Hoofdstuk 52
==
Toen ze de volgende ochtend opstond was Adam al naar zijn werk. Hij moest weggeslopen zijn, veronderstelde Stevie, want ze had helemaal niets gehoord. In paniek stormde ze zijn slaapkamer in en gooide de kledingkast open maar zijn kleren waren er nog en ze kon wel janken van opluchting. Toen belde ze Catherine om te vragen of alles goed was gegaan met Danny. Catherine vertelde dat hij fluitend naar school was gehobbeld met de anderen en dat ze hem ook weer zou ophalen omdat Eddie beloofd had dat hij mee mocht naar het volkstuintje samen met Boot en Chico, de twee honden, om wat groente voor zijn moeder uit te graven. Stevie kon hem na het eten op komen halen en als ze ook maar zou proberen hem eerder mee te nemen, zou ze grote problemen met iedereen krijgen. Stevie vertelde haar dat ze de beste vriendin ter wereld was en Catherine zei dat ze dat wist en eiste elke dag van haar leven chocolaatjes en elk detail over Adam MacLeans piemel als ze ooit zover zou komen. Stevie lachte hardop met haar vriendin mee maar vanbinnen voelde ze zich hol omdat ze wist dat dat nooit zou gebeuren.
Ze schreef Adam een sms’je om te vragen of alles goed met hem was en of ze hem mocht bellen. Die verwijderde ze weer voor ze het verstuurd had. Het was wel zo redelijk om hem de tijd te geven zich te verzoenen met het feit dat Jo weer beschikbaar was. Natuurlijk zou Jo hem weer kwetsen, maar hij hield van haar en hij kon haar zo terugkrijgen, dat wist Stevie van alle jaloerse blikken die Jo naar haar had geworpen tijdens de barbecue. Adam had ruimte nodig, dat gold voor alle mannen. Dat stond tenminste in Mannen komen van Mars.
Zoals afgesproken was ze om halftien bij Matthew. Het zonlicht deed hem noch het huis goed. Hij had niet geslapen, dat was duidelijk te zien. Ook niet gedoucht en zich niet geschoren.
‘Naar wie moet ik vragen?’ vroeg Stevie, terwijl ze de telefoon oppakte.
‘Colin Seed. Dat is het hoofd Personeelszaken. Die geeft me altijd het boze oog. Hij mag me niet.’
‘Wat is het voor persoon?’ vroeg Stevie.
‘Rijk, midden veertig, maar ziet eruit als zeventig, dik, draagt kleding uit 1982, wenkbrauwen waar aasgieren in kunnen nestelen, een dubbele kin, rijdt in een Bentley, woont in een groot huis. Over een jaar is hij de nieuwe CEO als ze hem niet naar New York verschepen nu zijn moeder de pijp uit is,’ antwoordde Matthew bitter.
‘Rijk, zei je?’
‘Stinkend.’
‘En dat boze oog, kan het kloppen dat dat van de laatste tijd is?’ vroeg Stevie, wier hersenen sneller informatie downloadden dan een breedbandverbinding.
‘Ja. Denk je dat dat relevant is?’
‘Dat zou goed kunnen,’ antwoordde Stevie, en ze pleegde het telefoontje.
==
Anderhalf uur later stapte Stevie uit Matthews auto en liep over het voorplein naar de ingang van Doyle International Foods bij het kanaal van Leeds. Het was een hip, kleurrijk gebouw vol levendigheid en mensen die eruitzagen alsof ze het er naar hun zin hadden. Ze meldde zich bij de receptie onder de naam mevrouw B. Pollen die met het hoofd Personeelszaken wilde spreken als research voor haar nieuwe boek. Ze had de secretaresse van Colin over de telefoon verteld dat ze maar vijf minuutjes van zijn tijd wenste en zijn secretaresse, een fervent Midnight Moon-lezer, had haar in een gaatje om elf uur gemoffeld, op voorwaarde dat ze haar exemplaar van Gouden Bruid signeerde.
De secretaresse haalde haar op bij de receptie en was schetterend verrukt haar in levenden lijve te ontmoeten. Nadat Stevie het beduimelde boek had gesigneerd werd ze doorgelaten naar Colin Seeds enorme hoekkantoor dat op het kanaal uitkeek. Het was een netjes, bescheiden kantoor; het kantoor van een man die overduidelijk van rechte lijnen, orde en openheid hield. Toen Colin Seed een paar minuten later binnenliep, dacht Stevie een zweem van mottenballen te ruiken. Eigenlijk best zonde, want hij zag er helemaal niet slecht uit. De liefde van een goede liefhebbende vrouw zou hem makkelijk kunnen veranderen.
‘Mevrouw Pollen,’ zei Colin, met een stevige handdruk maar ook met een verrassend warme glimlach die hem een goede vijftien jaar jonger liet lijken. Hij gebaarde Stevie te gaan zitten. ‘Hoe kan ik u helpen? Ik ben bijzonder geboeid.’ Hij vertelde niet dat zijn onlangs overleden moeder altijd boeken van Midnight Moon las en het laatste dat ze gelezen had er een van Beatrice Pollen was. Alleen daarom had hij gehoor gegeven aan haar verzoek van vandaag.
‘Meneer Seed,’ begon Stevie weifelachtig, want Colin had een sterke persoonlijkheid en ze had het gevoel dat ze zich op het moment op veel te glad ijs bevond. ‘Ik moet toegeven dat ik hier onder valse voorwendsels ben. Ja, ik ben Beatrice Pollen, maar ik ben hier niet voor research. Vergeeft u me mijn dubbelhartigheid. Ik ben hier voor,’ Stevie slikte, ‘Matthew Finch.’
Stevie zag Colin Seeds verwelkomende glimlach ervandoor gaan met de warmte van zijn ogen en zijn adamsappel op en neer springen als een krachtmeetmachine op een kermis. Maar hij verraste haar door te zeggen: ‘Ga verder.’
‘Ik ben Matthews ex-partner. Ik heb begrepen dat hij is ontslagen wegens het lastigvallen van een voormalige vriendin van mij,’ de naam bleef even in haar keel hangen, ‘Joanna MacLean?’
‘Onder andere ja, dat klopt,’ antwoordde een Colin die voor haar ogen verstijfde.
‘Ik ben hier uit vrije wil heen gekomen nadat ik dat vernomen had. Matthew is geen seksueel roofdier. Jo MacLean, aan de andere kant, is een ongelooflijk sluwe vrou...’
‘Dank u, mevrouw Pollen, maar ik vind niet dat dit een zaak is die ik met iemand van buiten kan bespreken.’ Colin stond op, klaar om Stevie de deur te wijzen, maar Stevie hield voet bij stuk, bleef zitten en sprak verder. Ze dacht nu zeker te weten dat Colin zowel professioneel als persoonlijk bij Jo MacLean betrokken was.
‘Laat u me alstublieft uitspreken, meneer Seed, daarna zal ik stilletjes vertrekken. Maar er staat hier te veel op het spel om zomaar weg te lopen voor ik heb gezegd wat ik kwam zeggen. Ik ken Jo MacLeans ex-partner toevallig ook heel goed. Een geweldige, respectabele, aardige man – meneer Adam MacLean – de kerstman van het plaatselijke ziekenhuis. Hij heeft haar op een parkeerplaats leren kennen, waar ze stond te huilen omdat ze in een gewelddadige relatie verkeerde...’
‘Mevrouw Pollen...’
‘... en hoewel hij niet “rijk” rijk is, is hij behoorlijk welgesteld. Toen viel haar oog op Matthew, het ambitieuze hoofd Vergunningen hier, en ik vermoed dat ze het idee kreeg dat hij goed in de slappe was zat. En surprise surprise, waar raakte hij met haar aan de praat? Op het parkeerterrein van dit bedrijf, waar ze stond te huilen omdat ze in een gewelddadige relatie zat en daaruit wilde. Gek genoeg begon hun relatie te verslechteren rond de tijd dat ze ontdekte dat vergeleken met hem kerkmuizen nog de Getty-familie lijken. En dat, moet u weten, was nog niet zo lang geleden.’
Even leek het of Colin haar weer ging onderbreken, maar hij zweeg.
‘Nu wordt Matthew plotseling als gewelddadig en oversekst bestempeld en raakt hij zijn baan kwijt. Ik was zeer gekwetst toen hij me verliet, zelfs zo erg dat ik hem in deze puinhoop zou hebben kunnen laten wegrotten, maar ik kan niet toekijken hoe iemands leven geruïneerd wordt door boosaardige leugens. Matthew Finch mag dan aan veel dingen schuldig zijn, maar ik zou er mijn leven voor op het spel durven zetten dat seksueel geweld daar nóóit toe zou behoren.’
Colin Seed verwerkte de informatie. Hij gebruikte zijn professioneel getrainde hersenen om lichaamstaal en stembuigingen te bestuderen op zoek naar leugens en waarheden.
‘Nog één ding, meneer Seed,’ zei Stevie met een air van onschuld. ‘Ik deduceer van Jo MacLeans modus operandi dat ze waarschijnlijk al een nieuwe partner gevonden heeft. Een gewillig slachtoffer met een mooi huis en genoeg geld. Iemand die een huilende Jo MacLean vol pathetische verhalen over haar gewelddadige ex op een parkeerplaats heeft aangetroffen. Ze zal hem waarschijnlijk een zogenaamde schoenafdruk laten zien op haar linkerdij die Matthew zou hebben aangebracht. Net zoals ze die aan Matthew liet zien en hem vertelde dat Adam dat gedaan had en aan Adam heeft laten zien waarbij ze hem aan een gewelddadige ex van daarvóór toeschreef.’
Stevie had alleen maar gegokt dat Jo dat bij Colin had gedaan, maar aan zijn kuchje te horen had ze juist gegokt. Colin leek voor haar ogen te verbleken. Ze voelde zich er best schuldig over dat zij degene was die het nieuws bracht dat waarschijnlijk zijn hart zou breken.
‘Ik begrijp dat u onlangs iemand hebt verloren,’ zei Stevie aarzelend.
‘Mevrouw Poll... ik zie niet in...’
‘Soms als we verdriet hebben, grijpen we alles aan wat belooft dat weg te nemen. Hoop laat ons zien wat we willen zien.’
‘Ik moet nu echt een eind...’
‘Ik wil alleen maar zeggen dat als iets te mooi lijkt om waar te zijn, dat waarschijnlijk ook zo is.’
Colin Seed slikte. Dat was een van zijn moeders wijsheden en kwam daarom des te harder bij hem aan.
‘Ik zal niet meer van uw tijd in beslag nemen, meneer Seed. Dank u dat u me heeft aangehoord. Denk alstublieft na over wat ik gezegd heb,’ en met een vriendelijke, tedere glimlach voegde Stevie eraan toe: ‘En het beste.’
Er klopte een zenuw in Colins nek, zag ze. Hij knikte gedag aangezien zijn keel dichtzat en stak zijn hand naar haar uit. Stevie schudde die hand warm met allebei de hare, liep weg en sloot de deur stilletjes achter zich.
Toen ze door de draaideur het gebouw uit liep, kwam Jo MacLean juist vanaf de andere kant naar binnen. Als in slow motion draaiden ze en staarden elkaar aan. Deze keer hadden Jo’s ogen niets van die triomfantelijke zelfvoldaanheid in zich. Stevies zelfverzekerde aanwezigheid op haar werkplek bracht haar enorm van haar stuk. Ze had er niet op gerekend dat Matthew een voorvechter zou kunnen vinden na haar aantijgingen, want niemand wilde opkomen voor een seksueel roofdier. Zeker niet een ontstemde ex!
Stevie onderdrukte de neiging om zich om te draaien, de trut bij de haren te grijpen en aan het volle atrium van mensen te verkondigen wat voor een levensverwoester mevrouw Goddelijk Lichaam wel niet was. In plaats daarvan hield ze vast aan haar waardigheid, draaide haar hoofd weg en liep de frisse lucht in. Laat iemand anders de rest van deze rotzooi maar opruimen, zij was er klaar mee.
Buiten, in zijn auto, zag Matthew Jo MacLean als een arrogante pauw naar het kantoor lopen. Hij herkende haar bijna niet want ze vertoonde maar weinig gelijkenis met de zachte en kwetsbare vrouw die hij op die ene bewuste dag op de parkeerplaats had zien staan. Ze zag er kil, trots en hard uit. Hij vond haar niet eens meer zo mooi; ze was een vreemde voor hem. Seconden later zag hij de vertrouwde, onveranderde gedaante van Stevie uit het gebouw komen en automatisch verscheen er een glimlach op zijn gezicht. De zon bescheen haar haren en ze zag eruit als een engel die op zijn auto afkwam. Dat was Stevie, een engel. Een geweldige, lieve engel met een gouden hart.
Tijdens de rit naar huis kon hij maar niet ophouden met dankbaar naar Stevie te stralen en te zeggen dat hij haar niet genoeg zou kunnen bedanken. Stevie knikte, maar zei niet veel. Ze wilde alleen maar dat Matthew het gaspedaal flink intrapte zodat ze naar huis kon. Naar Adam.
==
Toen ze bij Humbleby Cottage aankwam was Adam vertrokken, net als zijn kleren. Er lag een briefje op tafel waarin stond: Lieve Stevie, We hebben allebei tijd nodig om na te denken. Ik bel nog wel. Liefs aan Danny. Tot ziens, Adam.
Haar ogen schoten vol tranen terwijl ze weer ondervond hoe afstandelijk ‘tot ziens’ klonk.