2
William werd zaterdagochtend door pure honger zijn huis uitgedreven. Hij ging vol tegenzin, net als een man tijdens een orgie die plotseling beseft dat zijn blaas vol is en zich al omkijkend terugtrekt. Maar honger kan, net zomin als de noodzaak om te pissen, eindeloos genegeerd worden en William was erg snel door de magere voorraad van zijn koelkast heen. Aangezien hij in het winkelcentrum werkte, nam hij nooit de moeite om een voorraad aan te leggen, maar nam iedere dag een kwartiertje vrij om over het centrum rond te slenteren en mee te nemen waar hij zin in had. Maar hij had nu al twee dagen niet meer gewinkeld en als hij niet aan de hongerdood ten onder wilde gaan in de schoot van de smaakvolle maar oneetbare luxeartikelen die hij achter de neergelaten jaloezieën van zijn huis had verzameld, moest hij iets eetbaars gaan halen. Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Zijn geest was nog zo vol van het gezelschap waarin hij verkeerde dat het eenvoudige probleem om weer onder de mensen te komen en naar het winkelcentrum te gaan een grote uitdaging vormde. Tot voor kort was zijn leven netjes georganiseerd geweest. De overhemden werden altijd op zondag gewassen en gestreken en op zijn commode gelegd, samen met de vijf strikdasjes die hij bij de kleur van zijn overhemd liet passen. Zijn keuken kon in iedere reclamecampagne worden opgenomen, hij was altijd piekfijn in orde; de gootsteen rook naar citroen, de wasmachine rook naar een naar bloemen geurend wasmiddel en zijn wc naar dennegeur.
Maar Babyion had de zaken nu in handen genomen. Hij had zijn beste pak het laatst gezien bij die roemruchte biseksuele Marcelle St John terwijl zij op een van haar vriendinnen zat. Zijn strikdasjes waren verdwenen tijdens een wedstrijd om te zien wie van de drie erecties de meeste kon dragen, een toernooi dat door Moses Jasper was gewonnen die er zeventien om had kunnen hebben. Maar in plaats van te proberen op te ruimen of een van zijn eigendommen terug te verlangen, besloot William de feestvierders hun gang te laten gaan. Hij rommelde wat in zijn onderste la, vond een sweater en spijkerbroek die hij al jaren niet meer had gedragen, trok die aan en wandelde naar het winkelcentrum.
Rond diezelfde tijd werd Jo-Beth met de ergste kater wakker die ze ooit had gehad. Het was de ergste, want het was haar eerste.
Haar herinneringen aan de afgelopen avond waren tamelijk vaag. Ze herinnerde zich natuurlijk dat ze naar Lois was gegaan en dat Howie was gekomen, maar hoe het allemaal was afgelopen wist ze niet zo goed meer. Ze stond duizelig en misselijk op en liep naar de badkamer.
Mamma hoorde haar rondlopen, kwam boven en stond op haar te
wachten tot ze te voorschijn kwam.
'Gaat het een beetje?' vroeg ze.
'Nee,' gaf Jo-Beth toe. ik voel me verschrikkelijk.'
'Je hebt gisteravond gedronken.'
'Ja,' zei ze. Het had geen zin om het te ontkennen.
'Waar ben je naar toe geweest?'
'Naar Lois.'
'Er is geen alcohol bij Lois in huis,' zei mamma. 'Gisteravond wel. En er was nog veel meer.' 'Lieg niet tegen me, Jo-Beth.' ik lieg niet.'
'Lois zou dat gif nooit in huis halen.'
'Ik geloof dat je haar dat zelf maar moet laten vertellen,' zei Jo-Beth
en tartte mamma's beschuldigende blikken, ik denk dat we allebei
eens naar haar zaak zouden moeten gaan om met haar te praten.'
'Ik ga het huis niet uit,' zei mamma op vlakke toon.
'Je bent eergisteravond de tuin in geweest. Vandaag kun je in de auto
stappen.'
Ze sprak zoals ze nog nooit tegen mamma had gesproken, met een soort woede in haar toon die gedeeltelijk voortkwam uit het feit dat Mamma haar een leugenaarster had genoemd en gedeeltelijk omdat ze zichzelf niet goed meer voor de geest kon halen wat er gisteravond was gebeurd. Wat was er tussen Howie en haar voorgevallen? Hadden ze ruzie gehad? Ze dacht van wel. Ze waren in ieder geval op straat uit elkaar gegaan. . . maar waarom? Dat was ook een reden om met Lois te willen spreken.
'Ik meen wat ik zeg, mamma,' zei ze. 'We gaan samen naar het winkelcentrum.'
'Nee, dat kan ik niet. . .'zei mamma. 'Echt, dat kan ik niet. Ik voel me vandaag zo ziek.' 'Dat is niet waar.' 'Jawel. Mijn buik.
'Néé, mamma. Schei daarmee uit! Je kunt de rest van je leven niet doen alsof je ziek bent, alleen maar omdat je bang bent. Ik ben óók bang, mamma.' 'Het is goed dat je bang bent.' 'Nee, dat is het niet. Dat is precies wat de Jaff wil. Wat hij ons voorhoudt. Die angst binnenin. Ik weet dat omdat ik het in werking heb gezien en het is afschuwelijk.' 'We kunnen bidden. Gebeden. . .'
'. . . zullen ons niet langer helpen. Het heeft de dominee ook niet geholpen. En het zal ons ook niet helpen.' Ze verhief haar stem en dat maakte haar duizelig, maar ze wist dat ze dit moest zeggen voor ze weer helemaal nuchter was en dan weer bang zou zijn om te kwetsen. 'Je hebt altijd gezegd dat het buiten gevaarlijk was,' ging ze verder en ze vond het niet prettig om mamma te kwetsen, zoals ze nu beslist wel deed. Maar ze kon de golf van gevoelens ook niet tegenhouden. 'Nou, het is ook gevaarlijk. Nog gevaarlijker dan je dacht. Maar binnen, mamma. . .' en ze wees op haar borst, doelend op haar hart en op Howie en Tommy-Ray en de angst dat ze beiden waren verloren - binnen is het erger. Nog erger. Om dingen te hebben. . . dromen . . . heel even... en dat ze je dan afgepakt worden voor je er goed vat op hebt.'
'Je praat wartaal, Jo-Beth,' zei mamma.
'Lois zal het je wel vertellen,' antwoordde ze. ik neem je mee naar Lois en dan zal je het wel geloven.'
Howie zat in het raamkozijn en liet het zweet op zijn huid in de zon drogen. De geur was net zo bekend voor hem als zijn gezicht in de spiegel, misschien nog wel bekender, omdat zijn gezicht veranderde en de geur van zijn zweet niet. Hij had de troost van die bekendheid nu hard nodig nu er niets meer zeker in de hele wereld was behalve dat er niets zeker was. Hij kon de weg niet vinden door het woud van gevoelens binnenin hem. Wat de vorige dag nog heel eenvoudig had geleken toen hij in de zon achter het huis had gestaan en Jo-Beth had gekust, was niet meer zo eenvoudig. Fletcher kon dan dood zijn, maar hij had hier in Palomo Grove een erfenis achtergelaten, een erfenis van droom-wezens die hem als een opvolger voor hun verloren schepper zagen. Dat kon hij niet zijn. Zelfs als ze Fletchers gedachten over Jo-Beth lieten varen, en dat zou na de confrontatie van gisteravond heus wel het geval zijn, kon hij hun verwachtingen nog steeds niet waarmaken. Hij was hier als een wanhopige gekomen en was, ook al was het maar kort, een minnaar geworden. Nu wilden ze een generaal van hem maken, ze wilden weten waar ze naar toe moesten marcheren en gevechtsplannen van hem horen. Dat kon hij hun geen van beide geven. Fletcher zou daar ook niet toe in staat zijn geweest. Het leger dat hij had geschapen zou een leider uit hun eigen midden moeten kiezen of uit elkaar gaan.
Hij had die argumenten zo vaak geoefend dat hij ze nu bijna zelf geloofde, of beter, zichzelf er bijna van had overtuigd dat hij geen lafaard was om ze te willen geloven. Maar de truc werkte niet. Hij kwam steeds weer op hetzelfde keiharde feit terug: dat Fletcher hem eens in het bos had gewaarschuwd een keus tussen Jo-Beth en zijn bestemming te maken en hij was na die raad gevlucht. Het directe of indirecte gevolg van zijn vlucht was Fletchers openbare dood geweest. Een laatste wanhopige poging om een beetje hoop voor de toekomst te kunnen hebben. Nu was hij hier, de verloren zoon, en keerde zijn rug bewust naar het produkt van dat offer. En toch, en toch . . . altijd weer dat toch. Als hij zich bij Fletchers leger voegde, maakte hij deel uit van een oorlog waar hij en Jo-Beth alle mogelijke moeite voor hadden gedaan om er niet bij betrokken te raken. Zij zou er een van de vijand worden, eenvoudig vanwege haar geboorte.
Wat hij meer dan wat dan ook wilde - meer nog dan hij op elfjarige leeftijd had gewild dat zijn schaamhaar zou groeien, meer nog dan de motorfiets die hij had gestolen toen hij veertien was, meer nog dan dat zijn moeder weer twee minuten levend werd zodat hij haar kon zeggen hoeveel spijt hij had van alle keren dat hij haar verdriet had gedaan, meer op dit ogenblik dan Jo-Beth - was zekerheid. Om te vernemen welke kant de goede kant was, welke daad de goede en het rustige gevoel te hebben dat als het niet die kant op was of die daad was, dat het dan niet zijn verantwoordelijkheid zou zijn. Maar er was niemand die hem iets vertelde. Hij moest het zelf uitdenken. In de zon zitten en het zweet op zijn huid laten drogen en het zelf uitwerken.
Het was niet zo druk in het winkelcentrum als anders op een zaterdagochtend, maar William kwam desondanks toch nog een stuk of wat bekende mensen tegen op weg naar de supermarkt. Een daarvan was zijn assistente Valerie.
'Hoe gaat het ermee?' wilde ze weten, ik heb je thuis opgebeld, maar
je nam niet op.'
ik ben ziek geweest,' zei hij.
ik heb het kantoor gisteren maar niet geopend. Met alle toestanden eergisteravond. Het was werkelijk een puinhoop. Roger is nog gaan kijken toen het alarm afging.' 'Roger?'
Ze staarde hem aan. 'Ja, Roger.'
'O ja,' zei William en wist niet meer of dat nu de echtgenoot van Valerie was of haar broer of haar hond, en het kon hem ook niet zoveel schelen.
'Hij is ook ziek geweest,' zei ze.
'Je moest maar een paar dagen vrij nemen,' stelde William voor. 'Dat zou wel fijn zijn. Er zijn veel mensen weg op het ogenblik. Heb je dat ook gemerkt? Ze nemen gewoon vrij. We zouden niet veel zaken missen.'
Hij maakte nog een beleefde opmerking over hoe ze zichzelf maar eens moest verwennen en nam toen afscheid.
De achtergrondmuziek in de supermarkt deed hem denken aan wat Hij thuis had achtergelaten: het klonk net als de opgenomen filmmuziek van zijn eerste films, een vloedgolf van naamloze deuntjes die in geen enkele relatie stonden tot de scènes waar ze bij afgespeeld werden. De herinnering maakte dat hij voortmaakte en hij vulde zijn mandje meer volgens zijn instinct dan volgens een bepaald plan. Hij nam niet de moeite voor zijn gasten eten in te slaan. Die voedden elkaar wel.
Hij was niet de enige klant in de winkel die de praktische inkopen negeerde (schoonmaakmiddelen, waspoeder en dat soort dingen) en alleen maar snelklaar-maaltijden en ongezonde kost kocht. Ondanks het feit dat hij nogal afgeleid was, zag hij dat anderen hetzelfde deden als hij, hun mandjes vulden zonder op te letten waarmee eigenlijk, alsof er een nieuwe kook- en eetcultus was ontstaan. Hij zag op de gezichten van de kopers (gezichten die hij eens bij naam had gekend maar die hij zich nu nog maar vaag herinnerde) dezelfde geheimzinnige blik die hij ook zijn hele leven had gehad. Ze deden hun inkopen alsof er deze zaterdagochtend niets bijzonders aan de hand was, maar alles was anders. Ze hadden allemaal geheimen, of bijna allemaal. En zij die het niet hadden, gingen of de stad uit, zoals Valerie, of deden alsof ze het niet merkten en dat was op zichzelf ook een geheim. Toen hij bij de kassa kwam, gooide hij nog twee handen vol chocoladerepen bij zijn inkopen en zag een gezicht dat hij in jaren niet meer had gezien: Joyce McGuire. Ze liep arm in arm met haar dochter Jo- Beth. Als hij hen al ooit samen had gezien, dan was dat geweest voordat Jo-Beth volwassen was geworden. Nu ze zo naast elkaar liepen was de gelijkenis zo sterk dat hij zijn adem inhield. Hij staarde naar hen, niet in staat zijn gedachten terug te roepen van de herinnering aan die dag aan het meer en hoe Joyce eruit had gezien toen ze zich had uitgekleed. Zag haar dochter er ook zo uit onder haar losse kleren, vroeg hij zich af, met kleine donkere tepels en lange door de zon verbrande dijbenen?
Hij besefte plotseling dat hij niet de enige klant was die naar de dames McGuire keek, bijna iedereen deed hetzelfde. En hij twijfelde er evenmin aan dat iedereen min of meer hetzelfde dacht. Dat hier, in levenden lijve een van de eerste aanwijzingen was voor de chaos die langzamerhand over Palomo Grove heerste. Achttien jaar geleden had Joyce McGuire een bevalling gehad onder omstandigheden die meer dan schandalig hadden geleken. Nu kwam ze onder het oog van het publiek terug op het moment dat de meest belachelijke roddels die over het Maagdenverbond de ronde hadden gedaan, waar bleken te zijn. Er liepen dingen door Palomo Grove (of ze loerden eronder) die macht hadden over mindere wezens. Hun invloed had kinderen van vlees en bloed gemaakt in het lichaam van Joyce McGuire. Was dat misschien dezelfde invloed die zijn dromen maakte? Dat waren ook lichamen uit de geest ontsproten.
Hij keek weer naar Joyce en begreep iets van zichzelf dat hij nooit eerder zo had gezien: dat hij en de vrouw (aanschouwer en aanschouwde) voor eeuwig intiem verbonden waren. Dat besef duurde maar heel even; het was te moeilijk om lang vast te kunnen houden. Maar het maakte wel dat hij zijn mandje neerzette en regelrecht naar Joyce McGuire toe liep. Ze zag hem aankomen en er vloog een angstige blik over haar gezicht. Hij glimlachte tegen haar. Ze probeerde weg te lopen, maar haar dochter hield haar hand stevig vast. 'Het is goed, mamma,' hoorde hij haar zeggen. 'Ja...' zei hij en stak zijn hand uit naar Joyce. 'Ja, het is goed. Echt waar. Ik ben. . . zo blij om je te zien.'
De gemeende emotie, zo eenvoudig onder woorden gebracht, leek haar angst te verminderen; de frons werd minder. Ze glimlachte zelfs even.
'William Witt,' zei hij en legde zijn hand op de hare. 'Je herinnert je me vermoedelijk niet meer, maar. . .' ik herinner me je wel,' zei ze. 'Daar ben ik blij om.'
'Zie je nou wel, mamma?' zei Jo-Beth. 'Het is niet zo erg.' ik heb je lang niet meer in de stad gezien,' zei William. ik ben. . . ziek geweest,' zei Joyce. 'En nu?'
Eerst gaf ze geen antwoord. Toen zei ze: ik denk dat ik nu beter ben.'
'Dat is goed nieuws.'
Toen hij sprak, klonk er een snikkend geluid uit een van de gangetjes; Jo-Beth hoorde het beter dan de andere klanten: een vreemde spanning tussen haar moeder en meneer Witt (die ze bijna iedere ochtend zag als ze ging werken maar nog nooit in zo'n wanordelijke toestand had aangetroffen) hield hen volkomen in de ban en iedereen in de rij deed zorgvuldig zijn best het niet op te merken. Ze liet mamma's arm los en ging op zoek naar het geluid, van het ene gangetje naar het andere lopend in de richting van het huilen tot ze de bron had gevonden. Ruth Gilford, de receptioniste in het kantoortje van mamma's arts die Jo-Beth wel kende, stond voor een rek cornflakes, een doos van het ene merk in haar linkerhand en van een ander merk in haar rechterhand, en de tranen stroomden over haar wangen. Het karretje naast haar was hoog opgestapeld met nog meer dozen cornflakes alsof ze er overal een van had genomen terwijl ze door het gangetje liep. 'Mevrouw Gilford?' vroeg Jo-Beth.
De vrouw hield niet op met huilen, maar ze probeerde door haar tranen heen te praten en het resultaat was een tamelijk waterig en af en toe niet helemaal te volgen monoloog.
'. . . weet ik niet wat hij wil. . .' leek ze te zeggen. '. . . na al die tijd. . . weet ik niet wat hij wil. . .'
'Kan ik u helpen?' zei Jo-Beth. 'Zal ik u naar huis brengen?'
Bij het woord huis draaide Ruth zich om naar Jo-Beth en probeerde
haar door haar tranen aan te kijken.
'. . . ik weet niet wat hij wil. . .' zei ze weer.
'Wie?' vroeg Jo-Beth.
'. . . al die jaren... en hij heeft iets voor me verborgen gehouden. . .' 'Uw man?'
'. . . ik zei niets, maar ik wist... ik heb altijd geweten. . . dat hij van iemand anders hield... en nu is ze in huis. . .' De tranen kwamen opnieuw opzetten. Jo-Beth ging naar haar toe en haalde heel voorzichtig de pakken cornflakes uit haar handen en zette ze weer op de plank terug. Nu ze haar houvast kwijt was, greep Ruth Gilford Jo-Beth met twee handen stevig beet. '. . . help me. . .' zei ze. 'Natuurlijk.'
ik wil niet naar huis. Hij heeft daar iemand.' 'Goed. We gaan niet als u dat niet wilt.'
Ze begon de vrouw bij de schappen met cornflakes weg te voeren. Toen ze onder die invloed weg was, werd haar kwelling wat minder. 'Jij bent toch Jo-Beth, hè?' kreeg ze eruit.
'Ja.'
'Wil je me naar mijn auto brengen... ik denk niet dat ik daar alleen kan komen.'
'We gaan ernaar toe, het komt wel goed,' stelde Jo-Beth haar gerust en ging rechts van Ruth lopen om haar te beschermen tegen de blikken van de rij wachtenden als die zouden kijken. Ze twijfelde eraan of dat trouwens wel het geval zou zijn. De instorting van Ruth Gilford was te onbetekenend om veel aandacht op te eisen; het zou hen allen veel te veel herinneren aan hun eigen geheimen die ze met moeite stilhielden.
Mamma stond met William Witt bij de deur. Jo-Beth besloot om voorstellen achterwege te laten; Ruth was niet in staat om te reageren en ze zou tegen mamma zeggen dat ze haar wel in de boekwinkel zou zien die nog steeds gesloten was geweest toen ze waren aangekomen. Voor de eerste keer in haar leven was Lois laat met opengaan. Maar mamma nam zelf het initiatief.
'Meneer Witt brengt me thuis, Jo-Beth,' zei ze. 'Maak je maar geen zorgen over mij.'
Jo-Beth keek even naar Witt, die een uitdrukking op zijn gezicht had alsof hij gehypnotiseerd was.
'Weet je dat zeker?' zei ze. Het was nooit zo tot haar doorgedrongen, maar misschien was de altijd vleierige meneer Witt wel het type waar mamma haar al die jaren voor had gewaarschuwd. Het stille type wiens diepe geheimen het meest verderfelijk waren. Maar mamma stond erop en zwaaide Jo-Beth bijna terloops weg. Stapel, dacht Jo-Beth terwijl ze Ruth naar de auto bracht, de hele wereld is gek geworden. Mensen veranderen per seconde, alsof de manier waarop ze al die jaren hadden gefunctioneerd alleen maar doen alsof was geweest: mamma ziek, meneer Witt keurig netjes, Ruth Gilford haar plicht vervullend. Vonden ze zichzelf gewoon opnieuw uit of waren ze altijd zo geweest?
Toen ze bij de auto kwamen, werd Ruth Gilford overvallen door een huilbui die nog heviger en wanhopiger was en ze probeerde naar de supermarkt terug te gaan omdat ze vastbesloten was naar huis terug te keren zonder cornflakes. Jo-Beth overtuigde haar voorzichtig van het tegenovergestelde en bood aan haar naar huis te brengen. Het aanbod werd dankbaar aanvaard.
Terwijl Jo-Beth Ruth naar huis reed, dacht ze aan mamma, maar ze werden letterlijk ingehaald toen een konvooi van vier zwarte limousines langs hen zoefde en de Heuvel opreed. Hun aanwezigheid was zo volkomen vreemd dat ze net zo goed uit een andere wereld gekomen konden zijn.
Bezoekers, dacht ze. Alsof ze er nog niet voldoende hadden.