3
Howie kwam Jo-Beth niet in haar eenzame angst te hulp, maar het tij wel. Ze werd opgetild en naar de plek gedragen - vaak met dichte ogen (als ze ze opende, was alles wazig van de tranen) - naar de plek gedragen waar ze een veel te korte blik van had opgevangen toen zij en Howie samen in de Kern hadden gezwommen: Efemeride. Het element dat haar droeg leek onrustiger te worden, maar ze nam het net zomin waar als het naderbij komen van het eiland. Maar anderen wel. Als ze meer op haar omgeving had gelet, had ze een subtiele maar niet mis te verstane agitatie onder de andere zwemmende zielen in de ether van de Kern waargenomen. Hun beweging was niet meer zo gelijkmatig. Sommigen - misschien zij die gevoeliger waren voor de tijding die door de ether werd gedragen - stonden stil en bleven als verdronken sterren in de duisternis hangen. Anderen gingen dieper in de hoop de ramp waarover werd gefluisterd te kunnen vermijden. En weer anderen, tot nu toe erg weinig, gingen er helemaal uit en werden in hun eigen bed in de Kosmos wakker, dankbaar dat ze aan het gevaar waren ontsnapt. Voor de meesten was de boodschap te onhoorbaar en als die gehoord werd, woog het plezier om in de Kern te zijn op tegen de angst. Ze rezen en daalden, rezen en daalden, en hun route leidde hen meestal naar dezelfde plek als waar Jo-Beth naar toe ging: naar het eiland in de droom-zee.
Efemeride.
De naam weerklonk in Howies hoofd sinds hij hem voor het eerst had gehoord van Fletcher.
Wat is er op Efemeride? had hij gevraagd en hij had zich een soort paradijselijk eiland voorgesteld. Het antwoord van zijn vader had niet uitgeblonken door duidelijkheid. De Grote Geheime Show had hij gezegd, een antwoord dat minstens een tiental andere vragen opwierp. Nu het eiland voor hem in zicht kwam, wilde hij dat hij meer had aangehouden met zijn vragen. Zelfs van een afstand was het heel duidelijk dat zijn idee van de plek opzienbarend naast de feiten had gelegen. Net zoals de Kern niet in de gewone zin van het woord een zee was, was Efemeride geen eiland in de gewone zin van het woord. Ten eerste was het geen landmassa, maar vele, misschien wel honderden deeltjes die via rotsbogen met elkaar verbonden waren. De hele archipel deed aan een grootse, drijvende kathedraal denken. De bruggen leken op steunpilaren en de torens van het eiland stegen trapsgewijs omhoog wanneer ze het centrale eiland naderden waaruit stevige, dampige zuilen de lucht in staken. De gelijkenis was te sterk om toevallig te zijn. Deze afbeelding moest de onbewuste inspiratie zijn van alle architecten ter wereld. Bouwers van kathedralen en torens en zelfs - wie zou het zeggen - kinderen die met blokken speelden, hadden dit droombeeld ergens voor ogen en brachten het zo goed ze konden een eerbetoon. Maar hun meesterwerk kon slechts een benadering zijn, compromissen met de zwaartekracht en begrenzingen van hun medium. En ze konden evenmin zoiets massiefs laten verrijzen. Howie vermoedde dat Efemeride vele kilometers breed was en er was geen deeltje door de genius onberoerd gelaten. Als het een natuurlijk fenomeen was (en wie wist wat natuurlijk was in een plek van de geest), dan was het de natuur van een koortsachtige vindingrijkheid. Het liet vast materiaal spelletjes spelen die in de wereld die hij achter zich had gelaten alleen maar met wolken en licht mogelijk geweest zouden zijn. Op vele torens zo teer als rietstengels, balanceerden bollen zo groot als huizen, steile kliffen zagen eruit als schelpjes en ravijnwanden bolden als gordijnen op bij een open raam; er waren spiraalvormige heuvels, zwerfkeien als borsten en honden en de restjes van een grote tafel. Zoveel gelijkenissen, maar hij was bij geen ervan zeker dat ze ook zo bedoeld waren. Een deel waarin hij een gezicht had gezien, was bij de volgende blik een deel van een andere gelijkenis; iedere uitleg veranderde als hij er even later weer naar keek. Misschien waren ze allemaal waar, allemaal bedoeld. Misschien waren ze geen van alle bedoeld en was dit een spel van gelijkenissen, net als de schepping van de pier toen hij de Kern voor het eerst was genaderd, de manier van zijn geest om de enormiteit te temmen. Als dat zo was, was er een beeld dat hij niet meester kon worden: het eiland in het midden van de archipel dat recht uit de Kern verrees, steil, met dampen die op dezelfde verticale wijze uit talloze openingen in de muren omhoog stegen. De siertoren was geheel in deze nevel gehuld, maar wat er ook voor raadsel achter lag, het was nectar voor de geest-lichtjes die er ongehinderd door vlees en bloed naar verrezen, de nevel niet binnengingen, maar rakelings langs de bloesem scheerden. Hij vroeg zich af of het angst was die hen ervan weerhield de nevel in te gaan of dat het een steviger barrière was dan het leek. Misschien zou hij het antwoord ontdekken als hij dichterbij kwam. Om er zo snel mogelijk te kunnen komen, hielp hij het tij door zelf mee te zwemmen, zodat hij zich binnen tien of vijftien minuten nadat hij Efemeride voor het eerst had gezien op het strand kon hijsen. Het was donker, maar niet zo donker als in de Kern en het voelde ruw aan onder zijn handpalmen, niet als zand, maar als iets korstachtigs, net koraal. Hij vroeg zich af of het mogelijk was dat de archipel was geschapen op de manier als het eiland dat hij tussen de wrakstukken van het huis van Vance gevormd had zien worden. Rond de tegenwoordigheid van menselijke wezens in de Kern? Als dat zo was, hoelang geleden moesten die dan niet in de droom-zee zijn gekomen om zo massief gegroeid te zijn?
Hij liep langs het strand, verkoos linksaf boven rechtsaf omdat hij altijd links nam als hij de keus had tussen twee wegen waarvan hij van beide even weinig wist. Hij bleef dicht bij de kustlijn in de hoop Jo- Beth op het strand te vinden, die door dezelfde stroom als hij gegrepen zou zijn. Eenmaal uit de kalmerende wateren werd zijn lichaam niet langer gedragen en geliefkoosd en de angsten die de zee tot bedaren had gebracht, staken de kop weer op. De eerste angst was dat hij de archipel wel dagen, misschien wel weken zou kunnen afzoeken en Jo-Beth misschien nooit zou vinden. De tweede was dat zelfs als hij haar vond, er altijd nog een Tommy-Ray was met wie hij problemen had. En Tommy-Ray was ook niet alleen, hij was met allerlei fantomen naar het huis van Vance gegaan. En de derde - en dat was in zekere zin zijn minste zorg maar die werd wel steeds belangrijker - was dat er iets in de Kern veranderde. Het kon hem niet langer schelen welke woorden van toepassing waren voor deze werkelijkheid; of het een andere dimensie was of een geestestoestand, deed er niet toe. Het was vermoedelijk toch allemaal hetzelfde. Wat er wel toe deed, was de heiligheid van deze plek. Hij twijfelde er geen ogenblik aan dat alle wetenschap die hij over de Kern en Efemeride had vergaard op waarheid berustte. Dit was de plek waar al zijn soortgenoten een glimp van de glorie te zien kregen. Een blijvende plek, een plek van comfort en raadselen waar het lichaam vergeten werd (behalve voor mensen zoals hij die zich eigenlijk op verboden terrein bevonden) en de dromende ziel kon zweven. Maar er waren subtiele tekenen - sommige zo fijntjes dat hij ze niet eens onder woorden kon brengen - dat de droomplek niet zo veilig meer was. De golfjes die tegen het strand aan sloegen met hun blauwachtige branding waren niet zo ritmisch meer als ze geweest waren toen hij uit zee was gekomen. De beweging van de lichtjes in de Kern leek eveneens veranderd, alsof er zich iets onrustbarends voordeed in de structuur. Hij twijfelde eraan dat alleen het binnendringen van lichamen van vlees en bloed hier verantwoordelijk voor was. De Kern was groot en kon hen die zich tegen de rust van de wateren verzette wel aan; hij had dat proces zelf aan het werk gezien. Nee, de oorzaak moest van grotere betekenis zijn dan zijn eigen aanwezigheid of die van de binnendringers van de andere kant.
Hij zag op het strand steeds meer aangespoelde bewijzen van die overtredingen. Een deurframe, onderdelen van kapotgeslagen meubels, kussens en onvermijdelijk natuurlijk stukken van de verzameling van Vance. Een eindje voorbij deze jammerlijke rommel, voorbij een bocht van het strand, kreeg hij hoop dat Jo-Beth door het tij was aangespoeld. Daar bevond zich nog een overlevende. Ze stond aan de rand van de Kern en staarde over de zee uit. Toen ze hem hoorde naderen, keek ze zijn kant niet op. Haar houding (handen slap langs haar zij en naar voren gezakte schouders) en het strakke staren wezen op een zekere trance. Dat was blijkbaar haar manier om de shock te verwerken. Hij verbrak die trance vol tegenzin, maar hij had geen keus.
'Neem me niet kwalijk,' zei hij, wetend dat beleefdheid onder deze omstandigheden belachelijk was, 'ben jij de enige hier?' Ze keek om en hij kreeg een tweede verrassing. Dit gezicht had hij tientallen keren gezien als het hem van de tv toelachte en de voordelen van een bepaalde shampoo voorhield. Hij kende haar naam niet. Ze was gewoon het meisje van de Silksheen reclame. Ze fronste haar wenkbrauwen alsof ze haar ogen slechts met de grootste moeite op hem gevestigd kon houden. Hij probeerde de vraag nog eens met andere woorden te stellen.
'Zijn er nog andere overlevenden?' vroeg hij. 'Uit het huis?' 'Ja,' zei ze. 'Waar zijn ze?'
'Verderop. Loop maar door.' 'Dank je wel.' 'Dit is niet echt, hè?' zei ze. ik ben bang van wel,' zei hij.
'Wat is er met de wereld gebeurd? Is de bom gevallen?'
'Nee.'
'Wat dan?'
iets ergens daarachter,' zei hij. 'Terug over de Kern. Over de zee.' 'O,' zei ze hoewel het duidelijk was dat ze dit niet helemaal had begrepen. 'Heb jij wat coke voor me?' vroeg ze. 'Of pillen? Of iets anders?'
'Het spijt me.'
Ze keek weer naar de Kern en hij volgde haar aanwijzingen op en liep verder langs het strand. De golven werden met iedere stap wilder. Of misschien werd hij er zich steeds meer van bewust. Dat kon wel, want hij merkte ook andere dingen op behalve het ritme van de golven. In de lucht rondom zijn hoofd hing ook een zekere onrust, alsof er gesprekken tussen onzichtbare dingen werden gevoerd, net buiten ge- hoorsafstand. De kleurgolven braken net als schaapjeswolken tegen de hemel in stukken; hun kalme voortgang werd vervangen door dezelfde rusteloosheid die de Kern bezoedelde. De lichtjes gingen hoog voorbij, ze bewogen zich in de richting van de damp-toren, maar er kwamen er steeds minder. De dromers werden blijkbaar wakker. Voor hem was het strand gedeeltelijk geblokkeerd door een rotsformatie van zwerfkeien waar hij tussendoor moest klauteren voor hij verder kon zoeken. Het meisje van de Silksheen-reclame had hem echter wel de goede richting gewezen. Een eindje achter de zwerfkeien, na nog een bocht in het strand, vond hij verschillende overlevenden, zowel mannen als vrouwen. Geen van allen scheen in staat verder dan een paar meter van de zee te klimmen. Een van hen lag nog met zijn voeten in de golven, zijn lichaam uitgespreid alsof hij dood was. Niemand maakte aanstalten om hem te helpen. Ze waren bewogen door dezelfde passiviteit die het Silksheen-meisje over de Kern liet staren, maar verscheidenen waren om een andere reden zo traag. Ze hesen zichzelf uit de Kern, veranderd door het drijven in de wateren. Hun lichamen zaten vol korsten en waren misvormd, alsof hetzelfde proces dat de strijdende gasten in een eiland had veranderd ook in hen was begonnen. Hij kon alleen maar raden welke kwaliteit, of het ontbreken daarvan, deze mensen van de rest onderscheidde. Waarom hadden hij en nog een stuk of wat anderen dezelfde afstand in hetzelfde element afgelegd als deze slachtoffers en waren ze onveranderd de Kern uitgestapt? Waren die slachtoffers de zee vurig van emotie ingestapt en had de Kern zich eraan te goed gedaan terwijl hij zich had laten voortdrijven zoals de dromers deden, zijn leven achter zich latend in een andere plek en daarmee tevens alle idealen, obsessies, alle gevoel in feite, behalve de kalmte die de Kern veroorzaakte? Het had zelfs zijn verlangen om Jo-Beth te vinden in slaap gesust, maar niet voor lang. Dat was nu zijn enige gedachte. Hij ging tussen de overlevenden door op zoek naar haar, maar hij werd teleurgesteld. Ze bevond zich niet onder hen, net zomin als Tommy-Ray. 'Zijn er nog anderen?' vroeg hij aan een zwaargebouwde man die in elkaar gezakt bij het strand zat. 'Anderen?' 'Ja. . . zoals wij.'
De man leek net zo verward en afwezig als het Silksheen-meisje. Hij leek de grootste moeite te hebben om de woorden die hij net had gehoord aan elkaar te rijgen. 'Wij,' zei Howie. 'Van het huis.'
Er kwam geen antwoord. De man bleef hem glazig aanstaren. Howie gaf het op en zocht naar een meer bruikbare bron van informatie, en hij koos uit de overlevenden een man uit die niet over de Kern stond uit te kijken. Hij was het strand een eind opgelopen en staarde naar de damp-toren in de kern van de archipel. De reis had hem niet onberoerd gelaten. Er waren tekenen van het werk van de Kern op zijn hals en gezicht en langs zijn rug. Hij had zijn overhemd uitgetrokken en om zijn linkerhand gebonden. Howie ging naar hem toe. Dit keer uitte hij geen verontschuldiging maar ging recht op zijn doel af:
ik zoek een meisje. Ze is blond. Ongeveer achttien jaar. Heb jij haar gezien?'
'Wat is daar?' antwoordde de man. 'Daar wil ik naar toe. Dat wil ik zien.'
Howie probeerde het nog eens. ik zoek een. . .' ik versta je wel.' 'Heb je haar gezien?' 'Nee.'
'Weet je of er meer overlevenden zijn?'
Het antwoord was hetzelfde eenlettergrepig woord. Howie werd er gek van.
'Wat is er in godsnaam met iedereen aan de hand?' zei hij. De man keek hem aan. Hij had een pokdalig gezicht en was verre van aantrekkelijk, maar hij had een scheve grijns waar de Kern geen invloed op had gehad.
'Wind je maar niet op,' zei hij. 'Dat is het niet waard.' 'Zij wel.'
'Waarom? We zijn toch allemaal dood.'
'Dat hoeft niet. We zijn erin gekomen, we kunnen er ook weer uit.' 'Hoe, bedoel je zwemmend? Vergeet dat maar, hoor. Ik ga die verrekte soep niet meer in. Ik ga liever gewoon dood. Daar ergens.' Hij keek weer naar de bergen. 'Er is daar iets. Iets schitterends. Ik weet het zeker.' 'Misschien.' 'Ga je mee?'
'Klimmen, bedoel je? Dat haal je nooit.'
'Misschien niet helemaal, maar ik kan er wel dichterbij komen. En er wat van opvangen.' Zijn interesse in het raadsel van de toren deed plezierig aan nu iedereen zo traag was en Howie wilde eigenlijk niet bij hem weg. Maar Jo-Beth bevond zich beslist niet op die berg. 'Ga dan een eindje mee,' zei de man. 'Van daaruit kun je beter kijken. Misschien dat je dan je meisje ergens ziet.'
Dat was geen slecht idee, vooral omdat ze zo weinig tijd hadden. De onrust in de lucht werd iedere minuut sterker waar te nemen.
'Ach, waarom niet?' zei Howie.
ik heb zitten kijken hoe je er het gemakkelijkst naar toe kunt. Het lijkt me dat we het beste terug langs het strand kunnen gaan. Trouwens, hoe heet jij? Ik heet Garrett Byrne. Met twee r's. Geen u. Voor het geval dat je het overlijdensbericht moet schrijven. En jij bent?' 'Howie Katz.'
'Ik zou je een hand geven als ik dat kon.' Hij tilde zijn met het overhemd verbonden arm op. ik weet niet wat er daarginds is gebeurd, maar zoiets hoop ik nooit meer mee te maken. Misschien ben ik wel blij, wie zal het zeggen? Het was toch een stom baantje.' 'Wat?'
'Advocaat in de amusementswereld. Ken je die mop? Wat heb je als je drie van dat soort tot aan hun hals in de stront hebt zitten?' 'Nee?'
'Niet genoeg stront.'
Byrne moest hier luidkeels om lachen.
'Wil je het zien?' vroeg hij en ontblootte zijn hand. Die was nauwelijks nog als zodanig te herkennen. De vingers en de duim waren samengesmolten en opgezwollen.
'Weet je,' zei hij. ik denk dat hij probeert een lulletje te worden. Al die jaren heb ik mensen hiermee genaaid, ze gewoon bij d'r achterwerk beetgepakt, en eindelijk heeft hij het begrepen. Het is een lul, dacht je ook niet? Nee, vertel het me maar niet. Laten we maar gaan klimmen.'
Tommy-Ray voelde de droom-zee op zich inwerken terwijl hij dreef, maar hij verspilde geen moeite om te kijken wat voor veranderingen die ten gevolge hadden. Hij liet de woede waardoor die veranderingen werden gevoed hun gang gaan.
Misschien was het dat - de woede en het snot - dat de fantomen terugbracht. Eerst merkte hij ze alleen als herinnering op en zag hij ze in gedachten terwijl ze hem op de grote weg van Baja achtervolgden, hun wolk als blikjes die aan een hondestaart vastzaten. Maar zodra hij dat dacht, vóelde hij het ook. Er blies een koude wind in zijn gezicht, dat was het enige deel van hem dat boven de zee uitstak. Hij wist wat er zou komen. Rook de grafstenen en het stof in de grafstenen. Hij deed zijn ogen niet open voor de zee rondom hem begon te zieden en hij zag de wolk boven hem cirkelen. Het was niet zo'n grote storm als het in Palomo Grove was geweest, de vernietiger van kerken en moeders. Het was een vreemde, dwergachtige spiraal van viezigheid. Maar de zee wist dat het bij hem hoorde en de zee toog aan het werk. Hij voelde zijn ledematen zwaarder worden. Zijn gezicht jeukte verschrikkelijk. Hij wilde zeggen: dit is mijn legioen niet. Geef mij de schuld niet voor wat zij voelen. Maar wat had het voor zin om het te ontkennen? Hij was de Dood-Jongen, nu en voor altijd. De Kern wist dat en werkte in die geest. Hier waren geen leugens. Geen doen alsof. Hij keek hoe de geesten op het oppervlak van de zee neerdaalden en hem omcirkelden. De woede van de ether van de Kern werd heviger. Hij werd als een tolletje rondgedraaid en maakte een neergaande schroefbeweging. Hij probeerde zijn armen boven zijn hoofd te gooien, maar ze waren als lood en de zee sloot zich eenvoudig boven zijn hoofd. Zijn mond stond open. De Kern stroomde zijn keel binnen. In de verwarring drong een simpele wetenschap - aangedragen door de Kern, nu opgeslokt in diens bittere geheel - tot hem door. Dat er zoiets kwaadaardigs op komst was als niemand ooit voor mogelijk had gehouden. Hij voelde het eerst in zijn borst, toen in zijn maag en darmen. En tenslotte in zijn hoofd als een opbloeiende nacht. Deze nacht werd de Iad genoemd en de kilte die hij meedroeg was ongekend voor iedere planeet in het systeem. Zelfs voor de planeten die zover van de zon verwijderd waren dat er geen leven mogelijk was. Nergens heerste zo'n diepe, moorddadige duisternis.
Hij kwam weer naar de oppervlakte. De fantomen waren verdwenen, niet weg, maar in hem, ondergebracht in zijn veranderde anatomie als deel van het werk van de Kern. Hij was er plotseling op een perverse manier blij om. Er zou in de komende nacht geen redding zijn, behalve voor hen die bondgenoten van de Kern waren. Het was maar beter als hij dood was, onder vele doden, dan wanneer hij een hoop koesterde de holocaust te overleven.
Hij haalde diep adem en schoot in de lach en hij legde zijn opnieuw gevormde handen zo zwaar als ze waren tegen zijn gezicht. Eindelijk had ook dat de vorm van zijn geest aangenomen.
Howie en Byrne klommen een paar minuten, maar hoe hoog ze ook kwamen, het beste uitzicht lag altijd boven hen: het schouwspel van de damp-toren. Hoe dichterbij ze kwamen, hoe meer Howie ook in de ban kwam van Byrne's obsessie. Hij begon zich af te vragen, net als toen het tij hem voor het eerst binnen gezichtsafstand van Efemeride had gebracht, wat zich daar voor groots en onbekends schuilhield, zo machtig dat het de slapers van de wereld naar zijn drempel trok. Byrne was in het geheel niet behendig gezien het feit dat hij maar één hand tot zijn beschikking had. Hij gleed herhaaldelijk uit. Maar er kwam geen klacht over zijn lippen, hoewel er bij iedere valpartij meer sneden en krassen op zijn naakte lichaam bij kwamen.
Met zijn ogen op de hoogste toppen van de berg gevestigd zette hij door en het scheen hem niets te interesseren wat voor schade hij aan zichzelf toebracht zolang de afstand tussen hem en het raadsel maar minder werd. Howie had geen problemen om hem bij te houden, maar hij moest om de paar minuten stilstaan om naar beneden te kijken. Er was taal noch teken van Jo-Beth langs het zichtbare deel van het strand en hij begon zich af te vragen of hij er wel wijs aan had gedaan met Byrne mee te gaan. De onderneming werd steeds gevaarlijker naarmate de formaties die ze beklommen steiler werden en de bruggen die ze overstaken, smaller. Onder de bruggen ging het recht naar beneden en meestal was er niets anders dan rots onder hen. Soms echter was er een glimp van de Kern op de bodem van deze afgronden, met net zulke woelige wateren als aan het strand. Er kwamen steeds minder geesten in de lucht, maar toen ze een boog overstaken die niet breder was dan een plank, vloog er een vlucht vlak boven hun hoofden over en Howie zag dat er in elk licht een enkele kronkelende lijn liep, net als een heldere slang. Genesis had niet misleidender kunnen zijn, of misleid, dacht hij, om de slang af te beelden als vermorzeld onder de voet van de mens. De ziel was die slang en hij kon vliegen.
Dat beeld deed hem stilstaan en een beslissing nemen.
ik ga niet verder mee,' zei hij.
Byrne keek naar hem om. 'Waarom niet?'
'Ik kan van hier het strand zien en een veel beter beeld krijg ik toch niet.'
Het vergezicht was verre van allesomvattend, maar hoger klimmen zou het niet noemenswaardig verbeteren. Bovendien werden de gedaantes beneden op het strand zo klein dat ze nauwelijks nog te herkennen waren. Na nog een paar minuten klimmen zou hij Jo-Beth niet meer kunnen onderscheiden van iedere andere willekeurige overlevende.
'Wil je niet zien wat er daarboven is?' vroeg Byrne. 'Ja, natuurlijk wel,' antwoordde Howie. 'Maar een andere keer.' Hij wist dat het antwoord belachelijk was. Er was geen andere keer aan deze kant van zijn doodsbed.
'Dan scheiden onze wegen zich hier,' zei Byrne. Hij verdeed geen adem aan een afscheid, vriendelijk of niet. In plaats daarvan draaide hij zich om en klom verder. Langs zijn lichaam stroomde bloed en zweet en hij struikelde nu bij iedere stap, maar Howie wist dat het tevergeefs zou zijn om te proberen hem ervan af te brengen. Tevergeefs en aanmatigend. Wat voor soort leven hij ook had geleefd - en het klonk alsof er niet te veel menslievendheid in was voorgekomen -
Byrne greep zijn laatste kans om met het heilige in aanraking te komen. Misschien was de dood het onontkoombare gevolg van een dergelijk bezigheid.
Howie keek naar beneden. Hij volgde de kustlijn en keek naar ieder beweginkje. Aan zijn linkerkant lag het stuk strand waar ze vandaan waren gekomen. Hij kon de groep overlevenden vlak langs de zee zien staan; ze stonden er nog net zo gehypnotiseerd. Aan hun rechterkant stond de eenzame figuur van het Silksheen meisje, terwijl de golven tegen het strand sloegen - hij kon het geluid horen van de plek waar hij zich bevond - en ze waren groot genoeg om een bedreiging voor haar te vormen. En achter haar lag het stuk strand waarop hij zelf aan land was gekomen.
Het was niet leeg. Zijn hart sloeg een slag over. Er struikelde iemand over het strand op een veilige afstand van de opdringende zee. Haar haren glansden, dat was zelfs op deze afstand goed te zien. Het kon alleen Jo-Beth maar zijn. Zodra hij haar herkende, hield hij zijn hart vast voor haar. Het leek wel of iedere stap die ze zette haar de grootste moeite kostte.
Hij begon direct af te dalen in de richting waar ze vandaan waren gekomen, waar de rots op verscheidene plaatsen was gemarkeerd door het bloed van Byrne. Op een plek, na tien minuten afdalen, keek hij om of hij de man nog zag, maar de hoogtes waren donker en zover hij kon zien, leeg. De laatste resterende zielen rondom de damp-toren waren verdwenen en met hen ook het meeste licht. Er was geen spoor van Byrne te bekennen.
Toen hij zich omkeerde echter wel. De man stond twee of drie meter lager tegen de helling. Het aantal wonden dat hij had opgelopen op zijn weg naar boven was niets vergeleken met zijn laatste wond. Die liep van de zijkant van zijn hoofd tot aan zijn heup en had de hele inhoud van zijn buik blootgelegd, ik ben gevallen,' zei hij eenvoudig.
'Helemaal hiernaar toe?' vroeg Howie en stond versteld van het feit dat de man nog in staat was om te staan. 'Nee, ik ben zelf naar beneden gekomen.' 'Hoe?'
'Het was niet moeilijk,' antwoordde Byrne. 'Ik ben nu larvae.' 'Wat?'
'Spook. Geest. Ik dacht dat je me misschien had zien vallen.' 'Nee.'
'Het was een lange val, maar het liep goed af. Ik denk niet dat er ooit eerder iemand op Efemeride is doodgegaan. Dat maakt me uniek. Ik kan mijn eigen wetten stellen. Het spel spelen zoals ik wil. En ik
dacht dat ik Howie maar eens moest helpen. . .' Zijn geobsedeerde manier van doen was vervangen door een kalm gezag. 'Je moet opschieten,' zei hij. 'Ik begrijp opeens veel dingen en het nieuws is niet best.' 'Er staat iets te gebeuren, hè?'
'De Iad,' zei Byrne. 'Ze zijn al onderweg over de Kern.' Uitdrukkingen die hij een paar minuten geleden nog niet had gekend, kwamen nu als de gewoonste zaak van de wereld over zijn lippen. 'Wat is de Iad?' vroeg Howie.
'Kwaadaardigheid die zijn weerga niet kent,' zei Byrne, 'dus ik zal niet eens proberen het onder woorden te brengen.' 'En die gaan naar de Kosmos?' 'Ja. Misschien kun jij hen nog voor zijn.' 'Hoe?'
'Vertrouw de zee. Die wil wat jij wil.'
'En dat is?'
'Jou eruit,' zei Byrne. 'Dus ga. En wees snel.'
'Ik begrijp het.'
Byrne ging opzij om Howie langs te laten gaan. Toen hij dat deed, pakte hij Howies arm met zijn goede hand. 'Je zou eens moeten weten. . .' zei hij. 'Wat?'
'Wat er boven op die berg is. Het is geweldig.' 'De moeite waard om voor te sterven?' 'Honderd keer.' Hij liet Howie los. 'Daar ben ik blij om.' 'Als de Kern het overleeft,' zei Byrne. 'Als jij het overleeft, zoek me dan op. Ik wil je nog wel eens spreken.'
'Dat doe ik,' antwoordde Howie en begon de helling zo snel mogelijk af te dalen. Zijn afdaling hield het midden tussen gestuntel en zelfmoord. Hij begon Jo-Beth te roepen zodra hij binnen wat hij dacht gehoorsafstand van haar was. Maar er werd geen acht op zijn roepen geslagen. Het blonde hoofd keek niet op. Misschien was het geluid van de golven te allesoverheersend. Hij kwam op de begane grond aan in een haastige bezwete roes en begon op haar af te rennen. 'Jo-Beth!' Ik ben het! Jo-Beth!'
Dit keer hoorde ze hem en keek op. Zelfs met de paar meter afstand die hen nog van elkaar scheidden, zag hij duidelijk de reden van haar gestrompel. Hij hield vol afschuw zijn pas in, zich er nauwelijks van bewust dat hij dat deed. De Kern was op haar aan het werk geweest. Het gezicht waar hij in Butrick's Steak House op verliefd was geworden, het gezicht van het beeld dat zijn leven bepaalde, was een masker van stekelige groeisels geworden dat ook haar hals en armen verminkte. Er was een ogenblik, een dat hij zichzelf nooit zou vergeven, waarin hij wilde dat ze hem niet zou herkennen en hij in staat zou zijn langs haar te lopen. Maar ze herkende hem wel en de stem die vanachter het masker kwam was dezelfde die hem had verteld dat ze van hem hield.
Nu zei die stem: 'Howie. . . help me. .
Hij breidde zijn armen uit en sloeg ze om haar heen. Haar lichaam was koortsachtig en werd overmand door schokken, 'Ik dacht dat ik je nooit meer zou zien,' zei ze met haar handen voor haar gezicht.
'Ik zou je niet in de steek hebben gelaten.' 'Nu kunnen we tenminste samen doodgaan.' 'Waar is Tommy-Ray?' 'Die is weg,' zei ze.
'Dat moeten wij ook doen,' zei Howie. Zo snel mogelijk van het eiland zien af te komen. Er is iets verschrikkelijks op komst.' Ze waagde het erop hem aan te kijken; haar ogen waren nog net zo helder en blauw als vroeger en staarden hem aan als een schat te midden van rommel. Dat beeld maakte dat hij haar steviger vasthield, alsof hij haar (en zichzelf) moest bewijzen dat hij de gruwel de baas was geworden. Haar schoonheid had hem in het begin van zijn adem beroofd. Nu was die verdwenen. Hij moest nu achter haar afwezigheid kijken naar de Jo-Beth van wie hij later was gaan houden. Dat zou moeilijk worden.
Hij keek de andere kant op, naar de zee. De golven waren oorverdovend.
'We moeten de Kern weer in,' zei hij.
'Dat kunnen we niet!' zei ze. ik kan het niet!'
'Wij hebben geen keus. Het is de enige weg terug.'
'Het heeft me dit aangedaan,' zei ze. ik ben helemaal veranderd!'
'Als we nu niet gaan,' zei Howie, 'gaan we nooit meer. Zo eenvoudig
ligt dat. Dan blijven we hier om te sterven.'
'Misschien is dat wel het beste,' zei ze.
'Hoe kan dat nou?' vroeg Howie. 'Hoe kan doodgaan nu het beste zijn?'
'De zee vermoordt ons toch. Ze trekt ons aan flarden.' 'Niet als we haar vertrouwen en onszelf eraan overgeven.' Hij dacht even aan zijn reis hierheen, drijvend op zijn rug en kijkend naar de lichtjes. Als hij dacht dat de terugtocht net zo donzig zou zijn, hield hij zichzelf voor de gek. De Kern was niet zo'n kalme zee
van zielen meer. Maar wat hadden ze verder voor keus? 'We kunnen blijven,' zei Jo-Beth weer. 'We kunnen hier samen doodgaan. Zelfs als we terug zouden kunnen' - ze begon weer te huilen, - 'zelfs als we terug zouden komen, zou ik toch zo niet willen leven.' 'Hou op met huilen,' zei hij. 'En hou op met praten over doodgaan. We gaan terug naar Palomo Grove. Allebei. Als het al niet voor onszelf is, dan wel om de mensen te waarschuwen.' 'Waarvoor?'
'Er komt iets aan over de Kern. Een invasie. Op weg naar huis. Daarom gaat de zee zo tekeer.'
De onrust in de hemel boven hen was minstens zo gewelddadig. Er was geen teken, noch in de zee, noch in de lucht, van de geestlichtjes. Hoe kostbaar deze ogenblikken op Efemeride ook waren, zelfs de laatste dromer had zijn reis losgelaten en was wakker geworden. Hij was jaloers op het gemak daarvan. Om gewoon in staat te zijn uit deze gruwel te stappen en weer terug in je eigen bed te zijn. Bezweet misschien en beslist bang, maar thuis. Heerlijk weer thuis. Maar dat was niet weggelegd voor mensen zoals zij die zich op verboden gebied gewaagd hadden, mensen van vlees en bloed in een plek van de geest. En evenmin voor de anderen die hier waren, bedacht hij. Hij was hun een waarschuwing schuldig, hoewel hij vermoedde dat zijn woorden wel genegeerd zouden worden. 'Kom mee,' zei hij.
Hij pakte Jo-Beth bij de hand en ze liepen langs het strand waar de rest van de overlevenden bij elkaar zat. Er werd niet veel gepraat, hoewel de man die in de golven had gelegen nu verdwenen was. Howie vermoedde dat de wilde zee daarmee te maken had. Er was hem blijkbaar niemand te hulp gekomen. Ze stonden en zaten nog net zo als tevoren, hun blikken nog steeds op de Kern gericht. Howie ging naar de man die het dichtst bij hem stond; hij was niet veel ouder dan Howie en zijn gezicht was geboren voor de huidige leegte. 'Je moet maken dat je hier wegkomt,' zei hij. 'Dat moeten we allemaal.'
De urgentie in zijn stem haalde de man uit zijn verdoving, maar niet erg. Hij kreeg er een vermoeid: 'O?' uit, maar deed verder niets. 'Je gaat dood als je hier blijft,' vertelde Howie hem, toen verhief hij zijn stem boven de golven en schreeuwde tegen allemaal: 'Jullie gaan dood! Je moet de Kern weer in en teruggaan.' 'Waar?' zei de jongeman. 'Wat bedoel je, waar?' 'Terug waarnaar toe?'
'Naar Palomo Grove. De plaats waar je vandaan komt. Herinner je je dat niet meer?'
Er kwam geen enkel antwoord van hen. Misschien was de enige manier om hen in beweging te krijgen er zelf mee beginnen, bedacht Howie.
'Het is nu of nooit,' zei hij tegen Jo-Beth.
Er was nog steeds weerstand, zowel in de uitdrukking op haar gezicht als in haar lichaam. Hij moest haar stevig bij haar hand pakken en haar naar de golven leiden. 'Vertrouw me,' zei hij.
Ze gaf geen antwoord, maar ze vocht niet om op het strand te blijven. Er was een verontrustende gedweeheid over haar gekomen; hij bedacht dat het enige nut daarvan was dat de Kern haar dan misschien dit keer met rust zou laten. Maar hij was er niet zo van overtuigd dat die hem zo onverschillig zou behandelen. Hij was absoluut niet zo zonder enige emotie als op de heenweg. Er gingen allerlei gevoelens door hem heen en de Kern kon van elk van die gevoelens gebruik maken. Natuurlijk was angst om hun leven de meest overheersende. Maar direct daarna kwam de verwarring over de afkeer van de toestand waarin Jo-Beth verkeerde en zijn schuldgevoel daarover. Maar de boodschap die in de lucht hing, was dringend genoeg om hem ondanks al die angsten het strand af te laten lopen. Het was nu bijna een fysieke sensatie die hem aan een andere periode in zijn leven deed denken en natuurlijk aan een andere plek, een herinnering waar hij niet helemaal de vinger op kon leggen. Het deed er niet toe. De boodschap was niet dubbelzinnig. Wat de Iad ook was, ze brachten pijn, niet uit te houden pijn. Een holocaust waar iedere eigenschap van de dood onderzocht en gevierd zou worden behalve de verdienste van het ophouden, dat zou worden uitgesteld tot de Kosmos een enkele menselijke bevrijdende snik zou zijn. Hij had hier ergens in een klein hoekje van Chicago al iets van geweten. Misschien bewees zijn geest hem een dienst om hem te weigeren zich te herinneren waar. De golven waren op een meter afstand, in langzame bogen omhoog rijzend en bulderend wanneer ze losbarstten. 'Dit is het,' zei hij tegen Jo-Beth.
Haar enige reactie - en daar was hij enorm dankbaar voor - was dat ze zijn hand steviger beetpakte en samen stapten ze weer in de veranderende zee.