2

I

Toen Joe en Wexel Fee de laddertunnels naar b'Kether Sabbats buik hadden beklommen en in de lichtgevende straten van die stad stonden, vroeg Joe aan Fee: 'Wat betekent b'Kether Sabbat?'

De man haalde zijn schouders op. 'Al sla je me dood,' antwoordde hij.

Fee's onwetendheid was vreemd genoeg geruststellend. Het betekende dat ze samen de raadsels van de stad zouden verkennen. En misschien was dat ook beter. Het was beter hier rond te dwalen zonder zelfs maar te kunnen hopen er iets van te begrijpen. Nu kon hij onbevangen genie­ten van de wonderen die hij te zien kreeg. De elementen van de bouw­werken verschilden niet zo erg van wat hij in Amerikaanse steden ge­wend was. Er was baksteen en hout, er waren ramen en deuren, er waren straten en trottoirs en goten en lantaarns. Maar de architecten en de met­selaars en de timmerlieden en de wegenbouwers hadden van iedere stoep en deklijst en drempel iets aparts gemaakt. Het leek wel of ze stelselma­tig hadden geprobeerd een eigenschap te vinden waardoor een stoep, een deklijst, een drempel totaal anders was dan alle andere. Sommige ge­bouwen waren uiteraard ontzagwekkend, zoals de torens die Joe had ge­zien toen hij tussen de bomen op de kust had gestaan, maar zelfs wan­neer ze van een meer bescheiden omvang waren, zoals de meeste, was duidelijk te zien dat men bij de bouw heel subtiel te werk was gegaan, waardoor ze toch ieder een eigen persoonlijkheid hadden. Hoewel er bij­na geen stadsbewoners in de straten waren (en bijna alle gevleugelde Ketherianen uit de lucht waren verdwenen), heerste er een vreemde at­mosfeer, eerder troostend dan spookachtig. Het was net of de wezens die deze wonderbaarlijke stad hadden gebouwd er nog waren en zouden voortleven zolang hun meesterwerken nog overeind stonden.

'Als ik zelfs maar een klein stukje van deze stad had gebouwd,' zei Joe, 'zou ik nooit meer weg kunnen gaan.'

'Zelfs niet als dat eraan komt?' zei Wexel, opkijkend naar de kol­kende muur van de Iad.

'Juist dan,' zei Joe. Hij bleef staan en keek naar de muur.

'Ze gaan de stad vernietigen, Afrique. En ons erbij.'

'Zo te zien hebben ze geen haast,' zei Joe.

'Dat is zo.'

'Waarom niet?'

'Maak je daar maar niet druk om,' zei Fee. 'We zullen nooit weten wat zich daarbinnen afspeelt, Afrique. Het verschilt te veel van ons.'

'Ik heb dat vaak over mijzelf horen zeggen,' antwoordde Joe. 'Ze noemden me geen Afrique, maar dat dachten ze wel.'

'Heb ik je beledigd? In dat geval...'

'Nee, je hebt me niet beledigd. Ik wil alleen maar zeggen dat het mis­schien niet zoveel van ons verschilt als wij denken.'

'We zullen nooit weten wie van ons gelijk heeft,' antwoordde Wexel. 'Want we zullen nooit in het hart ervan kunnen kijken.'

Na deze woorden gingen ze verder. Ze liepen maar wat rond en ston­den versteld bij iedere hoek die ze omsloegen. Op een plein troffen ze een enorme draaimolen aan, ronddraaiend in de wind zonder zelfs maar te kraken. In plaats van geverfde houten paarden waren er figuren die de opkomst van aap tot mens (en de daaropvolgende terugkeer) leken uit te beelden. Al draaiend trok er een lus van evolutie en devolutie voor hen langs. Ergens anders zagen ze honderden zuilen bij elkaar staan, en op de toppen daarvan balanceerden, licht trillend, grote geometrische vormen die een glans als van gepoetst koper hadden. Hoewel Joe zich had voorgenomen geen vragen te stellen die niet beantwoord konden worden, sprak hij hier toch zijn grote verwondering over uit, en tot zijn verbazing kon Wexel het mysterie verklaren.

'Dat zijn de vormen achter onze oogleden,' zei hij. 'Ik heb gehoord dat de Ketherianen die vormen als heilig beschouwen, omdat ze de kern zijn van wat we zien wanneer de wereld wordt buitengesloten.'

'Waarom zou iemand deze stad willen buitensluiten?' merkte Joe op.

'Omdat je, als je iets van jezelf wilt bouwen, je het eerst moet dro­men,' zei Fee.

'Alleen al door hier te zijn droom ik,' zei Joe. 'Zo is het toch?'

De complexiteit van dit alles - dat hij wakker was op een plaats waar zijn soort alleen in de slaap kon komen - had hem van het begin af aan beziggehouden. Dit hele avontuur was meer dan een droom, wist hij; maar als hij hier sliep, en droomde, kwam hij dan in weer een andere werkelijkheid, voorbij deze, waar hij misschien ook zou slapen en dro­men? Of was de Metakosmos de andere helft van de wereld die hij had achtergelaten, de helft waar mensen naar verlangden, waar ze om ba­den en van droomden maar waarin ze alleen op momenten van open­baring durfden te geloven?

'Het is niet verstandig om bij die mysteries stil te staan,' zei Wexel een beetje bijgelovig. 'Grote zielen zijn te gronde gegaan door aan zul­ke dingen te denken.'

Daarmee was deze woordenwisseling beëindigd, en ze gingen verder, al spraken ze nu minder. Eigenlijk zeiden ze niet meer dan een paar woorden, totdat hun dwaaltocht hen bij een brug bracht die zo te zien van porselein was. Het was een boogbrug over een vijver die zo glad als een spiegel was.

Ze keken er een tijdje in. Joe werd bijna gehypnotiseerd door de aan­blik van zijn eigen gezicht, omringd door golven van de Iad. 'Het ziet er comfortabel uit,' zei hij tegen Wexel.

'Jij zou er zo op gaan liggen, hè?'

'Erop liggen. De liefde erop bedrijven.'

'Het zou je opslokken,' zei Fee.

'Misschien zou dat nog zo erg niet zijn,' zei Joe. 'Misschien is er daar­binnen iets geweldigs.'

'Wat bijvoorbeeld?'

Joe dacht aan hun gesprek tussen de zuilen. 'Een andere droom mis­schien,' antwoordde hij.

Wexel zei niets. Joe keek naar hem om en zag dat hij terug begon te lopen in de richting vanwaar ze gekomen waren. 'Luister eens,' zei hij. Er was een gemurmel van kreten te horen, en iets dat op wapengeklet­ter leek. 'Hoor je dat?'

'Ik hoor het. Wil je hier blijven of gaan kijken wat er aan de hand is?' vroeg Wexel hem. Het was duidelijk dat hijzelf het laatste ging doen; hij was al over de brug.

'Ik ga mee,' zei Joe tegen hem, en hij haalde zijn spiegelbeeld van de vijver weg.

De ingewikkelde aanleg van de straten maakte het moeilijk om in de richting van een geluid te lopen. Joe en Wexel werden meermalen mis­leid door echo's en tegenecho's. Toen ze eindelijk een hoek omsloegen en het in het zicht kregen, ontdekten ze dat hun zoektocht hen op de een of andere manier op het plein van zuilen terug had gebracht. Dat plein was in de korte tijd sinds zij daar waren geweest in een slagveld veranderd. De grond tussen de zuilen was bezaaid met lijken en daar­tussen vochten de overlevenden nog verwoed door. De meesten waren gewapend met korte dolken en het waren lang niet allemaal mannen. Er waren veel vrouwen bij en die vochten met dezelfde mengeling van finesse en meedogenloosheid als hun broeders. Boven hen zeilden tus­sen de zuilen een stuk of tien gevleugelde Ketherianen, de eerste die Joe van zo dichtbij te zien kreeg, pikkend naar hun tegenstanders. Het waren tengere wezens, zo groot als een menselijk kind van een jaar of zes, met dunne, schubbige ledematen. Hun vleugels waren schitterend gekleurd en hun stemmen brachten evenveel verschillende prachtige

klanken voort als wel vijftig andere soorten samen.

Zoals zoveel dat Joe tijdens deze reis had gezien, bracht dit tafereel hem in grote verwarring. Hij had er al heel lang geen behoefte meer aan om te vechten; de aanblik van al die wezens die elkaar verwondden en doodden was ronduit weerzinwekkend. Maar toch wond de furieuze passie van die mensen hem onwillekeurig op, evenals het schouwspel van de gevleugelde Ketherianen, die zich met hun pauwestaartachtige vleugels tegen de donkere muur van de Iad verhieven.

'Waar vechten ze om?' schreeuwde Joe boven het krijgsrumoer uit te­gen Fee.

'De dynastie van Summa Summamentis en die van Ezso Aetherium hebben altijd al tegen elkaar gevochten,' antwoordde hij. 'De reden is in diepe duisternis gehuld.'

'Er moet iemand zijn die het weet.'

'Geen van de vechters hier,' zei Fee. 'Dat staat vast.'

'Maar waarom blijven ze dan vechten?' zei Joe.

Wexel haalde zijn schouders op. 'Voor hun genoegen?' opperde hij. 'Er zijn net zoveel dromen van oorlog als van vrede, nietwaar? Het zit blijkbaar in de aard van jullie soort en het moet tot uiting komen. Dat is noodzakelijk.'

'Noodzakelijk...' zei Joe, kijkend naar het bloedbad voor hem. Als het inderdaad een uiting van menselijke noodzaak was, was zijn soort misschien reddeloos verloren.

'Ik wil dit niet meer zien,' zei Joe. 'Ik ga terug naar de vijver.' 'Ja...?'

'Blijf jij maar, als het je een kick geeft... Ik wil in mijn laatste minu­ten niet naar mensen kijken die elkaar doodmaken.'

'Ik blijf,' zei Wexel een beetje beschaamd.

'Dan neem ik nu afscheid,' zei Joe.

De voormalige slaaf stak zijn hand uit. 'Vaarwel,' zei hij.

Ze schudden elkaar de hand en Joe begon naar de brug terug te lo­pen, maar hij had nog geen tien meter afgelegd of hij hoorde een kreet achter zich. Toen hij zich omdraaide, strompelde Wexel naar hem toe, zijn handen tegen zijn buik gedrukt. Er kwam bloed tussen zijn vingers door; het liep over zijn benen.

'Afrique!' snikte hij. 'Afrique! Hij is hier...'

Joe begon naar hem terug te lopen, maar de man schreeuwde dat hij op een afstand moest blijven.

'Hij is gek, Afrique! Hij is...'

Op dat moment kwam Noach achter Fee de hoek om. In zijn handen had hij een kort zwaard, rood van het bloed. In zijn ogen had hij een schittering van gewelddadigheid. De tijd die hij in b'Kether Sabbat had

doorgebracht, had hem goed gedaan: zijn lichaam en ledematen waren dikker geworden.

'Joe...' zei hij op luchtige toon, alsof de stervende man niet tussen hen in stond. 'Ik dacht al dat jij het moest zijn.' Hij greep Wexel bij zijn nek vast. 'Wat doe je met dit hier?' zei hij. 'Hij heeft waarschijnlijk meer vlooien en ziekten...'

'Laat hem met rust,' zei Joe.

'Vlucht, Afrique...'

'Ik denk dat hij bang is dat ik je kwaad zal doen,' zei Noach.

'En ga je dat doen?'

'Hij noemt je Afrique, Joe. Is dat een koosnaampje?'

'Nee, het is...'

'Dus het is een belediging?' Hij trok Wexels hoofd achterover. 'Dat dacht ik al.' In een oogwenk had hij het zwaard op Fee's hals. Joe be­gon met een smeekbede op zijn lippen naar hen toe te lopen, maar voor­dat hij er was, liet Noach het zwaard over Wexels hals glijden. Er kwam bloed. Noach glimlachte en liet de stervende man vallen. 'Zo,' zei hij. 'Nu zal hij je niet meer beledigen.'

'Hij beledigde me niet!' riep Joe uit.

'O. Nou. Doet er ook niet toe. Moet ik je ook Afrique noemen?'

'Jij hoeft me niets te noemen! Maak dat je wegkomt.'

Noach stapte over Wexels lichaam heen en liep naar Joe toe. 'Maar 'Ik wil dat we samen verder gaan,' zei hij.

'Verder gaan waarheen?'

'Om te krijgen wat jou toekomt,' zei Noach. 'Toen ik je aan de an­dere kant van het plein zag, wist ik dat je daarvoor gekomen bent. Wij hebben iets af te maken, jij en ik. Ik beloofde je macht, en toen raakte ik je kwijt - ik dacht dat je dood was, Afrique - en nu ben je opeens terug. Blijkbaar zijn onze lotsbestemmingen met elkaar verbonden.'

'Dat denk ik niet.'

Noach liep naar hem toe tot de punt van het zwaard nog maar en­kele centimeters van Joe's buik verwijderd was. 'Sta me toe het je te be­wijzen,' zei hij,

'Is het daar niet een beetje laat voor?' zei Joe.

'Laat?'

'De Iad kunnen ieder moment over deze stad neerkomen.'

'Ik denk dat iets ze tegenhoudt,' zei Noach.

'Weet je ook wat?'

'Ik heb een vermoeden,' zei hij. 'Maar om te onderzoeken of het juist is, heb ik jouw hulp nodig.' Hij keek Joe aandachtig aan. 'Nou?' zei hij. 'Gaan we als vrienden verder of moet ik je hiermee bedreigen?' Hij prik­te met het zwaard naar Joe.

'Wij zullen nooit vrienden worden,' zei Joe. 'Maar ik heb daar ook geen behoefte aan.' Noach liet zijn zwaard zakken. 'Ik ga met je mee, als jij me iets vertelt.'

'Alles wat je maar vraagt.'

'Dat beloof je me?'

'Ja, dat beloof ik je. Wat wil je weten dat zo belangrijk is?'

Er klonk een zekere spanning in Noachs stem door, en Joe vond het prettig dat te horen. 'Ik zal het je vertellen wanneer het me uitkomt,' zei hij. 'Nou, waar gaan we heen?'

2

Aan de andere kant van het plein van zuilen stond een gebouw dat in sommige opzichten het schoolvoorbeeld van Ketheriaanse esthetiek was. Het was op het eerste gezicht een eenvoudig bouwwerk van twee ver­diepingen, maar toen Noach en Joe dichterbij kwamen, om het al wat geluwde strijdgewoel heen, werd duidelijk dat iedere steen van de een­voudige muren zodanig was geslepen dat er een heel bijzondere, geluk­zalige verlichting uit voortkwam. Iedere steen was op zijn eigen een­voudige manier een unieke vorm van perfectie. Het totaal was adembenemend: als een bladzijde poëzie, regel voor regel.

Maar Noach had geen tijd om stenen te bekijken. Hij leidde hen naar een eenvoudige deur, pakte Joe daar bij de arm en zei: 'Ik heb je macht beloofd. Daarbinnen is het.'

'Wat is dit voor een gebouw?'

'Een tempel.'

'Voor wie?'

'Ik denk dat je dat wel weet.'

'De Zehrapushu?' zei Joe.

'Natuurlijk. Ze zijn erg op je gesteld, Afrique. Als het iemand is ver­gund om hier binnen te gaan, ben jij het.'

'En wat is er binnen?'

'Dat heb ik je gezegd. Macht.'

'Waarom ga jij dan niet naar binnen?'

'Omdat ik niet rein genoeg ben,' zei Noach.

Joe kon zelfs onder deze sombere omstandigheden nog lachen. 'En ik wel?' zei hij.

'Jij bent Sapas Humana, Afrique. Reine Sapas Humana.'

'En de 'shu houden daarvan?'

'Ik denk van wel.'

'En zo niet?' zei Joe, die nu dicht bij Noach kwam staan. 'Wat ge­beurt er dan?'

'Wat er dan gebeurt? De dood,' zei hij.

'Zo simpel is het?'

'Zo simpel is het.'

Joe keek naar de deur. Evenals de muur waarin hij was aangebracht, bezat die deur een adembenemende schoonheid. Wat eraan ontbrak, was een knop of een sleutelgat.

'Als ik die deur openmaak en ik word niet gedood, kom jij achter me aan. Is dat de bedoeling?'

'Altijd zo snel, mijn vriend,' zei Noach. 'Ja, dat is de bedoeling.'

Joe keek naar de deur en was opeens enorm nieuwsgierig. Hij wilde absoluut weten wat er aan de andere kant te vinden was. Hij had nu twee keer in de ogen van de 'shu gekeken, een keer op het strand en een keer in het bed van wier, en telkens was hij getroffen door een myste­rie dat hij zielsgraag wilde oplossen. Misschien kon hij dat hier doen. Hij wendde zich weer tot Noach zonder iets van zijn enthousiasme te laten blijken.

'Voordat we naar binnen gaan,' zei hij, 'moet je mijn vraag beant­woorden.'

'Vraag maar.'

'Ik wil weten waarover de families al die jaren ruzie hebben gemaakt. Ik wil weten wat hen ertoe heeft aangezet elkaar te doden.' Noach zei niets. 'Je hebt het me beloofd,' drong Joe aan.

'Ja,' zei hij ten slotte. 'Ik heb het beloofd.'

'Vertel het me dan.'

Noach haalde zijn schouders op. 'Wat doet het er nu nog toe?' zei hij in zichzelf. 'Ik zal het je vertellen...' Hij keek nog eens naar het slagveld en zei toen fluisterend: 'De dynastie van Ezso Aetherium gelooft dat de Iad bestaan omdat ze door Sapas Humana gedroomd zijn. Dat de Iad de duisternis in de collectieve ziel van jouw soort zijn.'

'En jouw familie?'

'Wij denken dat het andersom is,' zei Noach.

Het duurde even voordat Joe besefte wat Noach bedoelde. 'Jullie den­ken dat wij iets zijn dat door de Iad Uroboros is gedroomd?'

'Ja, Afrique. Dat geloven wij.'

'Wie heeft die onzin bedacht?'

Noach haalde zijn schouders op. 'Wie weet waar wijsheid vandaan komt?'

'Dat is geen wijsheid,' zei Joe. 'Dat is stom gezwets.'

'Waarom zeg je dat?'

'Omdat ik niet een droom ben.'

'Waarom denk je dat je het zou weten als je het was?' zei Noach.

Joe besloot zich daar maar niet in te verdiepen. Hij hief zijn handen

ten hemel en zei: 'Laten we nou maar opschieten.' Vervolgens keerde hij Noach zijn rug toe en drukte tegen de deur. Die zwaaide niet open, maar hij bleef ook niet aan de buitenkant staan. Er ging een plotselin­ge scheut van pijn door zijn lichaam, bijna als een elektrische schok, en het volgende moment stond hij in een zoemende duisternis binnen in de tempel. Hij wachtte tot de pijn was afgenomen en keek toen of Noach er ook was. Er bewoog iets in het duister achter hem, maar hij kon met geen mogelijkheid nagaan of het zijn mede-indringer was, en voordat hij nog een keer kon kijken, hoorde hij iemand zijn naam roepen.

Hij keek voor zich uit en zag dat de donkere grond in het midden van het vertrek een schittering verspreidde. Het licht kwam door een rond gat in het dak. Joe liep over de vloer om het verschijnsel van dichterbij te bekijken, en toen hij dat deed, besefte hij dat hij naar een vijver met een middellijn van zo'n vier meter keek.

De vijver was gevuld met water van Quiddity, daar twijfelde hij niet aan. Hij rook de gekruide lucht van de droomzee en zijn huid tintelde van de subtiele energie die eruit opsteeg. Maar toen hij bij de rand van de vijver kwam, werd hem op een andere manier bewezen dat dit een bijwater van Quiddity was. Een klein eindje onder het oppervlak be­vond zich een 'shu, zo groot dat hij nauwelijks in de vijver paste, in zich­zelf verstrengeld met een wirwar van korstige tentakels. Uit die wirwar staarde een van de ogen, dat van rand tot rand minstens een meter groot was, naar boven. Het oog had een gouden glans en het was niet op Joe gericht. Het wezen keek omhoog door het dak van de tempel. Het keek naar de bewegende muur van de invasiemacht.

'Het houdt de Iad tegen...' fluisterde Joe. 'Mijn God. Mijn God. Het houdt de Iad tegen.'

Hij had dat nog maar net gezegd of hij hoorde Noach ergens in het donker. 'Voel je het?' zei hij. 'Voel je de macht op deze plaats?'

'O, ja,' zei Joe zachtjes. Dat gevoel van macht was zo tastbaar dat het bijna als een daad van agressie op hem afkwam. Het zweet liep over zijn huid en alle blauwe plekken en verwondingen die zijn lichaam had opgelopen - vanaf de mishandeling door Morton Cobb - lieten zich op­nieuw in alle hevigheid voelen, alsof de pijn alleen maar een tijdje was tegengehouden. Maar hij wilde nog dichter bij de vijver komen, hij wil­de zien wat de Iad zag als die in het majestueuze oog van de 'shu keek. Huiverend deed hij nog een stap naar het water.

'Spreek ertegen,' zei Noach. 'Vertel hem wat je wilt.'

'Het maakt niet uit wat we willen,' zei Joe. 'Wij zijn hier niets. Be­grijp je dat? Wij zijn helemaal niets.'

'Verdomme, Afrique,' zei Noach, die dichterbij was gekomen. 'Ik heb nu wel genoeg geleden. Ik wil in glorie leven, als de Iad voorbij is.' Hij

kwam nog dichterbij. 'Steek nu je handen in het water...'

'Heb ik jou niet horen vertellen dat je in je eigen land begraven wil­de worden?'

'Ik was vergeten hoe mooi het is om te leven. Vooral hier. Er is geen betere plaats in jouw wereld of de mijne dan deze stad. En ik wil de­gene zijn die deze stad na de grote ramp geneest. Ik wil de beschermer van deze stad zijn.'

'Jij wilt de bezitter zijn,' zei Joe.

'Niemand zou b'Kether Sabbat ooit kunnen bezitten.'

'Ik denk dat jij het wel zou willen proberen,' zei Joe.

'Nou, dat is dan iets tussen mij en de stad, nietwaar?' zei Noach, en hij drukte het zwaard nu tegen Joe's rug. 'Toe dan,' zei hij. 'Raak het water voor me aan.'

'En als ik het niet doe?'

'Jouw lichaam zal het water aanraken, of er nu leven in zit of niet.'

'Het houdt de Iad tegen...'

'Heel goed mogelijk.'

'Als we het storen...'

'... dan doet de Iad hier zijn werk en trekt weer verder. Dat zal vroeg of laat toch gebeuren. Als jij het vroeg laat gebeuren, heb je de loop van de geschiedenis veranderd en levert dat jou tegelijkertijd misschien macht op. Dat klinkt toch niet zo verschrikkelijk?' Hij prikte een beet­je harder met het zwaard. 'Daarvoor ben je hier gekomen, weet je nog wel?'

Joe wist het nog. De pijn in zijn ballen herinnerde hem er telkens weer aan waarom hij deze reis had ondernomen: om nooit meer machteloos te zijn. Maar geleidelijk, door alles wat hij had gezien, door alles wat hij te weten was gekomen, was het nastreven van macht iets erg onbe­langrijks geworden. Hij had liefde gekend, en dat konden de meeste mensen niet zeggen. Hij had fysiek genot gekend. Hij had een vrouw gekend die hem met haar lach liet lachen en met haar zucht liet zuch­ten, en wier armen hem hadden getroost zoals niets anders dat zou kun­nen.

Ze zouden er nooit meer zijn, die lach, die zucht, en dat was erger dan alle pijn die zijn wonden hem aandeden, maar het leven had hem niet te kort gedaan. Hij kon nu sterven en dan zouden zijn jaren niet verspild zijn geweest.

'Ik... wil geen macht,' zei hij tegen Noach.

'Leugenaar,' zei het gezicht in de duisternis.

'Jij kunt zeggen wat je wilt,' antwoordde Joe. 'Ik weet wat de waar­heid is en dat is het enige dat telt.'

Die woorden maakten blijkbaar wel indruk op Noach. Die liet een

zacht kreungeluid horen en stak zonder een woord van waarschuwing zijn zwaard in Joe's buik.

O god, wat deed dat pijn! Joe snikte ervan en dat was voor Noach alleen maar aanleiding om het zwaard nog dieper in hem te steken. Toen draaide hij het rond en trok het eruit. Joe maakte geen schijn van kans om zijn moordenaar nog iets aan te doen. In zekere zin had hij hier zelf om gevraagd. Hij legde zijn handen op de wond. Het warme bloed liep tussen zijn vingers door en spetterde tussen zijn benen op de grond. Hij begon Noach zijn rug toe te keren. De duisternis was vlekkerig gewor­den, met grauwe vegen langs de rand van zijn gezichtsveld. Maar hij wilde nog één keer naar de 'shu kijken voordat de dood zich meester van hem maakte. Alleen nog in dat gouden oog kijken...

Hij begon zich om te draaien en drukte nu met beide handen tegen de wond om te voorkomen dat zijn lichaam onmiddellijk leegliep. Er was nog pijn, maar die raakte met iedere hartslag verder van hem ver­wijderd. Hij had nog maar een klein beetje tijd.

'Hou vol...' mompelde hij tegen zichzelf.

Hij had het oog nu in zijn eigen ooghoek, en het was enorm. Een ring van goud en een cirkel van duisternis. Mooi in zijn perfectie en in zijn eenvoud. Rond en rond, glanzend goud, ononderbroken, onbedorven, glorieus, glorieus...

Hij voelde dat er iets bewoog in zijn hoofd, alsof hij naar de gouden cirkel gleed.

Hij ging, hij ging...

En o, wat was dat een goed gevoel. Hij had niets meer met zijn ge­wonde lichaam te maken, niets meer met blauwe plekken en bloeden­de ballen; niets meer met Joe.

Hij voelde dat zijn lichaam begon te vallen, en toen het dat deed - toen het leven geheel en al uit hem wegtrok - viel hij in de cirkel van het oog van de 'shu.

Daar werd hem een moment van rust gegund, een moment met zo'n gratie en behaaglijkheid dat er niets meer overbleef van al het lijden in de dagen voordat hij hier was gekomen, en de jaren die daaraan voor­af waren gegaan.

Er was geen enkele verwarring meer, geen enkele angst. Het was nu volkomen duidelijk wat hem was overkomen. Hij was op de rand van de vijver gestorven en zijn ziel was in het oog van de Zehrapushu ge­vallen.

Daar, in die gouden cirkel, bleef zijn ziel gedurende een gelukzalig ogenblik, en daarna ging hij weg, omhoog, dwars door het gezichtsveld van de 'shu in de richting van de wolk van de Iad.

In de tempel onder hem hoorde hij Noach een kreet van woede sla-

ken, en hoewel zijn ziel geen ogen had en ook geen hoofd om ogen in te stoppen, zag hij heel duidelijk wat er beneden gebeurde. Noach was over Joe's lijk gestapt en stak zijn bloederige handen in de vijver met water van Quiddity. De 'shu had onmiddellijk op die verstoring gere­ageerd. Zijn tentakels begonnen wild in het rond te slaan en een ervan - opzettelijk of bij toeval, dat zou Joe nooit weten - had zich om No­achs arm geslagen. Razend van woede, en van weerzin vervuld, had No­ach het zwaard gepakt dat hij opzij had gezet. Joe zag hem het lemmet in het nooit knipperende oog van de 'shu steken.

Er ging een trilling door Joe's wereld: door de starende blik waarin hij zich bewoog, door de tempel beneden, en daarbuiten, aan de over­kant van het plein van zuilen, en door de straten van b'Kether Sabbat. Hij wist onmiddellijk wat er gebeurd was. De greep van de 'shu op de Iad was verslapt en de grote golf die op de berg was tegengehouden be­gon in beweging te komen.

Joe richtte zijn geest-zicht op de Iad, en tot zijn verbazing zag hij dat hij al bijna bij hen was. Hij schoot als een pijl in hun kolkende sub­stantie.

Beneden hem schudde de stad onbedaarlijk. Het eiland Mem-é b'­Kether Sabbat viel onder de schaduw van de Iad.

En hij, Joe Flicker, die het leven had opgegeven maar niet was ver­nietigd, vloog recht in het hart van de vernietiger van de stad en ver­dween daarin alsof hij was gestorven.