3

I

Sinds de oprichting in 1972 had het Historisch Genootschap van Ever­ville als bewaarplaats gefungeerd voor allerlei voorwerpen die met het verleden van de stad te maken hadden. Een van de eerste en waarde­volste legaten was afkomstig geweest van Hubert Nordhoff, van wiens familie de fabriek was geweest die nu verlaten aan de weg naar Molina stond, ruim een kilometer buiten de stad. Van 1880 tot 1915 had de fabriek aan de beroepsbevolking van Everville veel werkgelegenheid en aan de Nordhoffs een aanzienlijk fortuin verschaft. Ze hadden een vil­la in Salem laten bouwen, en ook een in Oregon City, alvorens zich uit de deken- en stoffenfabricage terug te trekken en hun geld in bos- bouwondernemingen, onroerend goed (voornamelijk in Portland) en zelfs, zo gingen de geruchten, de wapenindustrie te investeren. Hubert Nordhoffs legaat, dat uit ongeveer duizend foto's van het leven in de fabriek en een aantal andere memorabilia bestond, werd alom gezien als een late daad van berouw. Waarschijnlijk had het hem dwarsgeze­ten dat zijn voorvader het stadje in de steek had gelaten. De jaren die op de sluiting van de fabriek volgden waren in economisch opzicht Ever­villes duistere tijd geweest.

Het Nordhoff-legaat had een kleine lawine van bijdragen ontketend. Zeventien aquarellen van plaatselijke taferelen, aardig maar nogal on­geïnspireerd geschilderd door de vrouw van Evervilles eerste tandarts, waren ingelijst en hingen nu aan de muren van het schoolgebouw, dat overigens op kosten van Hubert Nordhoff was opgeknapt. In de kamer die eens aan het schoolhoofd had toebehoord, stond een vitrinekast met wandelstokken die als knop de kop van een fantasiedier hadden, ge­sneden door een van de grootste excentriekelingen van de stad, Milius Biggs.

Toch viel het aantal esthetische bijdragen in het niet bij de meer al­ledaagse schenkingen van gewone inwoners van Everville. Schoolrap­porten, huwelijksaankondigingen, overlijdensberichten, familiealbums, een verzameling knipsels uit The Oregonian waarin iets over Everville werd gezegd (samengesteld door de bibliothecaris Stanley Tharp, die eenenzestig jaar lang traumatisch had gestotterd maar op zijn doods­bed Paradise Lost van Milton had opgezegd zonder één keer te haperen) en natuurlijk honderden brieven van familieleden aan elkaar.

Het organiseren van al dat materiaal was een proces dat erg lang­zaam verliep, want alle medewerkers van het Genootschap waren vrij­willigers. Twee van de vijf vroegere klaslokalen stonden nog vol met stapels dozen en ongesorteerde schenkingen, maar bezoekers die in Ever­villes verleden geïnteresseerd waren, troffen in de overige drie lokalen een interessant, zij het enigszins overdreven netjes ingedeeld, overzicht van het verleden aan.

Het was allemaal nogal selectief, maar dat kan ook van de meeste ge­schiedenislessen worden gezegd. Er was in deze bejubeling van Evervil­les verleden geen plaats voor de duistere facetten van het leven in deze stad, geen plaats voor beelden van armoede, zelfmoord, of erger. En er was ook geen plaats voor ieder individu dat niet in de officiële versie van Evervilles geschiedenis paste. Er waren afbeeldingen van de stad in haar begintijd, en gegevens over de wegen die waren aangelegd en de mooie huizen die waren gebouwd. Maar over Maeve O'Connell, die zich in een andere wereld had gewaagd en was teruggekomen om haar vaders droom in vervulling te laten gaan, was niets te vinden. En in die onterving lag de kiem van Evervilles ondergang.

2

Phoebe kwam een beetje te laat bij Erwin, maar hij was een en al be­leefdheid. Het speet hem dat hij haar tot last was, zei hij, maar het was echt een heel dringende aangelegenheid. Nee, hij kon haar werkelijk niet vertellen waar het om ging, maar het zou binnenkort in de openbaar­heid komen en dan zou hij haar vast en zeker publiekelijk bedanken voor haar hulp. Dat was niet nodig, zei ze, maar ze zou hem erg dank­baar zijn als ze na het weekend een juridische zaak met hem mocht ko­men bespreken. Hij was daar graag toe bereid. Was ze van plan een tes­tament te maken?

Nee, zei ze. Ik ben van plan om een echtscheiding aan te vragen. Hij antwoordde dat echtscheiding niet echt zijn specialisme was maar dat hij haar er wel iets over wilde vertellen. In vertrouwen, zei ze. Natuur­lijk, zei hij. Ze kon op maandagmorgen naar zijn kantoor komen.

In het schoolgebouw was het bloedheet, al liep het al tegen zessen, en terwijl Phoebe rondging om de luxaflex open te trekken en de ramen open te zetten, liep Erwin van het ene smoorhete lokaal naar het ande­re en bekeek de schilderijen.

'Kunt u me vertellen wat u zoekt?' vroeg Phoebe hem. ik bedoel, zo ongeveer.'

'Oude nummers van de Tribune, onder andere,' zei Erwin. 'Op de re­dactie hebben ze blijkbaar geen ruimte om ze allemaal te bewaren en daarom liggen ze hier.'

'En wat nog meer?'

'Nou, ik ken de collectie niet. Is alles chronologisch opgeborgen?'

'Dat weet ik eigenlijk niet. Ik geloof van wel.' Ze leidde Erwin naar het achterste lokaal, waar zes tafels met stapels dossiermappen stonden, ik kwam vroeger helpen met sorteren,' zei ze. 'Maar het laatste jaar heb ik het zo druk gehad...' Ze bladerde in een van de dossiers. 'Deze hebben allemaal het opschrift 1940-45...' Ze ging naar de volgende sta­pel. 'En hier staat vijfenveertig tot vijftig op.'

'Dus het is ingedeeld in perioden van vijf jaar.'

'Ja.'

'Nou, dat is een begin. En de kranten?'

Phoebe wees naar een deur. 'Die zijn in orde, weet ik, want ik heb ze zelf uitgezocht.'

'Geweldig. Dan zal ik maar eens beginnen.'

'Wilt u dat ik blijf wachten tot u klaar bent?'

'Dat hangt ervan af hoeveel geduld u denkt te hebben.'

'Niet veel,' zei ze met een lachje. 'Misschien kan ik beter mijn tele­foonnummer even noteren. Als u klaar bent...'

'Dan bel ik u en kunt u komen afsluiten.'

'Precies.'

'Afgesproken.' Ze ging naar het bureau in het voorste lokaal, schreef haar nummer op een van de brochures van het Genootschap en bracht het naar hem terug. Hij was al bezig de inhoud van een van de dos­siermappen te plunderen.

'U legt alles toch wel terug?' zei Phoebe zo streng mogelijk.

'O, ja. Ik zal erg voorzichtig zijn,' antwoordde Erwin. Hij nam de brochure van haar aan. ik bel u als ik klaar ben,' zei hij. 'Ik hoop dat het niet te laat wordt.'

Toen ze in de auto stapte, dacht ze: wat zou er gebeuren als ik nooit meer naar huis ging? Als ik nu gewoon naar Joe's huis reed en daar bleef? Het was een verleidelijk idee om niet naar huis terug te gaan en niet te hoeven koken en niet naar het gezeur van Morton te hoeven luis­teren, maar ze deed het niet. Wilde haar toekomst met Joe een kans ma­ken, dan moest ze alles heel goed voorbereiden: zorgvuldig, systema­tisch. Ze waren geen tieners die er in een opwelling van liefde vandoor gingen. Als ze voorgoed uit Everville weggingen (en ze kon zich niet voorstellen dat ze daar bleven, als de mensen het eenmaal wisten), moes­ten ze verantwoordelijkheden overdragen en afscheid nemen. Ze zou het niet erg vinden om het huis of Morton of de stinkende asbakken die

hij altijd achterliet voorgoed de rug toe te keren, maar ze zou dokter Powell wel missen, en ook een aantal vaste patiënten. Ze zou de tijd moeten nemen om het uit te leggen aan de mensen om wie ze het meest gaf, opdat ze wisten dat ze uit liefde ging, en niet omdat ze wispelturig of gevoelloos was.

Daarom zou ze blijven en haar laatste festival in Everville meemaken. Nu ze daaraan dacht, kreeg ze er opeens meer zin in dan ze in jaren had gehad. Dit weekend zou ze genieten, juist omdat ze wist dat ze volgend jaar augustus in een ander deel van de wereld zou zijn.

Een hongergevoel bezorgde Morton altijd een slecht humeur. Opdat hij niet hoefde te wachten tot ze zelf iets had klaargemaakt, ging ze naar Kitty's Diner om een hamburger en frites op te halen. Kitty Cowhick was nu drie jaar dood en ondanks de slechte economische tijden had haar schoonzoon Bosley van haar groezelige snackbar een bloeiende zaak gemaakt. Hij behoorde tot een orthodox kerkgenootschap en ex­ploiteerde zijn eetgelegenheid volgens strikt morele principes. Zo ver­bood hij zijn gasten te lezen onder het eten, omdat hij dat onfatsoen­lijk vond, en als er ook maar een enigszins onwelvoeglijk woord viel, eiste hij meteen dat de schuldige het etablissement verliet. Ze had hem dat wel eens zien doen. Ik wil dat dit een snackbar is waar de Heer zelf zou kunnen komen, had hij haar eens verteld, als Hij een hamburger zou willen.

Na Mortons hamburger te hebben gekocht, ging ze naar haar huis en trof dat verlaten aan. Morton was thuis geweest, want zijn werkjasje lag op de keukentafel, naast een paar lege bierblikjes, maar hij had blijk­baar niet langer willen wachten en was ergens heen gegaan om te eten. Ze was daar blij om: het gaf haar wat extra tijd om na te denken.

Ze ging aan de keukentafel zitten en at wat van de vettige frites. In­tussen gebruikte ze de blocnote voor boodschappenlijstjes om de din­gen te noteren die ze mee zou nemen als ze wegging. Het was niet veel, alleen een paar spulletjes die sentimentele waarde voor haar hadden: een stoel die ze van haar moeder had geërfd, een borduurwerkje dat haar grootmoeder had gemaakt, de sprei in de logeerkamer.

Denkend aan die sprei, vergat ze haar lijstje en dacht weer aan de ge­beurtenissen van die middag. Of beter gezegd, aan de gebeurtenissen in die kamer. Het zou niet altijd zo geweldig zijn, besefte ze wel: in de loop der jaren zou hun hartstocht vast en zeker minder worden. Maar als dat gebeurde, zou er nog heel veel gevoel overblijven. En ze zou herin­neringen bewaren aan gebeurtenissen als deze middag, en die zou ze zich zo weer voor de geest kunnen halen als ze haar gezicht tegen de sprei drukte.

                                                           3

Kort na halfnegen, toen Erwins maag begon te knorren van de honger, leverde zijn gezoek in de abominabel slecht geordende dossiers een merk­waardig klein pamflet op, geschreven door een zekere Raymond Merkle. Hij kende die naam vaag. De man had een zekere reputatie opge­bouwd als kroniekschrijver van het landelijke Oregon. Erwin had soortgelijke boekjes gezien in de boekwinkel van Wilsonville. De tekst was een curieus samenraapsel van feiten over Everville, geschreven in de moeizame stijl van een man die aspiraties had om schrijver te wor­den maar bitter weinig naar anderen had geluisterd.

Het had de titel Deze dromende heuvels, wat een citaat bleek te zijn uit een stukje rijmelarij (zonder de naam van de dichter, dus Erwin nam aan dat het Merkle zelf was) dat voorin stond afgedrukt. En daar, hal­verwege dit staaltje van liefdewerk, stuitte Erwin op het volgende:

Het hoeft diegenen onder ons die iets meer van de wereld hebben ge­zien niet te verbazen dat de krachten van een snood en godvergeten kwaad hun barbaarse stempel drukken op een stad zo goed bedeeld als Everville. Ik, uw schrijver, waagde me in het drieënveertigste jaar van deze eeuw tot ver buiten het vruchtbare land van onze glorieuze staat om in de Stille Zuidzee mijn plichten als Amerikaan te vervullen, en zal de wreedheden en vernederingen die ik daar heb aanschouwd tot in mijn graf met me mededragen, schanddaden verricht in een omgeving zo pa­radijselijk als deze aardbol maar te bieden heeft.

Tijdens het werken aan dit boekwerkje verbaasde het mij niet om ge­ruchten te horen over duivelse handelingen die binnen de grenzen van ons aller Everville verricht zijn.

Het droeve verhaal van de dood van Rebecca Jenkins is algemeen be­kend. Ze was een dochter van deze fraaie stad, die alom wordt geroemd, en zij werd vermoord in haar achtste levensjaar, waarna haar lichaam in het stuwmeer werd geworpen. Haar moordenaar was een man uit Sublimity die later in de gevangenis zou sterven, alwaar hij een levens­lange straf uitzat. Maar het mysterie rond de tragedie van de arme Re­becca is daarmee niet geëindigd.

Terwijl ik verhalen verzamelde over vreemde incidenten in Everville, werd mij het verhaal van het raadselachtig overlijden van een zekere Richard Dolan in het oor gefluisterd. Hij was eigenaar van een snoep­winkel geweest, hoorde ik, en omdat de kleine Rebecca Jenkins een vas­te klant van hem was, had de dood van het kind hem zwaar getroffen. De arrestatie en daaropvolgende veroordeling van haar berouwloze moordenaar had nauwelijks een bres geslagen in zijn grote droefheid. Hij werd gestaag melancholieker en op de avond van 19 september 1975

vertelde hij zijn vrouw dat hij stemmen van Harmons Hoogten hoorde komen. Iemand riep hem, zei hij. Toen ze hem vroeg wie dat was, wei­gerde hij dat te zeggen. Die nacht ging hij van huis. Hij kwam niet te­rug en de volgende dag beklom een groep mensen de Hoogten om naar hem te zoeken.

Na twee dagen zoeken vonden ze een ijlende Richie Dolan, beklemd in een rotsspleet op de noordoostelijke helling van de berg. Zijn val had hem afschuwelijk verwond, maar hij was niet dood. Zozeer waren zijn gezicht en lichaam verminkt dat zijn vrouw in zwijm viel zodra zij hem zag. Haar normale verstandelijke vermogens zou zij nimmer terugkrij­gen.

Hij overleed drie dagen later in het ziekenhuis van Silverton, maar hij stierf niet in stilte. In die tweeënzeventig uur ging hij tekeer als een krankzinnige, ondanks de verdovende middelen die zijn artsen hem ga­ven.

Waarover sprak hij in zijn laatste, folterende uren? Ik kon daarom­trent geen getuigenis uit de eerste hand verkrijgen, maar de geruchten komen zozeer overeen dat ze in grote lijnen op waarheid moeten be­rusten. Hij ging tekeer, is mij verteld, over doden die vanaf Harmons Hoogten naar hem riepen. Telkens weer, zelfs op het allerlaatst, toen de doktoren er versteld van stonden hoezeer hij zich aan het leven vast­klampte, smeekte hij om vergeving...

De auteur bazelde nog een paar alinea's door, maar die sloeg Erwin over. Hij had wat hij zocht: een bewijs, hoe rudimentair ook, dat er eni­ge waarheid zat in wat McPherson had geschreven. En als één deel waar was, waarom de rest dan niet?

Tevreden over zichzelf hield hij voor die avond op met zoeken. Hij belde Phoebe Cobb. Wilde ze komen afsluiten? vroeg hij. Natuurlijk wilde ze dat. Als hij zo goed zou willen zijn de ramen te sluiten, zou ze straks even komen om de voordeur op slot te doen.

Het klonk alsof haar tong een beetje dubbelsloeg, vond hij, maar mis­schien verbeeldde hij zich dat maar. Het was een lange dag geweest en hij was moe. Het was tijd om naar huis te gaan en de bekentenis van McPherson uit zijn hoofd te zetten tot hij de volgende dag verder ging met zijn onderzoek.

Hij wist waar hij dat onderzoek zou beginnen: bij de kreek. Hoewel de door McPherson beschreven gebeurtenissen zich zo'n dertig jaar eer­der hadden afgespeeld, zouden er nog sporen moeten zijn van het huis dat de drie mannen volgens het verhaal hadden platgebrand. En als die sporen er waren, zou er opnieuw een deel van het verhaal zijn geveri­fieerd, en dan zou hij in de verleiding komen om het hele verhaal in de openbaarheid te brengen, als een donderslag bij heldere hemel.

                                                          4

Phoebe had om kwart voor acht een fles cognac opengetrokken. Ze had tegen zichzelf gezegd dat ze haar op handen zijnde bevrijding wilde vie­ren, maar in werkelijkheid wilde ze iets doen aan het onbehaaglijke ge­voel dat ze had. De weinige keren dat Morton ergens buitenshuis ging eten, was hij meestal binnen een uur terug om voor de televisie neer te ploffen. Waar was hij vanavond heen? En vooral: waarom kon haar dat iets schelen?

Ze verdronk de verwarring van haar gevoelens in een glas cognac, en daarna in een tweede glas. Dat lukte goed, vooral op een bijna lege maag. Toen de advocaat belde, voelde ze zich erg zweverig; te zweverig om auto te rijden. Geen probleem. Ze zou naar het oude schoolgebouw gaan lopen.

Het was een zachte avond, met dennegeur in de lucht, en de wande­ling bleek nog aangenamer te zijn dan ze had verwacht. In iedere an­dere tijd van het jaar, zelfs midden in de zomer, zouden de straten 's avonds tamelijk stil zijn, maar vanavond brandde er licht in veel win­kels aan Main Street. De winkeliers werkten aan hun etalageversiering voor het festival of vulden de schappen voor de winstgevende dagen die op komst waren. Er liepen zelfs een paar mensen van buiten de stad rond. Die waren een paar dagen eerder gekomen om van de rust in het dal te genieten.

Op de hoek van Main Street en Watson Street bleef ze even staan. Als je hier rechtsaf ging, kwam je bij het schoolgebouw, en linksaf kwam je langs de markt en het park in Donovan Street, en dan hoefde je nog maar een klein eindje te lopen en je was bij Joe. Het zou zo gemakke­lijk zijn om linksaf in plaats van rechtsaf te gaan. Maar ze deed het niet. Het was beter om alles wat ze die middag hadden gevoeld en gezegd een paar uur te laten betijen. Trouwens, van cognac werd ze altijd een beetje sentimenteel, en als ze ging huilen, kreeg ze zo'n opgezwollen ge­zicht. De volgende dag zou ze hem weer ontmoeten, en intussen zou ze van hem dromen.

Ze sloeg rechtsaf, de enigszins oplopende Watson Street in. Ze kwam langs de nieuwe supermarkt, die nog open was en goede zaken deed, en bereikte even later het schoolgebouw. Het kostte haar niet meer dan vijf minuten om alle ramen te controleren, de luxaflex dicht te trekken en de deur op slot te doen. Toen begon ze aan de terugweg.

Ongeveer vijftig meter van Main Street stapte iemand aan de over­kant de weg op, zijn blik op de nachtelijke hemel gericht. Ze kende hem vaag. Hij was de jongste van de Lundy's: Sam of Steve of... 'Seth.'

Ze had die naam alleen maar gemompeld, maar hij had het toch ge­hoord. Zonder van het midden van de straat vandaan te gaan keek hij naar haar om. Hij had een schittering in zijn ogen en ze herinnerde zich hoe ze hem voor het eerst had ontmoet. Vijf of zes jaar geleden was zijn moeder met hem naar dokter Powell gekomen, en toen had het kind met zo'n dofheid op zijn samengeknepen gezichtje in de wachtkamer gestaan dat Phoebe hem voor achterlijk had aangezien. Hij zag er nu heel anders uit, intens en opgewonden.

'Hoort u het?' vroeg hij haar.

Hij kwam niet dichterbij maar hij had iets dat haar een beetje bang maakte. Daarom ging ze niet naar hem toe. Ze bleef staan en keek de straat door, naar de lichten van de supermarkt. Er hadden daar veel au­to's op het parkeerterrein gestaan. Straks zou er wel een voorbijkomen en dan zou ze daar gebruik van maken om door te lopen.

'U niet, hè?' zei hij met een zangerige klank in zijn stem.

'Wat niet?'

'U hoort het hameren niet.'

'Hameren?' Ze luisterde even. 'Nee. Ik hoor het niet.'

'Hmm.' Hij richtte zijn blik weer op de sterrenhemel. 'U werkte vroe­ger bij de dokter,' zei hij.

'Daar werk ik nog steeds.'

'Niet lang meer,' antwoordde hij.

Er ging een huivering door haar lichaam, van haar kruin tot haar voetzolen.

'Hoe weet jij dat?'

Hij glimlachte naar de hemel. 'Het is zo hard,' zei hij. 'Weet u zeker dat u het niet hoort?'

'Ik heb je al gezegd...' begon ze.

'Het geeft niet,' zei hij zachtjes. 'Alleen gebeurt het 's avonds wel eens dat andere mensen het ook horen. Overdag nooit. Overdag ben ik de enige...'

'Het spijt me...'

'Het hoeft u niet te spijten,' zei hij, en zijn glimlach ging van de ster­ren naar haar. ik ben het wel gewend.'

Ze vond het plotseling idioot dat ze bang voor hem was geweest. Hij was een eenzame jongen, misschien een beetje in de war, maar volko­men onschuldig.

'Wat bedoelde je toen je zei dat ik niet lang meer voor de dokter zou werken?' vroeg ze hem.

Hij haalde zijn schouders op. 'Weet ik niet. Die dingen komen er soms uit zonder dat ik weet wat ze betekenen.' Hij zweeg even. 'Waarschijn­lijk is het niets,' zei hij, en hij richtte zijn blik weer op de hemel.

Ze wachtte niet meer tot er een auto langskwam, maar begon door te lopen in de richting van Main Street. 'Een prettige avond,' zei ze, toen ze hem voorbijliep.

'Ja...' mompelde hij, '... die heb ik...'

Het hele eind naar huis bleef het incident haar bezighouden, en ze nam zich voor om de volgende dag op haar werk het Lundy-dossier in te kij­ken. Ze wilde weten waarom moeder en kind die dag naar de dokter waren gegaan en waarom ze daarna nooit meer waren geweest. Toen ze thuiskwam, zat Morton in zijn stoel voor de televisie, diep in slaap, een bierblikje op zijn schoot en nog vier blikjes bij zijn voeten. Ze maak­te hem niet wakker. In plaats daarvan ging ze naar de keuken en maak­te een broodje ham en kaas klaar, dat ze leunend tegen het aanrecht op­at, terwijl ze naar de donkere tuin keek. Er kwamen wolken opzetten die de sterren aan het oog onttrokken, maar dat zou voor die jongen van Lundy wel niet veel verschil maken, dacht ze. Als hij gehamer in de hemel kon horen, zou hij dat ook wel door een paar wolken heen ho­ren.

Toen het broodje op was, ging ze naar bed. Ze hoopte dat ze zou sla­pen voordat Morton wakker werd. Ze had zich geen zorgen hoeven ma­ken. Toen er eindelijk wat koele lucht over haar rug streek en ze daar wakker van werd en voelde dat hij naast haar kwam liggen, zag ze op de wekker dat het al tien over drie was. Grommend in zichzelf trok hij de lakens naar zich toe, rolde zich om en begon meteen te snurken.

Het duurde even voor ze weer sliep, en echt goed slapen deed ze niet meer. Toen ze de volgende morgen alleen aan de keukentafel zat (Morton was al naar zijn werk toen ze wakker werd), probeerde ze orde te scheppen in de flarden van dromen die nog door haar hoofd spookten. Ze herinnerde zich dat Joe haar in een van die dromen had voorgesteld aan de mensen op de foto die hij haar had laten zien. Om de een of an­dere reden hadden ze alle vijf in een auto gezeten, en Joe's broer zei de hele tijd: Waar zijn we? Hel en verdoemenis, waar zijn we? Het was niet bepaald een geruststellende droom. Waar dacht ze aan? Dat ze nu allemaal samen verdwaald waren? Ze nam drie aspirientjes met een kop zwarte koffie en ging naar haar werk. De droom zette ze uit haar hoofd. En dat was jammer. Had ze er wat langer bij stilgestaan, dan zou ze zich misschien hebben afgevraagd waar de foto was die haar had geïn­spireerd, en dan had ze zichzelf, Joe en Morton veel verdriet bespaard dat ze geen van drieën verwachtten of verdienden.