4
De duivel en D'Amour
1
I
'Dat,' zei de man met de zalmroze das, wijzend naar een doek aan de wand van de galerie, 'is een schande. Hoe heet dat gedrocht?' Hij keek naar het prijskaartje.
'Bronx Apocalypse,' zei de man naast hem.
'Bronx Apocalypse,' zei de criticus snuivend. 'Jezus!'
Hij keek naar de man die hem de titel had genoemd. 'Jij bent het toch niet?' zei hij. 'Jij bent toch niet die Dusseldorf?'
De andere man, een knappe verschijning van achter in de dertig, met een baard van drie dagen en de ogen van iemand die aan slapeloosheid leed, schudde zijn hoofd. 'Nee. Dat ben ik niet.'
'Maar je komt wel op een van de schilderijen voor, nietwaar?' zei de Aziatische vrouw aan de zijde van Zalmroze Das.
'O ja?'
Ze nam haar metgezel een papier uit handen en keek naar de ongeveer twintig titels. 'Daar,' zei ze. 'D'Amour in Wyckoff Street. Het is dat grote schilderij hiernaast,' zei ze tegen Zalmroze Das, 'met die donkere lucht.'
'Walgelijk,' merkte de man op. 'Dusseldorf kan beter weer gaan dealen of wat het maar was dat hij deed. Waar haalt hij de brutaliteit vandaan mensen deze rotzooi op te dringen?'
'Ted was geen dealer,' zei D'Amour. Hij sprak zacht, maar de waarschuwende ondertoon in zijn stem was onmiskenbaar.
'Ik gaf alleen maar mijn mening,' zei de man, enigszins in het defensief gedrongen.
'Als je maar geen leugens vertelt,' zei D'Amour. 'Anders komt de duivel nog zonder werk te zitten.'
Het was acht juli, een vrijdag, en de duivel hield Harry die avond erg bezig. Zoals altijd was New York een broeikas en zoals altijd wou Harry dat hij uit die benauwde hitte weg kon komen, maar hij kon nergens heen, nergens waar hij niet gevolgd en gevonden zou worden. En hier, in deze straten die hij zo goed kende, had hij overal plekjes waar hij zich kon verbergen. Hier had hij mensen die bij hem in het krijt stonden, mensen die bang voor hem waren. Hij had hier zelfs een paar vrienden.
Een van hen was Ted Dusseldorf, een afgekickte heroïneverslaafde. Ted was vroeger straatartiest geweest, maar tegenwoordig was hij, opmerkelijk genoeg, schilder van apocalyptische stadsgezichten.
En daar stond hij dan, hof houdend voor een van zijn ruigste schilderijen, in zijn volle lengte van een meter vijftig, gekleed in een wijd geruit pak en kauwend op iets dat zou kunnen meedingen naar de titel van grootste sigaar van Manhattan.
'Harry! Harry!' riep hij uit zodra hij D'Amour zag. 'Wat goed dat je bent gekomen.' Hij verliet zijn kleine gehoor en legde zijn arm om Harry's schouders. 'Ik weet dat je niet van mensenmassa's houdt, maar ik wilde je laten zien dat ik wat bewonderaars heb.'
'Nog iets verkocht?'
'Ja, fantastisch, hè? Een aardige joodse dame, groot verzamelaarster, woont aan Central Park, duur adres, koopt dat...' Hij wees met zijn sigaar naar Offerlammeren op de Brooklyn Bridge. 'Het is voor haar eetkamer. Misschien is ze vegetarisch,' voegde hij er met een rochelend lachje aan toe. ik heb ook een paar tekeningen verkocht. Ik bedoel, ik word niet rijk, maar ik heb wel wat bewezen, hè?'
'Dat heb je zeker.'
'Ik wil je mijn meesterwerk laten zien,' zei Ted, en hij leidde Harry tussen de mensen door, die in drie duidelijke kampen verdeeld waren. Zo waren er de onvermijdelijke modieuze types, hier naartoe gekomen om gezien te worden en in de society-kolommen te verschijnen. Dan waren er een stuk of wat rijke verzamelaars, die hier ook eens een kijkje kwamen nemen. En dan waren er Teds vrienden, van wie sommigen tatoeages hadden die kleurrijker waren dan alles wat aan de muur hing.
'Er kwam een knakker naar me toe,' zei Ted, 'dure schoentjes, designer-kapsel, en hij zegt: fantasie is zo passé. Ik zeg: wat fantasie? Hij kijkt me aan alsof ik een scheet heb gelaten. Hij zegt: dat werk van jou. Ik zeg: dat is geen fantasie. Dat is mijn leven. Hij schudt zijn hoofd en loopt weg.' Ted boog zich dichter naar Harry toe. 'Soms denk ik dat er twee verschillende soorten mensen op de wereld zijn. De mensen die het snappen en de mensen die het niet snappen. En als ze het niet snappen, hoef je niet te proberen het ze uit te leggen, want dan kunnen ze het gewoon niet vatten, en zo zal het altijd blijven.'
Aan de muur tegenover hen hing een doek van tweeëneenhalf bij twee meter, scherper gelijnd en levendiger van kleur dan al het andere op de expositie.
'Weet je, het voorkomt dat ik gek word, het maken van die dingen. Als ik het niet allemaal op het doek gooide, man, zou ik allang door het lint zijn gegaan. Ik begrijp niet dat jij je verstand niet verliest, Har-
ry. Echt niet. Ik bedoel, wat jij allemaal weet, wat jij allemaal hebt gezien...'
Toen de mensen die voor het schilderij stonden hen zagen naderen, gingen ze opzij om de schilder en zijn model in de gelegenheid te stellen het schilderij te bekijken. Zoals op de meeste andere werken was er een doodgewone straat te zien. Alleen was dit een straat waarvan Harry de naam wist. Dit was Wyckoff Street in Brooklyn, waar Harry op een zonnige eerste paasdag, bijna tien jaar geleden, voor het eerst door helse vleugels was aangeraakt.
Ted had de straat ongeveer geschilderd zoals die er in het echt uitzag, grauw en sfeerloos, en hij had D'Amour in het midden van de straat gezet. D'Amour keek degene die voor het schilderij stond met een vreemde blik aan, alsof hij wilde zeggen: zie jij wat ik zie? Op het eerste gezicht leek er niets bijzonders met de straat aan de hand te zijn, maar wie wat beter keek, ging daar anders over denken. Ted had niet allerlei verontrustende details op het doek gezet, maar naar een subtieler effect gestreefd. Hij had een veld van weeïg rood en oker opgezet, als het binnenste van een overrijpe granaatappel, en vervolgens de details van Wyckoff Street over die onrustige achtergrond heen geschilderd. Het grijs en sepia van baksteen en ijzer en asfalt onttrok de rottende tinten daaronder nooit helemaal aan het oog. Ondanks de zorgvuldig weergegeven details leek Wyckoff Street op een sluier die over een veel krachtiger realiteit was getrokken.
'Goeie gelijkenis, hè?' zei Ted.
Harry nam aan van wel, want mensen hadden hem herkend, maar toch was hij er niet erg blij mee. Hij had een mooie botstructuur, dat had Norma hem verteld toen ze voor het eerst zijn gezicht aanraakte, maar zijn botten hoefden toch niet zo erg naar voren te steken? Ted had Harry's gezicht, met lange neus, krachtige kaakpartij, breed voorhoofd en al, op een zodanige manier geschilderd dat je eigenlijk beter van een sculptuur kon spreken. En wat de sporen betrof die de jaren bij Harry hadden achtergelaten, was hij ook niet zuinig geweest. De grijze haren en diepe voorhoofdrimpels vielen duidelijk op. Voor een veertiger zou het geen slecht gezicht zijn, vond Harry. Zeker, wat ontbrak, was de rust die volgens de verhalen voor de soepelheid en het enthousiasme van de jeugd in de plaats kwam - zijn blik was zorgelijk en de glimlach op zijn lippen was op zijn zachtst gezegd aarzelend - maar het was een afbeelding van een normale man die over zijn gezond verstand en al zijn ledematen kon beschikken, en als je Harry dan vergeleek met de andere mensen die in een strijd met de beesten van de afgrond verwikkeld waren geweest, mocht hij beslist niet klagen.
'Heb je het gezien?' zei Ted.
'Wat gezien?'
Ted leidde Harry enkele stappen dichter naar het doek toe en wees naar de onderste helft.
'Daar.' Harry keek. Eerst naar het trottoir, toen naar de goot. 'Onder je voet,' hielp Ted hem.
Daar, kronkelend onder Harry's rechterhak, was een dunne zwarte slang geschilderd, met brandende kooltjes bij wijze van ogen.
'De duivel zelf,' zei Ted.
'Ik heb hem waar ik hem hebben wil, hè?' zei Harry.
Ted grijnsde. 'Hé, het is kunst. Ik mag een beetje liegen.'
Op verzoek van Ted bleef Harry nog een uurtje in het kantoor achter de galerie, tot het wat minder druk werd. Hij legde zijn voeten op het bureau en bladerde al wachtend een paar oude nummers van de Times door. Soms was het goed om je te herinneren hoe andere mensen, gewone mensen, hun leven doorbrachten, hoe ze zich amuseerden met politieke kibbelpartijen en buitenlandse ellende, met schandaaltjes, sensationeel nieuws en moord. Hij benijdde hen om hun onwetendheid, om het gemak waarmee ze in alle onbeduidendheid hun leven leidden. Op dit moment zou hij er zo ongeveer alles voor overhebben om ook een week van die gelukzaligheid mee te maken: een week waarin hij om onbeduidende redenen onbeduidende dingen deed, zonder iets te weten van de wezens die onder de oppervlakte van de dingen door ritselden.
Het waren geen verzinsels, die wezens. Hij had oog in oog met ze gestaan (voor zover ze ogen hadden) in steegjes en huurkazernes en liftschachten. Hij had ze in vuilcontainers van een ziekenhuis gezien, waar ze op vuil verband zogen, en hij had ze de ingewanden van honden zien opvreten in de modder van de rivier. Ze waren overal en ze werden met de dag arroganter. Het was alleen een kwestie van tijd, wist Harry, voordat ze op klaarlichte dag over straat liepen. En als ze dat deden, zouden ze niet op tegenstand van enige betekenis stuiten.
In het begin van zijn loopbaan, toen hij door zijn werk als privé-detective voor het eerst met de onmenselijken in aanraking was gekomen, had hij in de waan verkeerd dat hij uiteindelijk het tij tegen die krachten kon helpen keren door de samenleving te waarschuwen. Algauw had hij zijn vergissing ingezien. De mensen wilden het niet weten. Ze hadden precies het terrein afgebakend waarbinnen ze iets wilden geloven, en zijn mededelingen vielen daarbuiten. Ze wilden en konden iemand die de afbakening wilde verplaatsen niet begrijpen of zelfs maar tolereren. Harry's moeizame pogingen om alles wat hij wist of vermoedde onder woorden te brengen stuitten op spot, woede en soms ook geweld. Hij gaf zijn pogingen om mensen te overtuigen algauw op en
legde zich erbij neer dat hij een eenzame oorlog zou moeten voeren.
Niet dat hij geen bondgenoten had. In de loop van de volgende jaren had hij een handvol mensen ontmoet die allemaal op de een of andere manier te weten waren gekomen wat hij ook wist. Van die weinigen was niemand belangrijker voor hem dan Norma Paine, het zwarte, blinde medium dat, hoewel ze haar kleine tweekamerwoning aan 75th Street nooit verliet, verhalen te horen kreeg uit alle hoeken van Manhattan, verhalen die haar werden verteld door de zielen die haar advies inwonnen op hun weg naar het Hiernamaals. En dan was er broeder Hess geweest, die een tijdlang met Harry had samengewerkt om de exacte aard van de wezens in de stad te ontdekken. Aan hun samenwerking was een abrupt eind gekomen op die eerste paasdag in Wyckoff Street, toen een van die wezens een val voor hen beiden had opgezet en Hess op de trap was omgekomen, terwijl de triomferende demon op het bed zat waar hij gevonden was en telkens weer hetzelfde raadsel aan Harry opgaf:
'Ik ben jij, en jij bent liefde, en dat maakt dat de wereld draait. Ik ben jij, en...'
In de jaren sinds die schokkende dag had Harry nooit meer iemand gevonden in wiens oordeel hij zoveel vertrouwen had als destijds in Hess. Hoewel Hess een vurig katholiek was geweest, had hij zijn visie niet door zijn geloof laten indammen. Hij had allerlei religies bestudeerd en daarbij blijk gegeven van een hartstochtelijke belangstelling voor het leven en zijn mysteries, meer dan ieder ander die Harry ooit had ontmoet. Een gesprek met Hess was als een tocht over schuimende stroomversnellingen geweest, beurtelings duizelingwekkend en gevaarlijk. Het ene moment ontvouwde hij theorieën over zwarte gaten, het volgende moment bejubelde hij de goede eigenschappen van wodka met peper en meteen daarop sprak hij vol eerbied over het mysterie van de onbevlekte ontvangenis. En op de een of andere manier was het altijd of die dingen onlosmakelijk met elkaar verbonden waren, hoe onwaarschijnlijk dat op het eerste gezicht ook leek.
Er ging geen dag voorbij zonder dat Harry hem miste.
'Je kunt me feliciteren,' zei Ted, die met een brede grijns in de deuropening verscheen, 'Ik heb weer een doek verkocht.'
'Niet gek.'
Ted glipte naar binnen en deed de deur achter zich dicht. Hij had een fles witte wijn in zijn hand. Nadat hij tegen de muur was gaan zitten, nam hij een flinke slok.
'Jezus, wat een avond,' zei hij, zijn stem trillend van emotie, 'Ik had het vorige week bijna afgezegd, want ik wist niet of ik wel wilde dat de mensen konden zien wat er in mijn hoofd zit.' Hij leunde tegen de muur,
sloot zijn ogen en blies langzaam zijn adem uit. Het bleef ongeveer een halve minuut stil. Toen zei hij:
'Ik heb wat je wilde, Harry.'
'Ja?'
'Ik vind nog steeds dat je gek bent...'
'Wanneer is de ceremonie?'
'Aanstaande dinsdag.'
'Weet je waar?'
'Allicht,' zei Ted en hij keek Harry quasi beledigd aan.
'Waar?'
'Bij Ninth Avenue en...'
'Ninth Avenue en wat?'
'Misschien kan ik je er beter gewoon heen brengen.'
'Nee, Ted. Jij blijft hier buiten.'
'Waarom?' zei Ted, en gaf de wijnfles aan Harry.
'Omdat je dat hebt afgezworen, nietwaar? Geen heroïne meer, geen magie meer. Dat heb je gezegd.'
'En daar hou ik me aan. Ik zweer het je. Drink je nog of hoe zit dat?'
Harry nam een mondvol wijn. Die was zurig en lauw. 'Nou, hou het dan zo. Je moet aan je carrière denken.'
Ted keek hem met een tevreden lachje aan. 'Dat klinkt goed,' zei hij.
'Je wilde me net het adres geven.'
'Ninth Avenue, tussen 13th en 14th Street. Het is een driehoekig gebouw. Ziet eruit alsof het leegstaat.' Hij nam de wijnfles van Harry over en begon heel zacht te praten, 'Ik heb in mijn tijd heel wat geheimen uit mensen losgekregen, maar allemachtig, Harry, wat was het moeilijk om aan dat adres te komen. Net of ik bloed uit een steen wilde persen. Wat gebeurt daar?'
'Dat wil je niet weten.'
'Hoe minder je me vertelt,' waarschuwde Ted, 'des te nieuwsgieriger word ik.'
Harry schudde wanhopig zijn hoofd. 'Jij weet niet van ophouden, hè?'
'Ik kan het niet helpen,' antwoordde Ted met een schouderophalen, 'Ik raak gauw verslaafd.' Harry zei niets. 'Nou?' drong Ted aan. 'Wat staat daar te gebeuren?'
'Ooit van de Orde van de Zyem Carasophia gehoord?'
Ted keek Harry strak aan. 'Je neemt me niet in de maling?' Harry schudde zijn hoofd. 'Dit is een Concupigaea-ceremonie?'
'Dat heb ik me laten vertellen.'
'Harry... weet je wel waar je mee bezig bent? Dat moeten ballingen zijn.'
'O ja?' zei Harry.
'Neem me niet in de zeik, Harry. Dat weet je verdomd goed.'
'Ja, ik hoor wel eens geruchten.'
'En wat denk je?'
'Waarover?'
'Over waar ze vandaan komen, verdomme!' zei Ted, die zich steeds meer opwond.
'Zoals ik al zei, het zijn niet meer dan geruchten, maar...'
'Maar?'
'Ik denk dat ze uit Quiddity komen.'
Ted liet een lage fluittoon ontsnappen. Hem hoefde niet uitgelegd te worden wat de droomzee was. Hij had zich zeker vijf jaar met occulte praktijken beziggehouden, totdat hij midden in een bezwering, high van de heroïne, zonder het te weten iets had opgeroepen dat psychopathische neigingen vertoonde, en toen had al Harry's vindingrijkheid eraan te pas moeten komen om het te verslaan. Ted had de magie afgezworen en zich diezelfde dag nog voor een afkickprogramma aangemeld. Maar het vocabulaire van het occulte bezat nog de oude, vertrouwde kracht, en weinig woorden in dat vocabulaire waren zo krachtig als Quiddity.
'Wat doen ze hier?' zei Ted.
Harry haalde zijn schouders op. 'Wie zal het zeggen? Ik weet niet eens zeker of ze echt zijn.'
'Maar als ze...?'
'... als ze echt zijn, wil ik antwoord op een paar vragen.'
'Waarover?'
'Over die slang die je onder mijn hak hebt geschilderd.'
'De antikrist.'
'Ze noemen het de Iad.'
Ook nu had Ted geen behoefte aan nadere uitleg omtrent de terminologie. 'De Uroboros en de antikrist zijn hetzelfde?' zei hij.
'Het is allemaal de duivel onder een andere naam,' antwoordde Harry.
'Hoe weet je dat zo zeker?'
'Ik ben een gelovige.'
2
De volgende dag ging Harry naar de binnenstad om naar het gebouw te kijken dat Ted hem had genoemd. Het was een heel gewoon gebouw, een flat van vier verdiepingen die zo te zien leeg stond. De ramen waren dichtgespijkerd en de deuren waren dichtgemetseld of van een hangslot voorzien. Harry liep er twee keer omheen en bestudeerde het zo discreet mogelijk, voor het geval hij van binnenuit werd gadegeslagen. Toen ging hij naar Norma's appartement. Hij wilde haar om raad vragen.
Gesprekken kwamen bij Norma niet altijd zo gemakkelijk op gang. Sinds haar puberteit was ze een lichtend baken voor dolende en dwalende zielen geweest (vooral voor hen die net waren gestorven), en als ze hun opdringerigheid zat was, zette ze haar meer dan dertig televisietoestellen aan, waarvan de gezamenlijke herrie de dolenden voor een tijdje op de vlucht joeg maar een normaal gesprek nagenoeg onmogelijk maakte.
Vandaag zwegen de televisietoestellen. De schermen flikkerden wel door en verkochten diëten en auto's en het eeuwige leven. Norma zag ze natuurlijk niet. Ze was al blind vanaf haar geboorte.
Niet dat ze ooit sprak als iemand die niet kon zien.
'Moet je jou nou eens zien,' zei ze zodra Harry de deur had opengemaakt. 'Heb je iets opgelopen?'
'Nee, ik voel me prima. Ik heb alleen weinig geslapen.'
'Nog meer tatoeages?' zei Norma.
'Eentje maar,' gaf Harry toe.
'Laat kijken.'
'Norma.'
'Laat kijken,' zei Norma, en ze boog zich vanuit het zachte comfort van haar leunstoel naar voren.
Harry gooide zijn jasje op een van de televisies en ging naar Norma toe, die bij het open raam zat. Van beneden drongen stemmen en verkeersgeluiden tot hen door.
'Waarom zet je de airconditioning niet aan?' zei Harry terwijl hij de mouw van zijn overhemd opstroopte. 'Je ademt alleen maar dampen in.'
ik mag graag horen hoe de wereld voorbijtrekt,' zei Norma. 'Dat is geruststellend. Nou, laat de schade maar eens zien.' Ze pakte Harry's pols vast, trok hem een beetje dichter naar zich toe en bewoog haar vingers over zijn arm tot aan de plaats dicht bij zijn elleboog waar hij kort geleden getatoeëerd was. 'Je gaat nog steeds naar die ouwe prutser van een Voight?' zei Norma, en ze trok het verband weg dat de tatoeëerder had aangebracht en streek over de gevoelige huid. Harry kromp ineen. 'Het is goed werk,' gaf Norma toe. 'Al mag god weten wat jij ervan verwacht.'
Dit was een oud twistpunt van hen. Harry had in de afgelopen vijf
jaar een stuk of tien tatoeages verzameld, op twee na allemaal het werk van Otis Voight, die zich specialiseerde in wat hij beschermende inkt noemde: talismannen en zegels die hij in de huid van zijn cliënten etste om het kwaad op een afstand te houden.
'Aan sommige van deze tatoeages heb ik mijn leven te danken,' zei Harry.
'Jij hebt je leven te danken aan je verstand en je meedogenloosheid, Harry; niet meer en niet minder. Laat mij maar eens een tatoeage zien die een kogel kan tegenhouden...'
'Dat kan ik niet.'
'Precies. En een demon is nog heel wat erger dan een kogel.'
'Kogels hebben geen psyche,' wierp Harry tegen.
'O, en demonen wel?' zei Norma. 'Nee, Harry. Het zijn stukken stront, meer zijn het niet. Kleine sliertjes harteloze viezigheid.' Ze ontblootte haar mooie tanden voor een grimas. 'O God,' zei ze, 'maar wat zou ik graag met je meegaan.'
'Het is anders geen pretje,' zei Harry. 'Geloof me maar.'
'Alles is beter dan dit,' zei ze, en ze sloeg met haar handen op de armleuningen van de stoel. De glazen op de tafel naast haar klikten tegen de rum- en cognacflessen. 'Soms denk ik dat dit een straf is, Harry. Dat ik hier dag in dag uit moet zitten en naar de jammerverhalen van mensen moet luisteren. Je zou ze moeten horen. Snikken over dit, snikken over dat. Spijt van dit, spijt van dat. Soms heb ik zin om tegen ze te schreeuwen: het is te laat, verdomme! Daar had je aan moeten denken toen je er nog wat aan kon doen. Ah! Wat heeft het allemaal voor zin? Ik moet hier dat gezeur van de doden aanhoren terwijl jij al het leuke werk mag doen. Jij weet niet hoe goed je het hebt, jongen. Echt niet.'
Harry liep naar het raam en keek zeven verdiepingen omlaag naar 75th Street. 'Op een avond...' zei hij. 'Ja?'
'Op een avond kom ik je halen en dan gaan we een paar uur rondrijden. Dan gaan we kijken op een paar rottige plaatsen, de écht rottige plaatsen, en dan zul je eens zien hoe gauw jij van gedachten verandert.'
'Afgesproken,' zei Norma. 'Maar wat verschaft me ditmaal de eer? Je bent hier niet gekomen om me Voights werk te laten zien.'
'Nee.'
'En ook niet om me rum te brengen.'
'Sorry.'
Ze wuifde zijn verontschuldiging weg. 'Doe niet zo belachelijk. Ik ben blij dat je er bent. Maar waarom?
'Ik wil je om raad vragen. Ik ga dinsdagavond naar een feest.'
'Toe dan, vraag een blinde vrouw maar wat je moet dragen,' zei Norma lachend. 'Wie geeft dat feest?'
'De Orde van de Zyem Carasophia.'
Norma lachte meteen niet meer. 'Dat is niet leuk, Harry.'
'Het is ook niet leuk bedoeld,' antwoordde Harry. 'Ze hebben een of andere ceremonie en ik moet erbij zijn.'
'Waarom?'
'Als er iemand is die weet waar we de volgende doorbraak van de Iad kunnen verwachten, zijn zij het.'
'Er is een goede reden waarom er nooit iemand over hen praat, Harry.'
'Omdat iedereen de geruchten gelooft. Maar niemand weet wie ze zijn.'
'Of wat ze zijn,' zei Norma.
'Dus jij gelooft de verhalen?'
'Dat ze ballingen zijn?' Norma haalde haar schouders op. 'Zijn wij niet allemaal ballingen?'
'Ga alsjeblieft niet filosofisch doen.'
'Het is geen filosofie, het is de waarheid. Alle leven is in de droomzee begonnen, Harry. En sindsdien hebben we allemaal geprobeerd daar terug te komen.'
'Waarom vind ik dat geen geruststellend idee?'
'Omdat je bang bent voor wat het betekent,' zei Norma op luchtige toon. 'Je bent bang dat je alle regels waar je naar leeft overboord moet zetten en dat je dan gek zult worden.'
'En jij niet?'
'O, ik zou waarschijnlijk net zo gek worden als jij,' zei Norma. 'Maar het gaat er niet om of jij en ik gek worden, Harry. Waar het om gaat is: wat is waar en wat is niet waar? En ik denk dat jij, ik en de Zyem veel met elkaar gemeen hebben.'
'Wat heb ik te vrezen?' zei Harry.
'Zij zijn waarschijnlijk net zo bang voor jou als jij voor hen, en dat betekent dat ze liever jouw hoofd op een schaal hebben, dan kunnen ze zien waar het is. Of het opeten.'
'Ha ha.'
'Je vroeg erom,' merkte Norma op.
Harry keek niet langer naar de straat; hij vestigde zijn aandacht op de televisieschermen. Drie dozijn geluidloze drama's voltrokken zich voor zijn ogen. De camera's pikten elke overwinning en elke jammerklacht op, of die nu echt was of gespeeld.
'Geloof jij dat we in de gaten worden gehouden?' zei Harry nadat hij enkele ogenblikken naar de beeldschermen had gestaard.
'Ja, continu,' antwoordde Norma.
'Ik bedoel niet door geesten,' zei Harry.
'Door wat dan?'
'O, ik weet het niet... door God?'
'Nee.'
'Nee? Zo te horen ben je daar nogal zeker van.'
'Dat ben ik ook. Zoals ik hier op dit moment zit. Vraag het me morgen nog een keer en je krijgt misschien een ander antwoord. Ik betwijfel dat, maar je kunt nooit weten.'
'Je spreekt over demonen...'
'Nou?'
'Dat betekent dat de duivel er ook iets mee te maken heeft.'
'En als de duivel op de planeet is, moet God daar ook zijn?' Ze schudde haar hoofd. 'We hebben het hier al vaker over gehad, Harry. Het is een van die nutteloze gespreksonderwerpen.'
'Dat weet ik.'
ik weet niet wat jouw demonen zijn...'
'Om te beginnen zijn ze niet van mij.'
'Zie je wel? We beginnen alweer te kibbelen. Ik vind dat ze wel degelijk van jou zijn.'
'Je bedoelt dat ik zelf degene ben die Hess dat heeft laten overkomen?' zei Harry met een diepere stem.
'Jij weet best dat ik dat niet bedoel.'
'Wat dan?'
'De demonen vinden jou, omdat jij ze nodig hebt. En Hess ook. Jullie hebben ze nodig omdat jullie anders niets van de wereld kunnen begrijpen. Sommige mensen geloven in... Ik weet het niet, waar geloven mensen in?... In politici, filmsterren...' Ze slaakte een zucht van ergernis. 'Waarom maak jij je er toch altijd zo druk om?'
'De tijd van het jaar. De tijd van het leven. Ik weet het niet.' Hij zweeg even. 'Dat is niet waar. Ik weet het wel.'
'Ga je het me vertellen?'
'Ik heb voortdurend een gevoel van afgrijzen.'
'Ben je bang voor de Orde?'
'Nee.'
'Waar dan voor?'
'Ik geloof nog steeds in de hel. Waar ik niet meer in geloof, is in mezelf.'
'Waar heb je het verdorie toch over?' zei Norma. Ze stak haar arm naar Harry uit. 'Kom hier,' zei ze. 'Harry? Hoor je me?' Harry stak zijn arm ook uit en Norma greep feilloos zijn pols vast. 'Nu moet je eens naar me luisteren,' zei ze. 'En ik wil niet dat je tegensputtert of zegt dat
je het niet wil horen, want soms blijven dingen verzwegen die uitgesproken zouden moeten worden en ik ga ze nu zeggen. Begrepen?' Ze wachtte niet tot Harry akkoord ging, maar ze ging verder, nadat ze eerst nog aan Harry's arm had getrokken om hem dichter bij haar stoel te krijgen. 'Jij bent een goed mens, Harry, en dat is zeldzaam. Ik bedoel, heel zeldzaam. Ik heb soms het gevoel dat er in jou iets omgaat dat niet in de meeste andere mensen omgaat, en dat je daarom telkens weer zo op de proef wordt gesteld. Ik weet niet wat het is dat jou op de proef stelt, en mijzelf trouwens ook, maar ik weet wel dat we geen keus hebben. Begrijp je me? We hebben geen keus. We kunnen niets anders doen dan gewoon doorgaan met de dingen, dag na dag, en gewoon ons best doen.'
'Goed, maar...'
ik ben nog niet klaar.'
'Sorry.'
Ze trok Harry naast zich. 'Hoe lang kennen wij elkaar?' vroeg ze hem.
'Elf jaar.'
Haar andere hand ging naar zijn gezicht. Streek over zijn voorhoofd, zijn wang, zijn mond. 'Die jaren hebben hun tol geëist, nietwaar?' zei ze.
'Ja.'
'Als we wisten waarom, Harry, zouden we niet zijn wat we zijn. Misschien zouden we dan niet eens menselijk zijn.'
'Geloof je dat echt?' zei Harry zachtjes. 'Denk je dat we gewoon moeten voortstrompelen omdat we nu eenmaal menselijk zijn?'
'Voor een deel.'
'En als we het wèl begrepen?' zei Harry.
'Dan zouden we niet menselijk zijn,' zei Norma.
Harry liet zijn hoofd op Norma's arm zakken. 'Misschien is dat het dan,' mompelde hij.
'Wat?'
'Misschien vind ik dat het tijd wordt om op te houden menselijk te zijn.'
De nieuwe tatoeage deed meer pijn dan alle vorige. Die avond kwam er een vreselijke jeuk opzetten en Harry werd meermalen wakker uit dromen waarin de getatoeëerde figuur zich als iets levends over zijn arm bewoog, kronkelend om onder het verband uit te komen.
De volgende dag had hij Grillo gebeld en sprak hij, al wisten ze dat natuurlijk niet, voor de allerlaatste keer met hem. Hij had over de antikrist gesproken en Grillo had zijn minachting voor die term niet onder stoelen of banken gestoken (jij bent katholieker dan goed voor je is, had hij gezegd), waarna er een nogal kil einde aan het gesprek was gekomen. Het Rif en zijn beheerder waren Harry's laatste hoop op nuttige informatie over de Orde geweest, en nu stond hij nog steeds met lege handen. Als hij het gebouw tussen Thirteenth en Fourteenth Avenue binnenging, zou hij nog steeds niet weten waar hij zich mee inliet. Maar was het ooit anders geweest?
De volgende dag ging hij al voor het middaguur aan de overkant van de straat staan. Hij wachtte af. Tot een uur of drie gebeurde er niets, maar toen arriveerden de eerste deelnemers aan de ceremonie. Ze glipten uit een auto, staken vlug het trottoir over en gingen een trap af die naar het souterrain leidde. Harry had geen tijd gehad om zelfs maar een glimp van hun gezicht op te vangen. In de loop van de middag kwamen er nog een stuk of tien deelnemers, die allemaal dezelfde trap afgingen. Harry had die trap bekeken toen hij het gebouw voor het eerst had bestudeerd. Onder aan de trap was een metalen deur. Hij had die deur onderzocht en was tot de conclusie gekomen dat hij dichtgeroest was. Dat was duidelijk niet zo.
Hij had verwacht dat er wat meer vaart in zou komen als het avond werd, maar dat gebeurde niet. Er kwamen nog zes deelnemers, die allemaal in het souterrain verdwenen, maar het begon er toch wel op te lijken dat de ceremonie lang niet zo'n grootschalige aangelegenheid zou zijn als hij had verwacht. Dat was tegelijk goed en slecht nieuws. Goed, omdat er minder ogen zouden zijn die een indringer als hij konden signaleren, en slecht omdat eruit af te leiden was dat de ceremonie meer was dan een rituele bijeenkomst. Het was een samenkomst van een klein aantal autoriteiten, die misschien wel een ongelooflijke macht met zich meebrachten. Dat was bepaald een troosteloze gedachte.
Toen gebeurde er iets verrassends. Kort voor negen uur, toen het donker begon te worden, stopte er een taxi voor de drankwinkel op de hoek van Thirteenth Avenue. En uit die taxi kwam Ted. De taxi reed weg en Ted bleef nog even op de straathoek een sigaret staan roken. Toen liep hij naar het gebouw. Harry kon niets anders doen dan te voorschijn komen en naar hem toelopen, in de hoop dat Ted hem zou zien en zich dan terug zou trekken. Maar Ted hield zijn blik strak op zijn bestemming gericht en was, voordat Harry hem kon onderscheppen, al om de hoek van het gebouw verdwenen. Om niet de aandacht te trekken (kon hij er nog aan twijfelen dat hij van binnenuit werd gadegeslagen?) ging
Harry langzamer lopen. Hij bereikte de overkant van de straat en volgde Ted de hoek om. Maar Ted was al weg. Harry liep terug en zag nog net dat Ted de trap af begon te gaan. Binnensmonds Ted vervloekend, ging Harry vlugger lopen. Er was niet zoveel verkeerslawaai dat het geluid van zijn voetstappen er helemaal in verloren ging. Ted keek over zijn schouder, probeerde weg te duiken in de schaduw van de trap, maar kwam even later met een vriendelijke grijns op zijn gezicht te voorschijn.
'Ben jij het...'
Harry gaf hem met gebaren te kennen dat hij stil moest zijn en van die trap vandaan moest gaan, maar Ted schudde zijn hoofd en wees langs de trap naar de deur. Met een grimas liep Harry vlug langs de muur en daalde samen met Ted de trap af.
'Je gaat niet met me mee,' snauwde hij.
'Dacht je dat je zonder hulp door die deur komt?' zei Ted, die nu een hamer en een koevoet onder zijn jasje vandaan haalde.
'Jij doet niet meer aan magie, weet je nog wel?' zei Harry.
'Dit is mijn laatste voorstelling,' antwoordde Ted. En bijna grommend voegde hij eraan toe: ik laat me niet door jou wegsturen, Harry. Zonder mij zou jij hier niet eens zijn geweest.'
'Ik ben niet verantwoordelijk voor jou,' waarschuwde Harry hem.
ik verlang niet van je...'
ik méén het. Ik heb al meer dan genoeg aan mijn hoofd.'
'Afgesproken,' zei Ted grijnzend. 'Nou, zullen we naar binnen gaan?'
Na deze woorden ging hij vlug de trap af naar de deur. Harry volgde hem.
'Heb je je aansteker?' vroeg Ted.
Harry viste zijn aansteker uit zijn zak en knipte hem aan. In het licht van het vlammetje zagen ze een deur met een dikke laag roest. Ted zette zijn koevoet tussen de deur en de deurpost en leunde er met zijn volle gewicht op. Een hagel van roestdeeltjes vloog tegen hun gezichten en de hengsels van de deur kraakten, maar hij ging niet open.
'Dit heeft geen zin,' fluisterde Harry.
'Heb jij een beter idee?' snauwde Ted.
Harry knipte de aansteker uit. In het donker zei hij: 'Ja, ik heb een beter idee. Maar dan moet jij een andere kant opkijken.'
'Waarom?'
'Doe het nou maar,' zei Harry, en hij knipte de aansteker weer aan om te zien of Ted gehoorzaamde.
Ted gehoorzaamde niet, maar keek hem vragend aan.
'Jij hebt een of ander trucje, hè?' zei hij, eerder bewonderend dan verwijtend.
'Misschien.'
'Jezus, Harry...'
'Luister nou, Ted, als het je niet bevalt, lazer je maar op.'
'Wat heb je?' zei Ted. Hij sprak met een schittering in zijn ogen, als een verslaafde die in de buurt van het gif van zijn voorkeur komt. 'Je hebt magische handen?'
'Christus, nee.'
'Wat dan?'
'Jij krijgt het niet te zien, Ted,' hield Harry vol. ik zei toch: kijk een andere kant op.'
Met grote tegenzin wendde Ted zijn ogen af, en nu haalde Harry de prodigile te voorschijn, een klein magisch apparaatje waarvoor hij Otis Voight vierhonderd dollar had betaald. Het was een stukje aluminium, vijf centimeter lang en vier centimeter breed, met een klein zegel op het eind en vijf smalle groeven die in dat zegel samenkwamen. Harry stak het zo dicht mogelijk bij het slot tussen de deur en de deurpost.
Achter hem hoorde hij Ted zeggen: 'Jij hebt een prodigile. Hoe kom je daar nou weer aan?'
Het was te laat om tegen hem te zeggen dat hij zich moest omdraaien en het had ook geen zin om te liegen. Ted was te goed op de hoogte van de magie om zich een rad voor ogen te laten draaien.
'Dat gaat je niets aan,' antwoordde Harry. Hij maakte niet graag gebruik van magie (zelfs het gebruik van een prodigile, een uiterst simpel apparaatje op de thaumaturgische schaal, bracht het gevaar van besmetting of verslaving met zich mee), maar soms kon het niet anders of je moest de wapens van de vijand gebruiken om hem te kunnen vernietigen. Dat was de cynische realiteit van oorlog.
Hij drukte zijn duim tegen de rand van het apparaatje en bewoog het omlaag. Zijn huid opende zich gemakkelijk en hij voelde hoe de prodigile bloed aan hem onttrok. Dit was het moment, wist hij, waarop het gevaar van verslaving het grootst was: het moment waarop het apparaatje werd geactiveerd. Hij zei tegen zichzelf dat hij zijn ogen moest afwenden, maar kon het niet. Vol bewondering keek hij naar zijn bloed, dat tegen het metaal siste en door de groeven en uit het zicht werd gezogen. Hij hoorde Ted diep ademhalen. Toen flitste er opeens een licht uit de spleet tussen deur en deurpost, gevolgd door het onmiskenbare geluid van het slot dat opensprong. Voordat het licht helemaal was gedoofd, zette Harry zijn schouder tegen de deur. Die ging moeiteloos open. Hij keek om naar Ted, die ondanks zijn stoere houding van enkele ogenblikken geleden nu nogal benauwd uit zijn ogen keek.
'Ben je klaar?' zei Harry en zonder op een antwoord te wachten ging hij naar binnen. Ted kon kiezen: meegaan of achterblijven.