9


Na de liefde kwam de slaap. Ze waren het zo niet van plan geweest, maar noch Jo-Beth, noch Howie had erg veel geslapen sinds ze elkaar hadden ontmoet en de grond waarop ze de liefde hadden bedreven was zacht genoeg om hen tot slapen te kunnen verleiden. Zelfs toen de zon achter de bomen verdween, werden ze niet wakker. Toen Jo- Beth eindelijk haar ogen opendeed, was het niet van de kou. Het was een milde nacht. In het gras om hen heen maakten de cicades muziek. Er ging een zachte beweging door de bladeren. Maar onder deze ge­ruststellende beelden en geluiden was een vreemde, niet nader te om­schrijven gloed tussen de bomen.

Ze wekte Howie zo voorzichtig mogelijk. Hij deed zijn ogen vol te­genzin open tot ze het gezicht van degene die hem wekte ontmoetten. 'Hoi,' zei hij. En toen: 'We hebben ons verslapen, hè? Hoe laat is. . .' 'Er is hier iemand, Howie,' fluisterde ze. 'Waar?'

ik zie alleen maar lichten. Overal om ons heen. Kijk maar!' 'Mijn bril,' fluisterde hij. 'Die zit in mijn overhemd.' ik pak hem wel.'

Ze ging op zoek naar de kleren die hij had laten vallen. Hij kneep zijn ogen halfdicht en tuurde in de verte. Naar de barricades die de politie had opgezet en de grot daarachter: de afgrond waar Buddy Vance nog lag. Overdag had het heel natuurlijk geleken om elkaar hier lief te hebben. Nu was het haast pervers. Daar beneden lag ergens een dode man, in dezelfde duisternis als waar hun vaders al die jaren had­den zitten wachten. 'Hier,' zei ze.

Hij schrok op van haar stem. 'Het is niets,' mompelde ze. Hij haalde de bril uit de zak van zijn overhemd en zette hem op. Er waren inder­daad lichtjes tussen de bomen, maar de bron was onduidelijk. Jo-Beth had ook de rest van hun kleren gevonden. Ze begon haar on­dergoed aan te trekken. Zelfs nu zijn hart om een heel andere reden luidkeels klopte, wond haar aanblik hem op. Ze ving zijn blik op en kuste hem.

ik zie niemand,' zei hij met gedempte stem.

'Misschien heb ik me vergist,' zei ze. ik dacht alleen dat ik iemand hoorde.'

'Spoken,' zei hij en kreeg meteen spijt van die gedachte. Hij trok zijn

broek aan. Terwijl hij daarmee bezig was, zag hij weer een beweging tussen de bomen. 'O verdomme,' mompelde hij. ik zie het,' zei ze. Hij keek haar aan. Ze keek in de tegenovergestelde richting. Toen hij haar blik volgde, zag hij daar ook beweging in de schaduw van de bladeren. En nog een beweging. En nog een. 'Ze zitten overal,' zei hij; hij trok zijn overhemd aan en greep naar zijn broek. 'Wie het ook is, ze hebben ons omsingeld.' Hij stond op, zijn benen sliepen en zijn gedachten draaiden wanhopig om het probleem hoe hij zich kon bewapenen. Zou hij een van de barricades omver kunnen gooien en daar een wapen uit maken? Hij keek even naar Jo-Beth die bijna klaar was met aankleden en toen weer naar de bomen.

Er kwam een nietig figuurtje vanonder het loof te voorschijn dat een spoor van fantoomlicht achter zich liet. Plotseling werd alles duide­lijk. Het was Benny Patterson, die Howie voor het laatst in het huis van Lois Knapp had gezien en die hem had nageroepen. Er lag nu geen zonnige glimlach op zijn gezicht. Het gezicht was zelfs enigszins wazig; zijn gelaatstrekken leken op een foto die door een beverige fotograaf waren gemaakt. Het licht van zijn tv-optredens had hij ech­ter wel meegebracht. En dat veroorzaakte de straling tussen de bo­men.

'Howie,' zei hij.

Zijn stem had net als zijn gezicht zijn individualiteit verloren. Hij klampte zich met pijn en moeite aan Benny vast. 'Wat wil je?' vroeg Howie. 'We hebben je gezocht.'

'Kom niet te dicht bij hem,' zei Jo-Beth. 'Het is een van de dromen.' 'Dat weet ik,' zei Howie. 'Ze hebben geen kwaad in de zin, hè Ben­ny?'

'Natuurlijk niet.'

'Komen jullie dan eens te voorschijn,' zei Howie tegen de omringende bomen. 'Ik wil jullie zien.' 

Ze deden wat er van hen verlangd werd en kwamen aan alle kanten vanachter de bomen te voorschijn. Ze hadden allemaal net als Benny een verandering ondergaan sinds hij hen in het huis van de Knapps had gezien, hun scherpe en opgepoetste persoonlijkheden waren uit­gelopen, hun stralende glimlach was aanmerkelijk afgezwakt. Ze le­ken meer op elkaar, vage, lichtgevende vormen die nog een flauw af­treksel waren van hun vroegere identiteit. De fantasie van de inwo­ners van Palomo Grove had hen ontvangen en gevormd, maar zodra ze uit het gezelschap van hun maker waren, gleden ze af naar de mat­tere conditie die ze hadden opgevangen van het licht dat uit Fletchers lichaam was voortgekomen toen hij in het winkelcentrum was gestor­ven. Dit was zijn leger, het waren zijn hallucigenen en Howie hoefde hun niet te vragen wat ze hier kwamen zoeken. Hem. Hij was het ko­nijn dat uit de hoed van Fletcher te voorschijn was gekomen: de meest complete schepping van de goochelaar. Hij was de afgelopen nacht voor hun eisen op de vlucht geslagen, maar ze hadden hem des­ondanks gevonden en waren vastbesloten dat hij hun leider zou zijn. ik weet wat jullie van me willen,' zei hij. 'Maar dat kan ik niet. Dit is niet mijn oorlog.'

Hij nam hen op terwijl hij sprak en herkende ondanks hun verval toch wel gezichten in het licht die hij bij Knapp ook had gezien. Cow­boys, chirurgen, sterren uit melodrama's en quizz-masters. En er wa­ren er ook nog een heleboel die hij niet op het feest bij Lois had ge­zien. Een lichtvorm was van een weerwolf geweest, er waren diverse helden uit stripboeken en weer anderen, vier om precies te zijn, wa­ren incarnaties van Jezus. Twee bloedden een beetje aan hun hoofd, zij, handen en voeten en een stuk of tien zagen eruit of ze zo uit een erotische film waren gestapt; hun lichamen waren nog nat van het zweet en het klaarkomen. Er was een ballonvaarder die paars was ge­kleurd en Tarzan en Krazy Kat. En tussen al deze herkenbare godhe­den bevonden zich privé-verzinsels, hij vermoedde dat die waren op­geroepen van het verlanglijstje van hen die door Fletchers licht waren aangeraakt. Verloren wettige wederhelften die door geen minnaar vervangen konden worden, een gezicht van de een of ander die een dromer op straat was tegengekomen en die hij nooit had durven aan­spreken. Allen, echt of onecht, zwart-wit of in kleur, waren criteria. De meest werkelijke vorm van aanbidding. Er was iets onmiskenbaar ontroerends aan hun bestaan. Maar hij en Jo-Beth waren fanatiek in hun verlangen om zich uit deze oorlog te houden, om datgene dat tussen hen was te behoeden voor bezoedeling of gevaar. En daar was geen verandering in gekomen.

Voor hij het punt kon herhalen, stapte een vrouw van begin middel­bare leeftijd naar voren om iets te zeggen.

'De geest van je vader bevindt zich in ons allen,' zei ze. 'Als jij ons de rug toekeert, keer je hem de rug toe.'

'Zo eenvoudig is dat niet,' zei hij tegen haar. ik moet nog aan andere mensen ook denken.' Hij strekte zijn hand uit naar Jo-Beth die opstond om naast hem te gaan staan. 'Jullie weten wie dit is. Jo-Beth McGuire. De dochter van de Jaff. De vijand van Fletcher en daarom, als ik het goed begrijp, jullie vijand. Maar laat ik je vertellen. . . ze is de eerste mens in mijn leven. . . van wie ik werkelijk houd. Zij gaat voor alles. Voor jullie. Voor Fletcher. En voor deze verrekte oorlog.'

Nu klonk er een derde stem vanuit de gelederen. 'Het was mijn fout. . .'

Howie keek rond en zag de cowboy met de blauwe ogen, de creatie van Mel Knapp die naar voren kwam. ik dacht dat je haar wilde ver­moorden. Daar heb ik spijt van. Als je wilt dat haar niets overkomt. . .'

'Dat haar niets overkomt? Mijn god, zij is wel tien Fletchers waard! Jullie zullen haar op dezelfde waarde moeten schatten als ik doe, an­ders kunnen jullie allemaal verrekken.' Er heerste een nadrukkelijke stilte. 'Niemand spreekt je tegen,' zei Benny. 'Dat hoor ik.' 'Dus je zult ons leiden?' 'O, jezus.'

'De Jaff is op de Heuvel,' zei de vrouw. 'Hij staat op het punt de Kunst te gaan gebruiken.' 'Hoe weet je dat?'

'Wij zijn de geest van Fletcher,' zei de cowboy. 'Wij kennen het doel van de Jaff.'

'En je weet hoe je hem moet tegenhouden?'

'Nee,' kwam de vrouw weer terug. 'Maar we moeten het proberen. De Kern moet behouden blijven.'

'En jullie denken dat ik kan helpen? Ik ben geen bemiddelaar.' 'Wij vervallen,' zei Benny. Zelfs in de korte tijd sinds hij was versche­nen, was hij alweer waziger geworden. 'Worden. . . dromeriger. We hebben iemand nodig die ons hoofd erbij houdt.' 'Hij heeft gelijk,' zei de vrouw. 'Wij zijn hier niet lang. Velen van ons halen de ochtend niet. We moeten doen wat we kunnen. En snel.' Howie zuchtte. Hij had Jo-Beths hand losgelaten toen ze was op­gestaan. Nu pakte hij hem weer beet. 'Wat moet ik doen?' vroeg hij haar. 'Help me.' 'Je moet doen wat je denkt dat goed is.' 'Wat goed is. . .'

'Je hebt eens gezegd dat je wilde dat je Fletcher beter had gekend. Misschien. . .' 'Wat? Zeg het.'

ik heb weinig zin om tegen de Jaff op te trekken met deze. . . dro­men als leger. . . maar misschien is de enige manier om hem trouw te zijn te doen wat hij gedaan zou hebben. En. . . om vrij van hem te zijn.'

Hij keek haar met een nieuw begrip aan. Ze begreep zijn diepste, meest verwarrende roerselen en zag een weg door het net naar een

open plek waar Fletcher en de Jaff geen greep meer op hen zouden hebben. Maar eerst moest een schuld worden afgelost. Zij had be­taald: ze had haar familie voor hem verloren. Nu was het zijn beurt. 'Goed,' zei hij tegen de menigte. 'We gaan de Heuvel op.' Jo-Beth kneep in zijn hand. 'Mooi zo,' zei ze. 'Ga je mee?'

'Ik moet wel.'

'Ik had ons hier zo graag buiten willen houden.'

'Dat gebeurt ook wel,' zei ze. 'En als we er niet aan ontsnappen. . .

als er iets met een van ons gebeurt. . . dan hebben we toch een fijne

tijd gehad.'

'Zeg dat niet.'

'Het is meer dan jouw moeder of de mijne ooit gehad hebben,' hielp ze hem herinneren. 'Meer dan de meeste mensen hier. Howie, ik hou van je.'

Hij legde zijn armen om haar heen en trok haar dicht tegen zich aan, blij dat Fletchers geest, ook al was die er in wel honderden verschil­lende vormen, erbij was om het te zien.

Ik veronderstel dat ik bereid ben om te sterven, dacht hij. Of zo be­reid als ik ooit zal zijn.