag. Beter nog dan middernacht, of dan die tijd vlak voor het ochtendgloren als de maan was weggezakt en de zon niet meer dan een grauw schijnsel in het oosten was. Dit moment was beter dan al die andere momenten.
Hij stond op het plein en keek naar het laatste beetje licht op de bergtop en luisterde of hij het hameren hoorde, dat op dit moment vaak erg luid klonk. Plotseling kwam een man van wie hij meteen wist dat hij hem beter zou leren kennen, in de schemering naar hem toe en zei:
'Wat kun je horen?'
Die vraag was hem tot dan toe alleen maar door artsen gesteld. Dit was geen arts.
ik kan engelen vanaf de kant van de hemel op de lucht horen hameren,' antwoordde hij. Hij zag geen enkele reden om te liegen.
'Mijn naam is Owen Buddenbaum,' zei de man, en hij kwam nu zo dichtbij dat Seth de cognac kon ruiken. 'Mag ik jouw naam ook weten?'
'Seth Lundy.'
Owen Buddenbaum kwam nog een beetje dichterbij. En midden in deze stad, in twijfel tussen licht en duisternis, kuste hij Seth op de lippen. Seth was nooit eerder door een man op de lippen gekust, maar hij wist dat het goed was, wist dat in zijn hart, zijn ziel en zijn kruis.
'Zullen we samen naar het hameren luisteren?' zei Owen Buddenbaum, 'of zullen we zelf iets doen?' 'Zelf,' antwoordde Seth.
'Goed,' zei Owen Buddenbaum. 'Dan doen we dat.'