6

I

Onderweg van het winkelcentrum naar het huis van Jo-Beth werd het Howie duidelijk waarom ze zo'n ophef had gemaakt over de gebeur­tenissen die tussen hen hadden plaatsgevonden - vooral de ver­schrikking die ze samen in het motel hadden gedeeld - en had ge­dacht dat het het werk van de Duivel was geweest. Het was ook geen wonder als je eraan dacht dat ze naast zo'n bijzonder devote dame werkte in een winkel vol boeken over mormonen. En ook al was het gesprek met Lois Knapp niet zo gemakkelijk geweest, het gaf hem toch een beter idee van de uitdaging waar ze voor stonden dan anders het geval zou zijn geweest. Hij moest Jo-Beth er op de een of andere manier van overtuigen dat er geen misdaad tegen God of de mensheid school in hun wederzijdse genegenheid en dat er niets demonisch in hen was. Maar hij begreep het nu allemaal beter. Maar veel kans om haar te overreden kreeg hij niet. Eerst werd de deur zelfs niet voor hem opengedaan. Hij klopte aan en belde wel vijf minuten lang, want hij wist instinctief dat er iemand thuis moest zijn. Pas toen hij een eindje achteruit de straat inliep en tegen de geblin­deerde ramen begon te schreeuwen, hoorde hij dat de veiligheidsket­ting van de deur werd geschoven. Hij liep terug naar de stoep en vroeg de vrouw die door een kiertje naar hem gluurde, vermoedelijk Joyce McGuire, of hij haar dochter even kon spreken. Normaal ge­sproken stond hij altijd op tamelijk goede voet met moeders. Zijn gestotter en zijn bril gaven hem een aureool van een toegewijde en enigszins beschouwende student, bijzonder veilig gezelschap. Maar Joyce McGuire wist dat uiterlijk slechts schijn was. Haar raad was een herhaling van de woorden van Lois Knapp. 'Je bent hier niet gewenst,' zei ze tegen hem. 'Ga naar huis terug en laat ons met rust.'

'Ik wil alleen maar even met Jo-Beth praten,' zei hij. 'Ze is er toch wel?'

'Ja, ze is er. Maar ze wil je niet zien.'

'Dat wil ik graag van haar zelf horen als u het niet erg vindt.' 'O ja?' zei mevrouw McGuire en tot zijn verbazing maakte ze de deur verder open.

Het was donker binnen vergeleken met het zonlicht op de stoep, maar hij kon Jo-Beth aan het eind van de gang in de duisternis zien staan. Ze had donkere kleren aan, alsof ze op het punt stond naar een begrafenis te gaan. Die kleren gaven haar een nog grauwer uiter­lijk dan ze al had. Alleen haar ogen vingen enig licht van de stoep op. 'Zeg het hem,' zei haar moeder. 'Jo-Beth?' zei Howie. 'Kunnen we praten?'

'Je moet hier niet komen,' zei Jo-Beth zachtjes. Haar stem was nau­welijks te horen. De lucht tussen hen leek doods. 'Het is gevaarlijk voor ons allemaal. Je moet hier nooit meer komen.' 'Maar ik moet je spreken.'

'Het heeft geen zin, Howie. Er zullen verschrikkelijke dingen gebeu­ren als jij niet weggaat.' 'Wat voor dingen?' wilde hij weten. Dit keer gaf haar moeder echter antwoord.

'Jij kunt er ook niets aan doen,' zei de vrouw. Alle felheid waar ze hem mee had opengedaan, was nu verdwenen. 'Niemand geeft jou er­gens de schuld van. Maar je moet begrijpen, Howard, dat wat er met jouw moeder en mij is gebeurd, nog niet voorbij is.' 'Nee, ik ben bang dat ik dat niet begrijp,' antwoordde hij. 'Dat be­grijp ik helemaal niet.'

'Misschien is dat maar beter ook,' was het antwoord. 'Het is beter als je weggaat. Nu meteen.' Ze begon de deur dicht te doen. 'W. . . w. . . w. . .' begon Howie. Maar voor hij wacht kon zeggen, stond hij tegen houten panelen op een afstand van vijf centimeter van zijn neus vandaan te kijken.

'Barst,' kreeg hij er zonder een keer stotteren uit. Hij stond een paar tellen dwaas naar de gesloten deur te kijken terwijl de sloten en kettingen aan de andere kant weer op hun plaats werden geschoven. Een duidelijker nederlaag was nauwelijks denkbaar. Niet alleen mevrouw McGuire had hem weggestuurd, maar Jo-Beth had hetzelfde gedaan. Hij liet het voorlopig maar voor wat het was en ris­keerde geen tweede poging die ook weer zou dreigen te mislukken. Zijn volgende doel stond al vast nog voor hij zich op de stoep had omgedraaid en de straat uitliep.

Ergens in het bos, aan het eind van Palomo Grove, was de plek waar mevrouw McGuire en zijn moeder en de komiek allen hun ongeluk tegemoet waren gegaan. Verkrachting, dood en rampen markeerden die plek. Misschien zou hij daar ergens een deur kunnen vinden die niet zo gemakkelijk werd dichtgedaan.

'Het is het beste,' zei mamma toen het geluid van Howards voetstap­pen wegstierf.

'Dat weet ik wel,' zei Jo-Beth en keek strak naar de vergrendelde deur.

Mamma had gelijk. Als de gebeurtenissen van de vorige nacht - het verschijnen van de Jaff bij hun huis en het beslag dat hij op Tommy- Ray had gelegd - hun iets hadden geleerd, dan wel dat je niemand kon vertrouwen. Een broer die ze had gedacht te kennen en van wie ze had gehouden, was haar door een macht uit het verleden afgeno­men. Howie was ook uit het verleden gekomen, uit mamma's verle­den. Wat er nu in Palomo Grove plaatsvond, daar maakte hij ook deel van uit. Misschien was hij het slachtoffer, misschien wekte hij het op. Maar of hij nu onschuldig was of niet, om hem in huis te ha­len stond gelijk met het kleine beetje hoop op redding dat ze de afge­lopen nacht hadden herwonnen, weer te vernietigen. Maar dat alles maakte het toch niet gemakkelijk om de deur achter hem dicht te zien gaan. Zelfs nu jeukten haar vingers om de grendels terug te schuiven en de deur open te rukken, hem terug te roepen en hem te omhelzen, om hem te vertellen dat alles tussen hen weer goed zou komen. Maar wat was tegenwoordig nog goed? Hun samenzijn, het avontuur te beleven waar haar hart haar hele leven naar had ver­langd, om de jongen te kussen en vast te houden die misschien haar eigen broer was? Of de oude deugden in deze vloed vast te houden, hoewel er met iedere golf weer een werd weggeslagen. Mamma had een antwoord, het antwoord dat ze altijd bij de hand had als ze met tegenslag te kampen had.

'We moeten bidden, Jo-Beth. Bidden om verlossing van onze tegen­standers. En dan zal het Boze onthuld worden, de Heer zal het ver­delgen met de geest van Zijn mond en zal het vernietigen met de glans van Zijn komst. . .'

'Ik zie geen enkele zuiverheid, mamma. Ik geloof niet dat ik die ooit heb gezien.'

'Dat komt wel,' hield mamma aan. 'Alles zal duidelijk worden.' 'Dat denk ik niet,' zei Jo-Beth. Ze zag Tommy-Ray voor zich zoals hij gisteravond laat was thuisgekomen. Toen ze hem over de Jaff had gevraagd, had hij een onschuldige glimlach laten zien en gedaan alsof er niets was gebeurd. Was hij het Kwaad voor wiens ondergang mamma nu zo vurig zat te bidden? Zou de Heer hèm verdelgen met de geest van Zijn mond? Ze hoopte maar van niet. Ze bad niet toen ze met haar moeder knielde om met God te spreken, ze bad dat de Heer Tommy-Ray niet te hard zou veroordelen. En haarzelf evenmin omdat ze het gezicht op de stoep buiten in de zon wilde volgen en weg wilde naar dezelfde plek als waar hij naar toe was gegaan.