3

I

Het Sturgis Motel was een bescheiden etablissement, bijna een halve ki­lometer van de grote weg vandaan en gelegen aan een weggetje dat wei­nig meer dan een grindpad was, amper breed genoeg om twee auto's el­kaar te laten passeren. Het motel zelf was een houten gebouw zonder bovenverdieping en lag rond twee hele zijden en een kwart zijde van een parkeerterrein. Dat kwart was het kantoortje, en daarboven poch­te een flakkerend verlicht bord dat er Geen kamers vrij waren. Blijk­baar waren de meeste gasten zich in Everville aan het amuseren, want toen Tesla aan kwam rijden, stonden er maar drie auto's op het par­keerterrein. Een daarvan was een vrachtwagen met open laadbak, die voor het kantoor stond, en verder stonden er een Mustang waarvan Tes­la vermoedde dat hij van Grillo was en een Ford Pinto die in een zelfs nog verdergaande staat van verval verkeerde.

Ze had haar motor nog maar amper afgezet of de deur van kamer Zes ging open en een magere, kalende man in een overhemd en broek die hem verscheidene maten te groot waren kwam naar buiten en riep haar naam. Ze wilde hem net vragen of ze elkaar kenden toen ze be­sefte dat het Grillo was. Het lukte haar niet haar verbazing te verber­gen, maar hij scheen dat niet te merken, of misschien kon het hem niet schelen. Hij spreidde zijn armen voor haar (zo dun! o, zo dun!) en ze omhelsden elkaar.

'Jij weet niet hoe blij ik ben je te zien,' zei hij. De zwakheid zat niet alleen in zijn lichaam, maar ook in zijn stem. Hij klonk alsof hij ver weg was, alsof zijn ziekte, wat het ook was, hem al een heel eind had weggevoerd.

Wij allebei, dacht ze, wij allebei zijn niet lang meer op deze wereld.

'Ik heb je zoveel te vertellen,' zei Grillo. 'Maar ik zal het kort hou­den.' Hij zweeg even, alsof hij op haar toestemming wachtte voordat hij verder ging. 'Nou... Jo-Beth gedraagt zich heel vreemd. Soms is ze zo prikkelbaar dat ik zin heb om haar mond met pleisters dicht te plak­ken. De rest van de tijd is ze nagenoeg catatonisch.'

'Heeft ze het over Tommy-Ray?'

Grillo schudde zijn hoofd. 'Ik heb geprobeerd haar aan het praten te krijgen, maar ze vertrouwt me niet. Ik hoop dat ze misschien wel

met jou wil praten, want we hebben dringend behoefte aan informa­tie.'

'Weet je zeker dat Tommy-Ray in leven is?'

'Ik weet niet of hij in leven is, maar hij is nog wel ergens.'

'En Howie?'

'Daar gaat het niet goed mee. We spelen hier allemaal een of ander eindspel, Tes. Het is net of alles op de ergst denkbare manier bij elkaar komt.'

'Ik ken dat gevoel,' zei ze.

'En ik ben te oud voor die onzin, Tes. Te oud en te ziek.'

ik kan zien... dat het niet goed gaat,' zei ze tegen hem. 'Als je erover wilt praten...'

'Nee,' zei hij vlug. 'Dat wil ik niet. Het heeft trouwens geen zin om er iets over te zeggen. Het gaat gewoon zoals het gaat.'

'Eén vraag?'

'Goed. Eén.'

is dit de reden waarom je niet wilde dat ik bij je op bezoek kwam?'

Grillo knikte. 'Dat was dom, ik weet het. Maar ik denk dat we alle­maal onze eigen manier hebben om met onze narigheid om te gaan. Ik besloot me te verstoppen en aan het Rif te werken.'

'Hoe gaat het?'

'Ik wil dat je het zelf ziet, Tes, als we hier uitkomen.' Ze vertelde hem niet dat ze er nooit uit zou komen, maar knikte. 'Misschien kun jij er meer van begrijpen dan ik. Je weet wel... misschien ben jij beter in staat de verbanden te leggen.' Hij sloeg zijn arm om haar heen. 'Zullen we naar binnen gaan?' zei hij.

2

Eens, ergens op haar reis, had Tesla erover gedacht het verhaal van Jo-Beth McGuire en Howie Katz voor het nageslacht vast te leggen. Hoe die twee volmaakte mensen in het zonnige Palomo Grove verliefd op elkaar waren geworden zonder te beseffen dat hun vaders hen hadden grootgebracht om hen strijd tegen elkaar te laten leveren. Hoe hun harts­tocht de twee vaders tot woede had gebracht en hoe die woede in open­lijke oorlogvoering in de straten van het schitterende Palomo Grove was ontaard. Als gevolg daarvan hadden velen geleden. Sommigen waren zelfs vernietigd. Maar door een wonder waren de twee geliefden zon­der kleerscheuren door alles heen gekomen.

(Het was natuurlijk niet de eerste keer dat er een verhaal werd ver­teld over geliefden die niet bij elkaar pasten, maar meestal ging het dan

om paren die leden en stierven, misschien omdat mensen wilden dat het volmaakte paar het leven liet voordat de liefde haar volmaaktheid kon verliezen. Beter een vermoord ideaal, dat tenminste de hoop in leven houdt, dan een ideaal dat niet tegen de tijd bestand is.)

Terwijl ze aantekeningen voor dit verhaal maakte, had Tesla zich vaak afgevraagd wat er met het liefdespaar uit Palomo Grove was gebeurd. Hier, in kamer zes, kreeg ze haar antwoord.

Ondanks Grillo's waarschuwing was ze er niet op voorbereid dat die twee jonge mensen zo sterk veranderd waren. Beiden hadden een grauw gezicht en in hun manier van spreken en hun bewegingen was geen en­kele vitaliteit meer te bespeuren. Nadat ze elkaar zonder veel enthou­siasme hadden begroet, begon Howie haar te vertellen hoe ze op deze trieste plaats waren gekomen en waarom ze er zo slecht aan toe waren. Hij en zijn geliefde keken elkaar bijna geen moment aan.

'Help me die schoft te vinden,' zei Howie tegen Tesla. Nu hij over de Doodsjongen sprak, laaide er een hartstocht in hem op die tot dan toe ver te zoeken was geweest. Ze vertelde hem dat ze geen antwoorden op zijn vragen had. Misschien had de Nuncio hem een of andere vorm van onkwetsbaarheid gegeven (per slot van rekening was hij aan het vuur van de Lus ontkomen).

'Dus jij denkt dat hij boven de dood verheven is?' zei Grillo.

'Ja, dat lijkt me mogelijk...'

'En dat komt door de Nuncio?'

'Ik weet het niet,' zei Tesla, kijkend naar haar handpalmen. 'Ik heb zelf ook iets van de Nuncio gehad en ik ben er verdomd zeker van dat ik nog sterfelijk ben.'

Toen ze weer naar Grillo opkeek, zag ze zo'n wanhoop in zijn ogen dat ze algauw haar blik moest afwenden.

Jo-Beth, die tot dan toe weinig aan het gesprek had bijgedragen, was degene die de stilte verbrak. 'Ik wil dat jullie nu ophouden met over hem te praten,' zei ze.

Howie wierp zijn vrouw een norse zijdelingse blik toe. 'We zijn nog niet klaar,' zei hij.

'Nou, ik wel,' zei Jo-Beth met een beetje meer kracht in haar stem. Ze ging naar het bed, pakte de baby op en liep naar de deur.

'Waar ga je heen?' vroeg Howie haar.

ik ga wat frisse lucht happen.'

'Niet met de baby.'

In die paar woorden klonk een klaaglied van achterdocht door.

'Ik ga niet ver...'

'Jij gaat helemaal nergens heen!' schreeuwde Howie. 'Leg Amy weer op het bed en ga zitten!'

Voordat dit nog verder escaleerde, stond Grillo op. 'We hebben alle­maal iets te eten nodig,' zei hij. 'Zullen we wat pizza's halen?'

'Ga jij maar,' zei Jo-Beth. 'Ik zit hier prima.'

'Het lijkt me nog beter,' zei Tesla tegen Grillo, 'dat jij en Howie gaan. Laat mij en Jo-Beth maar een paar minuten met elkaar praten.'

Er werd nog wat over gediscussieerd, maar niet lang. Beide mannen schenen het wel een prettig idee te vinden dat ze een paar minuten uit die benauwde motelkamer weg zouden zijn, en Tesla zou de kans krij­gen om onder vier ogen met Jo-Beth te praten.

'Jij bent blijkbaar niet erg bang dat Tommy-Ray je zal vinden,' zei ze tegen Jo-Beth zodra de mannen weg waren.

Het meisje keek naar de baby op het bed. 'Nee,' zei ze, haar stem zo lusteloos als haar gezicht. 'Waarom zou ik?'

'Nou... omdat er van alles met hem gebeurd kan zijn sinds je hem voor het laatst hebt gezien,' antwoordde Tesla, die haar best deed om zo voorzichtig mogelijk te zeggen wat ze bedoelde. 'Hij is niet de broer die je in Palomo Grove had.'

'Dat weet ik,' zei Jo-Beth met een zekere minachting in haar stem. 'Hij heeft mensen gedood. En hij heeft daar geen spijt van. Maar... hij heeft mij nooit kwaad gedaan. Dat zou hij nooit doen.'

'Misschien weet hij zelf niet hoe zijn geest werkt,' merkte Tesla op. 'Misschien doet hij jou iets, of de baby, zonder dat hij er zelf iets tegen kan beginnen.'

Jo-Beth schudde haar hoofd. 'Hij houdt van me,' zei ze.

'Dat was lang geleden. Mensen veranderen. En Tommy-Ray is nog meer veranderd dan de meeste mensen.'

'Dat weet ik,' zei Jo-Beth. Tesla zei niets. Ze wachtte zwijgend af, in de hoop dat Jo-Beth nog een tijdje over de Doodsjongen zou praten. Na enkele ogenblikken deed ze dat inderdaad. 'Hij is overal geweest,' zei ze. 'Hij heeft de wereld gezien... en nu begint hij moe te worden...'

'Dat heeft hij je verteld?'

Ze knikte. 'Hij wil een tijdje uitrusten... Hij zegt dat hij dingen heeft gezien waarover hij moet nadenken...'

'Heeft hij gezegd wat voor dingen?'

'Gewoon dingen,' antwoordde ze. 'Hij heeft veel gereisd. Hij werkte voor een vriend van hem.'

Tesla gokte: 'Kissoon?'

Jo-Beth kon zowaar nog glimlachen. 'Ja. Hoe wist je dat?'

'Dat doet er niet toe.'

Jo-Beth streek met haar vingers door haar haar, dat in lange tijd niet gewassen was, en zei opnieuw: 'Hij houdt van me.'

'Howie ook,' merkte Tesla op.

'Howie behoort aan Fletcher toe,' zei Jo-Beth.

'Niemand behoort aan een ander toe,' wierp Tesla tegen.

Jo-Beth keek haar zwijgend aan, maar de moedeloosheid in haar ogen sprak boekdelen.

Zou er dan niets gespaard blijven? dacht Tesla. Grillo speelde zijn eindspel en zag de Nuncio als een laatste redmiddel (zonder daar echt in te geloven). D'Amour beklom de berg om zijn laatste uren door te brengen op de plaats waar de kruisen stonden; en dit arme meisje, dat zo opgewekt en zo mooi was geweest, stond op het punt om aan de Doodsjongen ten prooi te vallen, omdat de liefde haar niet had kunnen redden.

De wereld deed de lichten uit, een voor een...

Een windvlaag bracht de ruit aan het trillen. Jo-Beth, die zich van Tesla had afgewend om de baby te verzorgen, keek om.

'Wat was dat?' zei Tesla zachtjes.

Er volgde weer een windvlaag, ditmaal bij de deur, alsof de wind sys­tematisch op zoek was naar een opening om binnen te komen.

'Het is hem, nietwaar?' zei Tesla. Het meisje keek gefascineerd naar de deur. 'Jo-Beth, je moet me nu helpen...' Tesla liep intussen naar de deur en draaide voorzichtig de sleutel om. Als bescherming stelde dat niet veel voor, wist ze wel (dit was een kracht die huizen kon doen in­storten), maar het zou hun een paar seconden tijdwinst kunnen ople­veren en dat zou net het verschil tussen leven en dood kunnen uitma­ken. 'Tommy-Ray zal niets oplossen,' zei Tesla. 'Begrijp je me? Hij kan niets goeds doen.'

Jo-Beth bukte zich en pakte de kleine Amy op. 'Hij is alles wat we hebben,' zei ze.

De wind liet nu tegelijk de ruit en de deur trillen. Tesla ving de geur op, die door het sleutelgat en de barsten naar binnen kwam. De dood was hier aanwezig, daarover was geen twijfel mogelijk.

Amy begon zachtjes in de armen van haar moeder te snikken. Tesla keek naar het kleine, samengetrokken gezichtje van het kind en vroeg zich af wat de aanblik van zoveel onschuld bij de Doodsjongen zou los­maken. Hij zou er waarschijnlijk trots op zijn dat hij een baby had ver­moord.

De vloer schudde zo erg dat de sleutel uit het slot trilde. En ergens in die windvlagen waren er stemmen, of flarden daarvan, sommige in het Spaans, sommige, dacht Tesla, in het Russisch. Er was een stem bij die bijna hysterisch klonk, en in een andere klonk gesnik door. Ze ving maar een paar woorden op, maar de strekking daarvan was duidelijk genoeg. Kom naar buiten, zeiden ze. Hij wacht op je...

'Het klinkt niet erg uitnodigend,' fluisterde Tesla tegen Jo-Beth.

Het meisje zei niets. Ze staarde alleen maar naar de deur, terwijl ze de huilende baby in haar armen wiegde. Intussen kreunden en zuchtten en mompelden de stemmen van de doden gewoon door. Tesla liet ze voor zichzelf spreken. Aan Jo-Beth's gezicht te zien lukte het die stem­men veel beter haar binnen te laten blijven dan alles wat Tesla zou kun­nen zeggen.

'Waar is Tommy-Ray?' zei Jo-Beth ten slotte.

'Misschien is hij niet gekomen,' antwoordde Tesla. 'Wil je... Wil je uit het raam van de badkamer ontsnappen?'

Jo-Beth luisterde nog even. Toen knikte ze.

'Goed,' zei Tesla. 'Doe het vlug. Ik hou ze wel bezig.'

Ze zag Jo-Beth naar de badkamer gaan en draaide zich toen om en ging naar de deur. De geesten aan de andere kant voelden blijkbaar dat ze eraan kwam, want hun stemmen zakten weg tot een gemurmel.

'Waar is Tommy-Ray?' vroeg Tesla.

Er kwam geen begrijpelijk antwoord, alleen nog meer verontrustend lawaai en nog meer geratel van de deur. Tesla keek over haar schouder. Jo-Beth en Amy waren uit het zicht, en dat was al iets. Als de geesten nu probeerden binnen te dringen...

'Open...' mompelden ze. 'Open... open...' en terwijl ze dat mompel­den, gingen ze de deur met nog meer geweld te lijf. Het hout bij de heng­sels en bij het slot begon te versplinteren.

'Het is goed,' zei Tesla, die bang was dat hun frustratie hen gevaar­lijker zou maken dan ooit. 'Ik zal opendoen. Geef me even de tijd.' Ze pakte de sleutel op, stak hem in het slot en draaide hem rond. Zodra de geesten dat hoorden, werden ze rustiger en kwam er een eind aan de windvlagen.

Tesla haalde diep adem en maakte de deur open. De wolk van fan­tomen trok zich in een stoffige golf van haar terug. Ze keek of ze Tom­my-Ray zag. Hij was nergens te bekennen. Nadat ze de deur achter zich dicht had gedaan, begaf ze zich midden tussen de geesten. Ze had een executiescène geschreven in een van haar mislukte werken, een vrese­lijk scenario met de titel Zolang ik leef en ademhaal. Daar moest ze nu weer aan denken. Alleen ontbraken hier de gevangenisdirecteur en de priester.

Ze begon zich om te draaien, nog steeds op zoek naar de Doodsjon­gen, en haar blik bleef op wat onvolgroeide bomen en hoog opgescho­ten onkruid rusten, aan de andere kant van het parkeerterrein. Er hin­gen lantaarns in de takken, zag ze, en die verspreidden een ziekelijk schijnsel. En er stond daar iemand die voor een groot deel aan het oog onttrokken werd. Voordat ze daar naartoe kon lopen, zei een stem achter haar: 'Wat is hier aan de hand?'

Ze keek achterom en zag de bedrijfsleider van het motel uit zijn kan­toortje komen. Hij was minstens zestig en had een kaal hoofd, een met jus bevlekt overhemd, en een blikje bier in zijn hand. Aan zijn wanke­lende manier van lopen te zien, was het niet zijn eerste blikje van die avond.

'Ga weer naar binnen,' zei Tesla tegen hem.

Maar de man had de lichtjes in de bomen nu gezien en hij liep er langs Tesla naartoe. 'Hebt u ze opgehangen?' wilde hij weten.

'Nee,' zei Tesla, die achter hem aan kwam. 'Iemand die erg...'

'Dit is mijn terrein. U kunt niet zomaar...'

Hij zweeg abrupt, want hij was nu zo dichtbij dat hij kon zien wat het voor lantaarns waren. Het blikje bier viel uit zijn hand. 'Mijn God...' zei hij.

De takken van de bomen en struiken waren behangen met huive­ringwekkende trofeeën, zag Tesla nu. Hoofden en armen, stukken van een torso en nog veel andere dingen die niet eens herkenbaar waren. Al­lemaal glansden ze, zelfs de kleinste stukjes. Ze waren geladen met een lichtgevende energie die ze waarschijnlijk van de Doodsjongen hadden gekregen.

Intussen strompelde de bedrijfsleider in de richting van zijn kantoor­tje terug. Uit zijn keel kwamen paniekerige dieregeluiden. Onmiddellijk ging de wolk van fantomen, opgewonden door zijn schrik, omhoog om hem te onderscheppen. Hij werd in een ommezien op de grond gegooid en minstens tien rneter over het terrein geslingerd, tot dicht bij de deur van zijn kantoortje.

'Tommy-Ray?' riep Tesla het bosje in. 'Hou ze tegen!' Toen ze geen antwoord kreeg, liep ze naar het bosje en las intussen de Doodsjongen de les: 'Roep ze terug, verdomme nog aan toe! Hoor je me?'

Achter haar was de bedrijfsleider begonnen te krijsen. Ze keek om en zag nog net hoe de man te midden van de krioelende wolk op de grond zakte. Hij krijste nog een tijdje door terwijl ze aan zijn hoofd trokken. Dat werd naar links gedraaid en toen naar rechts en toen weer naar links, met zo'n geweld dat zijn hals scheurde. Het krijsen hield op. Het hoofd kwam los.

'Niet kijken,' zei de man in het bosje.

Ze draaide zich weer om en keek in de wirwar van takjes om hem beter te kunnen zien. De laatste keer dat ze Tommy-Ray McGuire had gezien, in de Lus van Kissoon, was hij niet meer dan een schim van zijn vroegere glorie geweest; uitgeput en dolgedraaid. Maar zo te zien wa­ren de jaren hem beter gezind geweest dan de anderen in dit drama. Welke taken hij ook voor Kissoon had volbracht, en wat hij onderweg ook had meegemaakt (of gedaan), zijn blonde schoonheid was behouden gebleven. Hij lachte haar toe vanuit zijn bosje met lantaarns, en het was een stralende lach.

'Waar is ze, Tesla?' zei hij.

'Voordat je over Jo-Beth begint...' 'Ja?'

'... wilde ik even met je praten. Ervaringen vergelijken.'

'Waarover?'

'Over wat het is om een nunciaat te zijn.'

'Zijn wij dat?'

'Het is niet beter of slechter dan iets anders.'

'Nunciaten...' Hij proefde het woord op zijn tong. 'Dat klinkt niet gek.'

'Het schijnt jou goed te bekomen.'

'O ja, ik voel me uitstekend. Jij ziet er niet zo goed uit. Je moet wat slaven nemen, zoals ik, in plaats van in je eentje rond te dwalen.' Hij sprak alsof ze een gemoedelijk gesprek met elkaar voerden. 'Weet je, een paar keer heeft het weinig gescheeld of ik was op zoek naar je ge­gaan.'

'Waarom zou je dat doen?'

Hij haalde zijn schouders op. 'Ik denk dat ik me met jou verbonden voelde. We hebben allebei de Nuncio. We kennen allebei Kissoon...'

'Wat doet hij hier, Tommy-Ray? Wat wil hij van Everville?'

Tommy-Ray kwam een stap naar haar toe. Ze moest zich verzetten tegen het instinct om zich van hem terug te trekken. Eén teken van zwak­heid, wist ze, en ze kon geen aanspraak meer maken op haar status van nunciaat. Terwijl hij dichterbij kwam, beantwoordde hij de vraag. 'Hij heeft daar vroeger geleefd.'

'In Everville?'

Hij was nu bijna het bosje uit. Er zaten bloedvlekken op zijn spij­kerbroek en t-shirt, en zijn gezicht en armen glansden van het zweet. 'Waar is ze?' vroeg hij.

'We hadden het over Kissoon.'

'Nu niet meer. Waar is ze?'

'Geef haar nou een beetje tijd,' antwoordde Tesla, en ze keek terug naar de kamer alsof ze ieder moment verwachtte Jo-Beth te voorschijn te zien komen. 'Ze wilde er zo goed mogelijk uitzien.'

'Ze was opgewonden?'

'Jazeker.'

'Waarom ga je haar niet halen?'

'Ze wil niet...'

'Ga haar halen!'

Er ging een gemompel op onder de geesten, die nog bij het onthoofde lichaam rondhingen. 'Goed,' zei Tesla. 'Geen probleem.'

Ze draaide zich om naar het motel en begon in een rustig tempo over het parkeerterrein te lopen. Ze was nog ongeveer vijf meter van de deur vandaan toen Jo-Beth te voorschijn kwam, met Amy in haar armen.

'Het spijt me,' mompelde ze tegen Tesla. 'Wij behoren hem toe. Zo simpel is het.'

Op het parkeerterrein achter haar hoorde Tesla de Doodsjongen zuch­ten zodra hij zijn zuster zag.

'O schatje,' zei hij. 'Wat zie je er goed uit. Kom hier.'

Jo-Beth stapte over de drempel. Tesla deed geen poging haar tegen te houden. Daarmee zou ze alleen maar haar hoofd verliezen. Trouwens, het stond duidelijk op Jo-Beth's gezicht te lezen dat ze zich graag door haar broer zou laten omhelzen. De wind, of die nu natuurlijk was ge­weest of niet, was weer gaan liggen. Nachtvogels waren begonnen te zingen en krekels sjirpten in het gras, alsof ze allemaal samen deze her­eniging wilden vieren.

Toen ze Tommy-Ray zijn armen zag spreiden om zijn zuster te ver­welkomen, zag Tesla vanuit haar ooghoek ook een vage gestalte, en toen ze omkeek zag ze Buddenbaums kleine vriendin, de avatar, nog hele­maal in het wit, op het lichaam van de bedrijfsleider neerkijken. Ze keek er niet zo erg lang naar, maar liep in Tesla's richting en liet het aan haar twee metgezellen over, de clown en de idioot, om het in haar plaats te bestuderen. De laatste had het hoofd van de dode gevonden en hield het onder zijn arm.

Intussen was het meisje in het wit zo dicht bij Tesla gekomen dat ze kon mompelen: 'Dank je.'

Tesla keek haar met een mengeling van verwarring en walging aan. 'Dit is geen spelletje,' zei ze.

'Dat weten we.'

'Er zijn mensen doodgegaan.'

Het meisje grinnikte. 'En er zullen er nog meer doodgaan, hè?' zei ze luchtig. 'Nog veel meer.'

Alsof haar woorden de gebeurtenissen in een hogere versnelling brach­ten, drong op dat moment het geluid van een slecht afgestelde motor tot Tesla door. Grillo's Mustang verscheen op het weggetje dat naar het parkeerterrein leidde.

Voordat de auto zelfs maar tot stilstand was gekomen, vloog de deur aan de passagierskant open en sprong Howie eruit, met een pistool in zijn hand. Hij schreeuwde naar Tommy-Ray: 'Ga van haar weg!'

De Doodsjongen wendde zijn blik van zijn zuster af en keek loom in Howies richting. 'Nee!' zei hij.

Zonder een nadere waarschuwing loste Howie een schot. Hij had ver­schrikkelijk slecht gemikt. De kogel sloeg dichter bij Jo-Beth dan bij Tommy-Ray in de grond. Amy, die tot dan toe stil was geweest, zette een keel op.

Op het bezwete gezicht van de Doodsjongen kwam meteen een be­zorgde uitdrukking. 'Niet schieten!' riep hij naar Howie. 'Straks raak je het kind nog!'

Aan Tesla's zijde mompelde het meisje in het wit een langgerekt o, alsof ze plotseling beter begreep wat hier gebeurde. En zoals het bij twee mensen in een publiek kan gebeuren dat de een de ander op iets geestigs of ironisch attent maakt, zo zag Tesla nu een verband waar ze geen flauw idee van had gehad. De adem van iets behaaglijks streek over haar nek toen ze die knop aan de verhalenboom zag, die knop die op uitko­men stond.

'Wat nu?' zei het kleine meisje.

Een klein deel van Tesla wilde gewoon een paar stappen terug doen en toekijken. Maar dat kon ze niet. Dat had ze nooit gekund en zou ze ook nooit kunnen.

'Howie...' zei ze, '... ga weg...'

'N-n-niet z-z-z-zonder mijn vrouw!' zei Howie.

'Je hebt goed werk gedaan,' zei Tommy-Ray. 'Je hebt voor mij op hen gepast, maar je rol is nu uitgespeeld. Ze gaan met mij mee.'

Howie liet zijn pistool in het zand vallen en bracht zijn handen om­hoog. 'Kijk naar m-m-me, Jo-Beth,' zei hij. 'Ik z-z-zal je niet iets l-l-laten doen wat je niet w-w-wilt... maar schat, ik ben het... H-H-Howie...'

Jo-Beth zei niets. Ze keek alleen maar naar de baby, alsof Howies smeekbeden helemaal niet tot haar doordrongen. Hij probeerde het op­nieuw, of wilde dat tenminste, maar hij kwam niet verder dan haar naam, want toen drukte Grillo zijn voet op het gaspedaal en reed recht op Jo-Beth af. Howie sprong opzij en kwam hard neer, terwijl de auto opzij zwenkte en een waaier van stof liet opstijgen. De Doodsjongen gaf een schreeuw naar zijn fantomen, maar voordat ze iets konden onder­nemen, had Grillo de auto tot stilstand gebracht en Jo-Beth en Amy naar binnen getrokken. Tommy-Ray deed een stap in hun richting, zijn armen uitgestrekt, en had Grillo misschien nog kunnen tegenhouden, als Howie niet uit het stof was verrezen en zich op de Doodsjongen had gestort. Zijn vingers gingen naar Tommy-Ray's volmaakte gezicht, graai­den naar de ogen.

Intussen reed Grillo achteruit en schreeuwde hij naar Tesla: 'Stap in! Stap in!'

Ze gaf hem een teken dat hij weg moest gaan. 'Ga dan!' brulde ze. 'Vlug!'

Door de met insecten bespikkelde voorruit ving ze een glimp van zijn gezicht op: er was opwinding in zijn ogen. Hij keek haar met een strak, grimmig lachje aan, keerde de auto en reed weg.

Howie had intussen enige oppervlakkige schade aan Tommy-Ray toe­gebracht. Hij had een paar schrammen op de zijkant van zijn gezicht en hals gemaakt. Er kwam geen bloed. In plaats daarvan zat er iets licht­gevends onder de huid, als de fosforescentie die de lantaarns uitstraal­den. En het was naar dat bosje met die lantaarns dat Tommy-Ray nu liep, nadat hij Howie achteloos tegen de grond had geduwd.

Howie begon weer overeind te komen om de Doodsjongen opnieuw te lijf te gaan, maar Tesla hield hem tegen. 'Je kunt hem niet doden,' zei ze. 'Uiteindelijk doodt hij jou.'

Tommy-Ray draaide zich aan de rand van het bosje om. 'Zo is het. Vertel jij het hem maar.' Hij keek Howie aan. 'Ik wil je niet doden,' zei hij. 'Sterker nog, ik heb Jo-Beth gezworen dat ik dat niet zou doen en ik zal me aan mijn woord houden.' En tegen Tesla: 'Breng hem dat aan zijn verstand. Ze komt nooit meer bij hem terug. Vanavond niet. Nooit. Ik heb haar nu en dat wil ze zelf.'

Na deze woorden stapte hij het bosje in, fluitend naar de wolk van geesten, die meteen over het parkeerterrein kwamen om hem te volgen. Toen ook zij het bosje ingingen, onttrokken ze de Doodsjongen aan het oog.

'Hij gaat achter haar aan,' zei Howie.

'Natuurlijk.'

'Dus moeten wij eerder bij haar zijn.'

'Dat is de theorie,' zei Tesla, die al op weg was naar haar motor. Ho­wie strompelde achter haar aan.

Toen ze het parkeerterrein overstaken, riep het meisje in het wit naar haar: 'Wat nu, Tesla? Wat nu?'

'God weet het,' zei Tesla.

'Nee, wij weten het niet,' zei de idiote metgezel van het meisje, en daar moesten ze alle drie hard om lachen.

'Wij mogen je graag, Tesla,' zei het meisje in het wit.

'Loop me dan niet voor de voeten,' zei Tesla, en ze stapte op haar motor. Howie ging vlug achterop zitten.

Toen ze het contactsleuteltje omdraaide, was er weer een windvlaag. Het legioen van de Doodsjongen steeg op uit het bosje. De geesten na­men de lantaarns en de man die ze had aangestoken in hun golvende beweging met zich mee. Tesla ving een glimp van Tommy-Ray op toen de wolk haar passeerde. Het leek wel of hij niet liep, maar door de wolk gedragen werd. Zijn gezicht begon al te helen. De wonden sloten zich en verborgen de lichtgevendheid die eronder zat.

'Hij is eerder bij haar dan wij,' zei Howie, die zo te horen ieder mo­ment in tranen uit kon barsten.

'Hou vol,' zei Tesla tegen hem. 'Het is nog niet voorbij.'