11
1
Tesla had geen woord te veel gezegd. Ze was niet bepaald een goede verpleegster, maar wel een heel goede kameraad. Op het ogenblik dat Grillo wakker werd en haar weer in zijn kamer zag, vertelde ze hem in duidelijke termen dat lijden in een vreemd bed de manieren van een martelaar waren en dat het hem maar al te goed afging. Als hij het wilde vermijden om banaal te lijken, moest hij haar toestemming geven hem mee naar L.A. terug te nemen en zijn zieke lichaam daar neer te leggen waar hij gerustgesteld werd door de geur van zijn eigen vuile wasgoed.
'Dat wil ik niet,' protesteerde hij.
'Wat heeft het voor zin om hier te blijven en Abernethy geld te kosten?'
'Dat is tenminste iets.'
'Doe niet zo kinderachtig, Grillo.'
'Ik ben ziek. Dan mag ik kinderachtig doen. Bovendien zit er hier een verhaal.'
'Dat kun je beter thuis schrijven dan hier in een poel van zweet terwijl je jezelf ontzettend zielig vindt.' 'Misschien heb je gelijk.'
'O. . . geeft de grote man waarachtig iets toe?'
'Ik ga vierentwintig uur terug. Pak mijn spullen bij elkaar.'
'Weet je, je ziet eruit als een jochie van dertien,' zei Tesla op zachtere
toon. 'Ik heb je nog nooit zo gezien. Het is wel sexy. Ik mag je wel
als je zo kwetsbaar bent.'
'Dat vertelt ze me nu pas.'
'Oud nieuws. Oud nieuws. Er is een tijd geweest dat ik ik weet niet wat voor je over had gehad 'En nu?'
'Nu mag je van geluk spreken als ik je thuis breng.'
Palomo Grove leek precies op een omgeving voor een post-holocaust filmvoorstelling, dacht Tesla toen ze met Grillo naar de snelweg reed. De straten waren doodstil en er was nergens iemand te bekennen. Ondanks alles wat Grillo haar had verteld over wat hij had gezien of vermoedde dat er aan de hand was, ging ze hier nu weg zonder er ook
maar een glimp van te hebben opgevangen.
Ze had het nog niet gedacht of ze zag zo'n veertig meter voor haar auto uit een jongeman de hoek om strompelen en de weg over rennen. Op de stoep aan de overkant zakte hij in elkaar. Hij viel en leek niet meer overeind te kunnen komen. Door de grote afstand en de slechte verlichting kon ze niet goed zien in wat voor toestand hij verkeerde, maar hij was blijkbaar wel gewond. Er was een misvorming aan zijn lichaam, een bochel of hij was opgezwollen. Ze reed naar hem toe. Naast haar deed Grillo, die op haar aanraden een dutje had gedaan, zijn ogen open. 'Zijn we er al?'
'Die vent. . .' zei ze en knikte in de richting van de gebochelde. 'Moet je kijken. Hij ziet er nog beroerder uit dan jij.' Vanuit haar ooghoek zag ze Grillo recht overeind gaan zitten en door het raam turen.
'Er is iets met zijn rug,' mompelde hij. 'Ik kan het niet zien.'
Ze zette de auto een eindje van de jongen vandaan. Hij probeerde nog steeds overeind te komen, maar het lukte hem niet. Grillo had gelijk, zag ze. Hij droeg inderdaad iets. 'Het is een rugzak,' zei ze. 'Absoluut niet, Tesla,' zei Grillo. Hij pakte de portierkruk. 'Het is iets levends. Wat het ook is, het leeft.' 'Blijf hier,' zei ze tegen hem. 'Ben je gek geworden?'
Toen hij de deur opendeed - die moeite was al voldoende om zijn hoofd weer aan het duizelen te brengen - zag hij Tesla in het handschoenenvakje rommelen. 'Wat ben je kwijt?'
'Toen Yvonne vermoord is. . .' zei ze, al zoekend in de puinhoop, 'heb ik gezworen nooit meer ongewapend van huis te gaan.' 'Wat zeg je?'
Ze haalde een pistool te voorschijn. 'En dat heb ik ook nooit meer gedaan.'
'Weet je wel hoe je zo'n ding moet gebruiken?' 'Ik wou dat ik het niet wist,' zei ze en stapte de auto uit. Grilllo liep achter haar aan. Terwijl hij dat deed, begon de auto door de lichte glooiing van de straat achteruit te rijden. Hij wierp zich over de zitting naar de handrem en die beweging deed zijn hoofd weer tollen. Toen hij zichzelf weer overeind hees, had hij bijna het gevoel of hij op een trip was. Hij voelde zich volkomen gedesoriënteerd. Een paar meter van de plek waar Grillo het portier van de auto vastklampte en wachtte tot het lichte gevoel in zijn hoofd was afgenomen, had Tesla de jongen bijna bereikt. Hij probeerde nog steeds overeind te komen. Ze zei dat hij de moed niet moest opgeven dat er hulp onderweg was, maar het enige dat ze als antwoord kreeg was een blik vol paniek. En daar had hij alle reden toe. Grillo had gelijk gehad. Wat zij voor een rugzak had aangezien, was inderdaad levend. Het was een of ander soort dier (of allerlei soorten dieren). Het glansde terwijl het zich aan hem tegoed deed. 'Wat is dat in godsnaam?' zei ze.
Dit keer gaf hij antwoord: een waarschuwing in de vorm van een gekreun.
'Ga. . . weg. . .' hoorde ze hem zeggen,'. . .ze komen. . . achter me aan
Ze keek even om naar Grillo die nog steeds klappertandend het portier stond vast te houden. Van hem kon ze geen hulp verwachten en de toestand van de jongen leek erger te worden. Met iedere trilling van de ledematen van het parasiet - er waren zoveel ledematen, gewrichten en ogen - vertrok zijn gezicht.
'. . . Ga weg. . .' gromde hij tegen haar, '. . .alsjeblieft. . . in godsnaam. . . ze komen eraan.'
Hij draaide zich duizelig om en keek achterom. Ze keek in dezelfde richting naar de straat waar hij uit te voorschijn was geschoten. Daar zag ze zijn achtervolgers. En toen ze die zag, wilde ze dat ze zijn raad had opgevolgd nog voor ze hem had gezien en alle hoop op de farizeeër te spelen haar onthouden was. Ze kon hem nu niet meer de rug toekeren. Haar ogen - die gewend waren normale dingen te zien - probeerden dat wat ze nu de straat uit zagen komen af te wijzen, maar dat konden ze niet. Het had geen zin de verschrikking te ontkennen. Het was er in al zijn dwaasheid: een bleek, mompelend tij dat op hen afkwam. 'Grillo!' gilde ze. 'Ga de auto in!'
Het bleke leger hoorde haar en verhoogde zijn snelheid. 'De auto, verdomme, Grillo, ga erin!'
Ze zag hem aan het portier frommelen, nauwelijks in staat zijn reacties te coördineren. Een paar van de kleinere dieren aan het hoofd van het tij schuifelden al sneller naar het voertuig toe en lieten hun grotere broers over voor de jongen. Ze waren met voldoende, meer dan voldoende om hen alle drie stukje voor beetje uit elkaar te trekken en daarna de auto nog onder handen te nemen. Ondanks hun aantal (het leek wel of er geen twee hetzelfde waren), hadden ze allemaal dezelfde nietszeggende meedogenloze uitdrukking in hun ogen. Het waren vernielers.
Ze boog zich voorover en nam de jongen bij de arm terwijl ze ervoor zorgde de ledematen van de parasiet zo goed mogelijk te ontwijken. Hij had de jongen te stevig vast om weggetrokken te kunnen worden, zag ze. Iedere poging om hen te scheiden zou alleen maar wraakacties oproepen.
'Sta op,' zei ze tegen hem. 'We kunnen het halen.' 'Ga maar,' mompelde hij. Hij kon niet meer.
'Nee,' zei ze. 'We gaan allebéi. Doe niet zo heldhaftig. We gaan samen.'
Ze keek weer om naar de auto. Grillo was bezig het portier dicht te slaan terwijl de voorlopers van het leger bij de auto kwamen en van het dak op de motorkap sprongen. Een die de afmetingen van een baviaan had, gooide zich herhaaldelijk tegen het raam. De andere trokken aan de portieren en werkten hun tentakels door de raampjes. 'Ze willen mij hebben,' zei de jongen. 'Volgen ze ons als we weggaan?' zei Tesla.
Hij knikte. Terwijl ze hem overeind hees en zijn rechterarm (ze zag dat zijn rechterhand behoorlijk verwond was) over haar schouder trok, vuurde ze een schot af op de naderende massa - ze raakte een van de grotere wezens, maar de snelheid nam niet af - toen draaide ze zich om en begon hen beiden weg te leiden. Hij moest de richting aangeven. 'De Heuvel af,' zei hij. 'Waarom?'
'Het winkelcentrum. . .' Weer vroeg ze: 'Waarom?' 'Daar is mijn. . . vader.'
Ze gaf toe. Ze hoopte alleen maar dat zijn vader, wie dat ook mocht zijn, enige hulp kon bieden, want als ze erin slaagden het leger voor te blijven, zouden ze aan het eind van de race niet bepaald in een goede conditie zijn.
Toen ze de volgende bocht omsloeg, gaf de jongen mompelend instructies en ze hoorde het raampje van de auto breken.
De Jaff en Tommy-Ray met Jo-Beth op sleeptouw stonden tamelijk dicht bij dit drama te kijken hoe Grillo aan het slot van de auto zat te morrelen en er - na de nodige moeite - in slaagde de wagen te starten en weg te rijden terwijl hij de terata die de voorruit hadden vernield van de motorkap gooide. 'Rotzak,' zei Tommy-Ray.
'Het geeft niet,' zei de Jaff. 'Er zijn er nog meer dan genoeg over. Wacht maar op het feest morgen. Daar zal keus te over zijn.' Het wezen was nog niet helemaal dood; het jammerde nog wat.
'Wat doen we ermee?' vroeg Tommy-Ray zich af. 'Hier laten liggen.'
'Een ongeluk,' antwoordde de jongen. 'De mensen zullen hem vinden.'
'Hij overleeft de nacht niet,' antwoordde de Jaff. 'Tegen de tijd dat aaseters hem te pakken hebben gehad, zal niemand meer weten wat het in vredesnaam was.'
'Wat eet dat in godsnaam op?' vroeg Tommy-Ray. 'Alles wat voldoende honger heeft,' was het antwoord van de Jaff. 'En er is altijd wel iets dat voldoende honger heeft. Nietwaar, Jo- Beth?' Het meisje zei niets. Ze huilde niet meer en ze praatte ook niet meer. Ze keek alleen maar met een verdrietige en verwarde uitdrukking op haar gezicht naar haar broer. 'Waar gaat Katz naar toe?' vroeg de Jaff zich hardop af. 'Naar het winkelcentrum,' vertelde Tommy-Ray hem. 'Fletcher roept hem.' 'O ja?'
'Precies zoals ik al hoopte. We vinden de vader op de plaats waar de
zoon terechtkomt.'
'Tenzij de terata hem eerst krijgen.'
'Dat gebeurt niet. Ze hebben hun instructies.'
'En wat gebeurt er met die vrouw die hij bij zich heeft?'
'Wat was dat geweldig, hè? Wat een Samaritaan. Ze gaat natuurlijk
dood, maar wat een manier om te gaan, om zo te kunnen laten zien
hoe goed je bent.'
Die opmerking ontlokte een paar woorden aan het meisje. 'Ben je dan nergens gevoelig voor?' zei ze.
De Jaff bestudeerde haar. 'Voor veel te veel,' zei hij. 'Er is te veel waar ik gevoelig voor ben. De blik op jouw gezicht bijvoorbeeld. De blik op het zijne.' Hij keek naar Tommy-Ray die stond te grijnzen en toen weer naar Jo-Beth. 'En ik wil alleen maar de zaken helder zien. Via het gevoel naar de rédenen.'
'En moet dat op deze manier? Door Howie te vermoorden? Door Palomo Grove te vernielen?'
'Tommy-Ray heeft op zijn manier geleerd het te begrijpen. Dat kun jij ook doen als je me de tijd geeft om het uit te leggen. Het is een lang verhaal. Maar je kunt me vertrouwen als ik zeg dat Fletcher onze vijand is en zijn zoon ook. Ze zouden me vermoorden als ze dat konden. . .' 'Howie niet.'
'O jawel. Hij is de zoon van zijn vader, ook al weet hij dat niet. Er kan binnenkort een prijs gewonnen worden, Jo-Beth. Die heet de Kunst. En als ik die eenmaal heb, zal ik hem delen. .
'Ik wil niets van je hebben.'
'Ik zal je een eiland laten zien. . .'
'Nee.'
'. . .en een kust. . .'
Hij strekte zijn hand uit en streelde haar wang. Tegen beter weten in stelden zijn woorden haar toch gerust. Ze zag nu niet het foetus- hoofd voor zich, maar een gezicht dat misschien wel ontberingen had geleden, erdoor getekend was en daar misschien wijzer door was geworden.
'Later,' zei hij. 'Later zullen we genoeg tijd hebben om te praten. Op dat eiland waar de dag nooit eindigt.'