4
De reis terug naar Palomo Grove had voor Tommy-Ray lang geduurd maar voor Tesla en Raul nog langer, hoewel om minder metafysische redenen. Ten eerste ging Tesla's auto niet zo snel, die had tijdens de heenreis al aardig wat te verduren gehad en nu was hij bijna op. Een andere reden was dat ook al was ze door de aanraking van de Nuntius van bijna-dood herrezen, ze toch nawerkingen had die ze niet helemaal begreep, tot ze over de grens waren. Hoewel ze met een solide auto over een solide weg reed, was haar greep op al die stevigheid niet meer wat hij geweest was. Ze voelde dat er vanuit andere plaatsen en andere geestelijke niveaus aan haar werd getrokken. Ze was in het verleden wel eens high van drugs en drank geweest, maar wat ze nu meemaakte, was een veel wildere rit. Het was alsof haar hersens vanuit haar geheugen fragmenten hadden opgeroepen van iedere trip die ze ooit had gemaakt, van iedere hallucinatie en iedere kalmeringspil, die nu weer aan haar voorbijtrokken en haar alles in een flits lieten zien. Het ene ogenblik wist ze dat ze als een halve wilde op en neer danste (ze kon zichzelf horen, als een andere stem), het volgende dreef ze in de ether en loste de weg voor haar op, dan weer waren haar gedachten smeriger dan de ondergrondse in New York en ze kon niet meer doen om een eind te maken aan de hele verdomde onzin dan een draai aan het stuurwiel te geven. Daartussenin lagen twee feiten. Het ene was dat Raul naast haar zat en het dashboard zo stevig beetpakte dat het wit van zijn knokkels zichtbaar werd en zijn angst te ruiken was. Het andere was de plek die ze in haar Nuntiale droom had bezocht, de Lus van Kissoon. Hoewel die niet zo echt leek als de auto waar ze in reed en de geur van Raul, was hij daarom niet minder hardnekkig. Ze droeg de herinnering iedere kilometer die ze aflegde met zich mee. Trinity had hij het genoemd en het, of Kissoon zelf, wilde haar terug. Ze voelde het aan haar trekken, bijna als een fysiek verlangen naar haar. Maar ze weerstond het, hoewel niet van harte. Hoewel ze blij was weer terug te zijn in het land der levenden, had alles wat ze had gezien en gehoord in haar tijd in Trinity haar bijna verlangend gemaakt om terug te gaan. Hoe meer ze tegenwerkte, hoe vermoeider ze werd en tegen de tijd dat ze de buitenwijken van L.A. bereikten, voelde ze zich als iemand die te weinig had geslapen. Ze had dromen in wakende toestand die ieder ogenblik in de werkelijkheid dreigden te exploderen.
'We stoppen hier even,' zei ze tegen Raul en was zich bewust van het feit dat ze onduidelijk sprak. 'Of ik laat ons allebei nog verongelukken.'
'Wil je slapen?'
ik weet het niet,' zei ze, bang dat slaap minstens zoveel problemen
zou oproepen als oplossen. 'Even rusten, denk ik. Wat koffie drinken
en mijn geest tot rust brengen.'
'Hier?' vroeg Raul.
'Hier wat?'
'Wil je hier stilstaan?'
'Nee,' zei ze. 'We gaan terug naar mijn flat. Dat is een half uurtje hier vandaan. Als we vliegen tenminste. . .'
Dat doe je, kind, zei haar geest en dat houdt vermoedelijk nooit meer op. Je bent een herrezen vrouw. Wat verwacht je anders? Dat het leven gewoon verder aan rommelt alsof er niets is gebeurd? Vergeet het maar. Het zal nooit meer hetzelfde zijn.
Maar West-Hollywood was niet veranderd: nog steeds speelgoedstad vol opsmuk, de bars, de stijlvolle winkels waar ze haar sieraden kocht. Ze sloeg bij Santa Monica linksaf naar North Huntley Drive waar ze de vijf jaar dat ze in L.A. zat, had gewoond. Het was nu bijna twaalf uur 's middags en de stad was bedekt met smog. Ze parkeerde de auto in de garage onder het gebouw en nam Raul mee naar flat V. De ramen van haar benedenbuurman, een zuur, introvert mannetje met wie ze nooit meer dan drie zinnen had gewisseld in de vijf jaar dat ze er had gewoond waarvan twee scheldend, stonden open en hij zag haar ongetwijfeld langslopen. Ze vermoedde dat het hem maximaal ongeveer twintig minuten zou kosten om iedereen in de flat te vertellen dat die eenzame ziel terug was, er verschrikkelijk uitzag en vergezeld was door Quasimodo. Dat moest dan maar. Ze had andere dingen aan haar hoofd, zoals hoe ze de sleutel in het slot moest krijgen, een truc die haar verbaasde zintuigen herhaaldelijk te slim af was. Raul kwam te hulp, nam de sleutel uit haar trillende vingers en liet hen beiden binnen. De flat was zoals altijd een puinhoop. Ze liet de deur wagenwijd openstaan, deed de ramen open om wat minder bedompte lucht binnen te laten en liet toen haar automatisch antwoordapparaat afspelen. Haar agent had twee keer gebeld, beide keren om te vertellen dat er geen verder nieuws was wat betreft het verworpen scenario. Saralyn had gebeld en gevraagd of zij wist waar Grillo was. Daarna kwam Tesla's moeder, wier verhaal meer een litanie van zondes was dan een boodschap: misdaden die de wereld in het algemeen en haar vader in het bijzonder tegen haar had begaan. En tot slot was er een boodschap van Mickey de Falco die wat bijverdiende door orgastisch gekreun ten beste te geven bij neukfilms en een partner nodig had voor een feestje. Op de achtergrond klonk een blaffende hond. 'En zodra je terug bent,' zei hij, 'kom dan en haal die verrekte hond van je voor hij alles opvreet wat hier los en vast zit.' Ze zag Raul met onverhulde verbijstering naar haar kijken terwijl ze naar haar telefoontjes luisterde.
'Mijn collega's,' zei ze toen Mickey afscheid had genomen, 'Is het geen fraai stel? Luister, ik ga wat liggen. Het is duidelijk waar alles is, hè? Koelkast, tv, toilet. Maak me over een uur wakker, wil je?' 'Een uur.'
ik zou wel thee willen, maar daar is geen tijd voor.' Ze staarde hem aan en hij staarde terug. 'Ben ik duidelijk?' 'Ja. . .' antwoordde hij weifelend. 'Praat ik onduidelijk?'
'Ja.'
'Dat dacht ik al. Goed. Maak het jezelf gemakkelijk. Neem de telefoon niet op. Ik zie je over een uurtje.'
Ze strompelde naar de badkamer zonder op verdere bevestiging van zijn kant te wachten, kleedde zich helemaal uit, overwoog een douche maar stelde zich tevreden met wat koud water in haar gezicht, op haar borsten en armen en ging toen naar haar slaapkamer. De kamer was heet, maar ze keek wel uit om haar raam open te zetten. Als haar buurman Ron wakker werd, en dat was meestal rond deze tijd, zou hij onmiddellijk opera's gaan spelen. Ze had dus de keus tussen de hitte in de kamer of Lucia di Lammermoor. Ze gaf de voorkeur aan zweten.
Aan zijn lot overgelaten vond Raul wat eetbaars in de koelkast, nam het mee naar het openstaande raam, ging zitten en begon te beven. Hij kon zich niet herinneren zo bang geweest te zijn sinds de dag dat Fletchers krankzinnigheid was begonnen. Nu en toen waren de regels van de wereld plotseling zonder enige waarschuwing vooraf veranderd en hij wist niet meer wat zijn doel was. Diep in zijn hart had hij de hoop al opgegeven om Fletcher ooit weer te zien. De tempel die hij op de missiepost had gehad was in het begin een soort reddingsboei geweest, maar was later een herinnering geworden. Hij had verwacht daar te sterven, alleen,en tot het laatst toe ontzien als een halve gare wat hij in veel opzichten ook was. Hij kon nauwelijks schrijven, behalve zijn eigen naam. Hij kon niet lezen. De meeste voorwerpen in de kamer van de vrouw vormden een volslagen raadsel voor hem. Hij voelde zich verloren.
Een gil uit de kamer naast hem scheurde hem uit zijn zelf-medelijden.
'Tesla?' riep hij.
Er kwam geen samenhangend antwoord, alleen verdere gedempte kreten. Hij stond op en liep in de richting van het geluid. De deur naar haar slaapkamer was dicht. Hij aarzelde met zijn hand op de knop, een beetje zenuwachtig om daar naar binnen te gaan zonder ertoe uitgenodigd te zijn. Toen hoorde hij weer kreten. Hij duwde de deur open.
Hij had nog nooit een naakte vrouw gezien. Het beeld van Tesla die daar nonchalant op bed lag, deed hem als aan de grond genageld blijven staan. Haar armen lagen langs haar zijden en grepen het laken vast, haar hoofd rolde heen en weer. Maar er was iets mistigs met haar lichaam dat hem deed denken aan wat er op de weg onder de missiepost was gebeurd. Ze ging weer bij hem weg. Terug naar de Lus. Haar geschreeuw veranderde in gekreun. En niet van plezier. Ze ging tegen haar zin.
Hij riep haar naam weer, heel hard. Plotseling zat ze met grote ogen recht overeind naar hem te staren.
'Jezus!' zei ze. Ze hijgde alsof ze net gerend had. 'Jezus. Jezus. Jezus.' 'Je schreeuwde. . .' zei hij in een poging om zijn aanwezigheid in haar kamer te verklaren.
Nu pas scheen ze zich hun situatie te realiseren, haar naaktheid, zijn
verlegen geboeidheid daardoor. Ze greep een laken en begon het om
zich heen te trekken, maar haar bedoeling werd afgeleid door de net
opgedane ervaringen.
ik was daar,' zei ze.
'Dat weet ik.'
'Trinity. Kissoons Lus.'
Toen ze langs de kust waren teruggereden, had ze haar best gedaan om hem het visioen dat ze had gehad terwijl de Nuntius haar weer beter maakte, uit te leggen. Ze had dat gedaan om de details in haar hoofd te verankeren en ook om een herhaling op een afstand te houden door de herinnering uit de geheime cellen van haar innerlijke leven te halen en tot een gedeelde ervaring te maken. Ze had een weerzinwekkend beeld van Kissoon afgeschilderd. 'Heb je hem gezien?' vroeg Raul.
ik ben niet naar de hut gegaan,' antwoordde ze. 'Maar dat wil hij
wel. Ik voel hem trékken.' Ze legde een hand op haar buik. ik kan
het nu nog voelen, Raul.'
ik ben hier,' zei hij. ik laat je niet gaan.'
'Dat weer ik en daar ben ik blij om.'
Ze strekte haar arm uit. 'Hou mijn hand vast, wil je?' Hij kwam weifelend naar haar bed toe. 'Alsjeblieft,' zei ze. Hij deed het. ik heb die
stad weer gezien,' ging ze verder. 'Ze lijkt zo echt, alleen is er niemand, helemaal niemand. Het is. . . het is net een toneel. . . net of er iets opgevoerd gaat worden.' 'Opgevoerd?'
'Het klinkt raar, dat weet ik, maar ik vertel je alleen wat ik voel. Er gaat daar iets verschrikkelijks gebeuren, Raul. Het ergste dat je je maar kunt voorstellen.' 'Weet je niet wat?'
'Of misschien is het al gebeurd,' zei ze. 'Misschien is dat de reden dat er niemand in de stad is. Nee. Nee. Dat is het niet. Het is nog niet voorbij, het staat op het punt te gebeuren.'
Ze probeerde zo duidelijk mogelijk te zijn over haar verwarring. Als zij een toneel in die stad zou opzetten voor een film, wat zou het dan zijn? Een vuurgevecht in de hoofdstraat? De bewoners opgesloten achter hun deuren terwijl de Witte Hoeden en de Zwarte Hoeden het uitvochten? Mogelijk. Of een verlaten stad omdat er een of ander stampend monster aan de horizon verscheen? Het klassieke monsterscenario uit de jaren vijftig: een wezen dat was gewekt door kernreacties. . .
'Dat komt er dichterbij,' zei ze. 'Wat?'
'Misschien een film over een dinosaurus. Of een enorme tarantula. Ik weet het niet. Maar dat zit er wel dicht in de buurt. Christus, wat is dat frustrerend! Ik weet iets over die stad, Raul, en ik kan er niet opkomen.'
Vanuit de flat naast haar kwamen flarden van Donizetti's meesterwerk. Ze kende het zo goed dat ze het zelf had kunnen zingen als ze er de stem voor had gehad.
ik ga koffie zetten,' zei ze. 'Word ik misschien een beetje wakker van. Wil jij even bij Ron wat melk gaan vragen?' 'Ja. Natuurlijk.'
'Zeg maar dat je een vriend van mij bent.'
Raul stond van het bed op en maakte zijn hand los uit de hare. 'Ron woont op nummer vier,' riep ze hem achterna, toen ging ze naar de badkamer en nam haar uitgestelde douche, terwijl ze met haar gedachten nog steeds bij het probleem van de stad was. Tegen de tijd dat ze zichzelf schoon had gespoeld en een fris T-shirt en een broek had gevonden, was Raul weer terug in de flat en ging de telefoon. Aan de andere kant klonk een opera en Ron.
'Waar heb je hem vandaan?' wilde hij weten. 'En heeft hij een broer?' 'Kan een mens hier dan werkelijk geen privé-leven hebben?' vroeg ze. 'Dan had je hem niet moeten laten paraderen, meisje,' antwoordde Ron. 'Wat doet hij voor de kost, vrachtwagenchauffeur? Marine? Hij is zo brééd.' 'Dat is zo.'
'Als hij zich gaat vervelen, stuur hem dan naar nummer vier.' 'Hij zal zich gevleid voelen,' zei Tesla en legde de hoorn neer. 'Je hebt een bewonderaar,' zei ze tegen Raul. 'Ron vindt je erg sexy.' Raul keek minder verbijsterd dan ze had verwacht. Daarom vroeg ze: 'Denk je dat er homo-apen zijn?' 'Homo?'
'Homoseksueel. Mannen die liever met mannen naar bed gaan.' is Ron. . . ?'
is Ron?' Ze lachte. 'Ja, dat is Ron. Zo'n buurt is dat hier. Daarom vind ik het hier prettig.'
Ze schonk koffiepoeder in de kopjes. Toen de korrels van de lepel gleden, voelde ze het visioen weer opkomen.
Ze liet de lepel vallen en draaide zich om naar Raul. Hij was heel ver weg, aan de andere kant van de kamer die zich langzaam met stof vulde.
'Raul?' zei ze.
'Wat is er?' hoorde ze hem zeggen. Ze zag het meer dan dat ze het hoorde; het volume in de wereld waar ze uit weggleed was teruggedraaid tot nul. Ze raakte in paniek en strekte beide handen naar Raul uit.
'Laat me niet gaan. . .' schreeuwde ze tegen hem. ' . . ik wil niet! Ik wil niet. . . '
Toen kwam het stof tussen hen en wiste hem uit. Haar handen misten de zijne in de storm en in plaats van in zijn stevige omhelzing te vallen, werd ze weer in de woestijn teruggegooid en bewoog ze zich met een vaart voort over wat inmiddels bekend terrein voor haar was geworden. Dezelfde verschroeide aarde waar ze al twee keer eerder was geweest.
Haar flat was helemaal verdwenen. Ze was weer terug in de Lus en op weg door de stad. Boven haar had de hemel een verfijnde tint, net als de eerste keer toen ze hier was geweest. De zon stond nog steeds dicht aan de horizon. Ze kon haar in tegenstelling tot de vorige keer, goed zien. Meer dan dat zelfs, ze kon ernaar blijven staren zonder een andere kant op te hoeven kijken. Ze kon zelfs details zien. Er sprongen zonneflitsen van de rand, alsof ze uit vuurwapens te voorschijn schoten. Een stel zonnevlekken gaf het brandende gezicht aan. Toen ze weer naar de grond keek, zag ze de stad naderen. Nu de eerste paniekreactie voorbij was, begon ze de gebeurtenissen weer onder controle te krijgen en stond het haar helder voor de geest dat ze hier al voor de derde keer was en dat ze nu wel in staat moest zijn de truc door te hebben. Ze legde haar wil op vaart te minderen en merkte dat ze inderdaad langzamer ging, zodat ze meer tijd kreeg de stad te bestuderen toen ze bij de stadsgrenzen kwam. Haar instinct was geweest, toen ze haar voor de eerste keer had gezien, dat het een soort namaak moest zijn. Dat instinct werd nu bevestigd. De planken van de huizen waren niet door het weer aangetast, ze waren niet eens geverfd. Er hingen geen gordijnen voor de ramen, er zaten geen sleutelgaten in de deuren. En wat was er achter die deuren en ramen? Ze droeg haar zwevende lichaam op om in de richting van een die huizen te gaan en door een raam te gluren. Het dak van het huis was niet netjes afgewerkt en er scheen zonlicht door de kieren dat het huis van binnen verlichtte. Het was leeg. Er stonden geen meubels en er was geen enkel teken van enige menselijke bewoning. De ruimte was niet eens in kamers onderverdeeld. Het gebouw was puur namaak. En als dat in dit huis zo was, dan zou het volgende ook wel zo zijn. Ze ging langs de rij om haar vermoeden bevestigd te zien. Het was totaal verlaten.
Toen ze van het tweede raam terugging, voelde ze een ruk zoals ze in de andere wereld ook had ervaren: Kissoon probeerde haar bij zich te halen. Ze hoopte maar dat Raul nu niet probeerde om haar te wekken, als haar lichaam tenminste nog in de wereld was die ze had verlaten. Hoewel ze bang was voor deze stad en een diepliggende achterdocht koesterde voor de man die haar hiernaar toe had geroepen, was haar nieuwsgierigheid nog groter. De raadsels in Palomo Grove waren vreemd genoeg geweest, maar niets in Fletchers haastige overdracht van informatie over de Jaff, de Kunst en de Kern was zover gegaan dat het deze stad verklaarde. Ze twijfelde er niet aan dat het antwoord bij Kissoon lag. Als ze tussen de regels door zocht, ook al was dat nog zo onduidelijk, zou ze het misschien begrijpen. En met haar nieuwe zelfvertrouwen in deze situatie voelde ze zich prettiger bij de gedachte weer naar de hut te gaan. Als hij haar bedreigde of weer een erectie kreeg, zou ze gewoon weggaan. Het lag nu binnen haar macht. Alles lag binnen haar macht als ze het maar genoeg wilde. Als ze naar de zon kon kijken en niet verblind raakte, dan kon ze zeker met Kissoon onderhandelen over zijn klunzige aanspraken op haar lichaam.
Ze ging verder door de stad, zich ervan bewust dat ze nu liep, of in ieder geval had besloten zichzelf die illusie te geven. Nu ze zich eenmaal hier had voorgesteld, net als de eerste keer, was het proces van het meenemen van haar lichaam een automatisme geworden. Ze kon de grond onder haar voeten niet voelen en het lopen zelf kostte haar ook niet de minste moeite, maar ze had het idee van hoe ze vooruit moest komen vanuit de andere wereld met zich meegenomen en gebruikte dat hier ook, of dat nu nodig was of niet. Vermoedelijk niet. Vermoedelijk was de gedachte alleen al voldoende om haar rond te laten jagen. Maar ze redeneerde dat hoe meer ze de werkelijkheid die zij kende hiernaar toe bracht, hoe meer controle ze erover had. Ze zou hier te werk gaan op de manier zoals ze tot nu toe had aangenomen dat het altijd overal zo gebeurde. Toen het veranderde, had ze geweten dat het niet door haar kwam. Hoe vaker ze dit dacht, hoe veiliger ze zich voelde. Haar schaduw werd langer onder haar en de grond onder haar voeten begon warm aan te voelen. En ook al was het geruststellend dat ze hier natuurlijke gevoelens had, Kissoon was het er blijkbaar niet mee eens. Ze voelde zijn greep op haar sterker worden, alsof hij zijn hand in haar buik had gelegd en eraan trok.
'Goed. . .' mompelde ze. . .Ik kom al. Maar wanneer ik dat wil, niet wanneer jij dat wilt.'
Ze merkte dat er meer dan gewicht en schaduw in de situatie was; er was ook geur en geluid. Dit waren beide verrassingen en beide waren niet erg welkom. Haar neusgaten kregen een misselijk makende geur voorgeschoteld; ze wist dat dit de geur van rottend vlees was. Lag er ergens op straat een dood dier? Ze zag niets. Maar het geluid gaf haar een tweede aanwijzing. Haar oren waren scherper dan ze ooit eerder waren geweest en die namen het geluid van insekten waar. Ze luisterde ingespannen om de richting te ontdekken en ze raadde ernaar toen ze de straat overstak naar een ander huis. Het was net zo kleurloos als de huizen waar ze door de ramen had gegluurd, maar dit huis was niet leeg. De versterkte stank en het geluid van binnen bevestigden dat gevoel. Er was iets doods achter die gewone fa- çade. Ze begon allerlei dingen te vermoeden. De stank werd overweldigend en haar maag draaide zich om. Maar ze moest zien welk geheim deze stad verborg.
Halverwege de straat voelde ze weer een ruk in haar buik. Ze verzette zich ertegen, maar Kissoon was niet zo snel geneigd om haar dit keer los te laten. Hij trok weer, harder, en nu merkte ze dat ze tegen haar wil langs de straat gleed. Het ene ogenblik was ze op weg naar het Huis van de Stank, het volgende ogenblik was ze er twintig meter vandaan.
Ik wil kijken!' zei ze door haar op elkaar geklemde kaken en hoopte dat Kissoon haar kon horen.
Zelfs al kon hij dat niet, hij trok toch weer. Maar dit keer was ze erop voorbereid en vocht er hard tegen, en ze eiste dat haar lichaam weer naar het Huis terugging.
'Je zult me niet tegenhouden,' zei ze.
Het antwoord was nog een ruk en ondanks al haar pogingen haalde hij haar toch steeds verder bij haar doel vandaan. 'Barst toch!' schreeuwde ze luidkeels, woedend om zijn tussenkomst. Hij gespilde haar woede tegen haar. Terwijl ze daar energie aan verdeed, trok hij weer en dit keer slaagde hij erin haar bijna de hele straat door te trekken naar het andere eind van de stad. Ze kon niets doen om hem tegen te houden. Hij was eenvoudig sterker dan zij en hoe woedender ze werd, hoe sterker zijn greep werd, tot ze weer met een zekere snelheid van het stadje weg bewoog. Net zo ten prooi aan zijn oproep als de eerste keer toen ze in de Lus was geweest. Ze wist dat haar woede haar verzet verminderde en instrueerde zichzelf kalm te blijven terwijl de woestijn onder haar door gleed. 'Rustig, mens,' zei ze tegen zichzelf. 'Hij is alleen maar een dwingeland. Verder niets. Niets meer en niets minder. Hou je rustig.' Haar raad aan zichzelf werkte. Ze voelde haar vastbeslotenheid weer opkomen . Ze gunde zichzelf niet de luxe van tevredenheid. Ze wendde gewoon de macht aan die ze terug had verlangd om zichzelf weer te bewijzen. Maar Kissoon liet natuurlijk niet los; ze voelde zijn vuist in haar buik hard blijven trekken. Het deed pijn, maar ze verzette zich ertegen en bleef zich verzetten tot ze bijna niet meer kon. Hij was echter in één poging geslaagd. De stad was nog maar een stipje aan de horizon. Ze was er niet eens van overtuigd dat ze, als ze het zou proberen, zich wel over een dergelijke afstand zou kunnen verzetten.
En weer gaf ze zichzelf in stilte raad, dit keer om even een paar seconden uit te trekken om de zaak eens te overzien. Ze had het gevecht in de stad verloren, dat was duidelijk. Maar ze had er een paar lastige vragen bij voor Kissoon als ze hem weer zou ontmoeten. Ten eerste wat de bron van die stank eigenlijk was en ten tweede waarom hij zo bang was dat zij die zou zien. Maar gezien de kracht die hij blijkbaar bezat, zelfs over deze afstand, begreep ze dat ze voorzichtig moest zijn. De grootste fout die ze onder de gegeven omstandigheden kon maken, was te veronderstellen dat ze enige zeggenschap voor de langere duur over zichzelf had. Haar aanwezigheid hier was op bevel van Kissoon en wat hij haar ook verteld had over het feit dat hij hier een gevangene was, hij kende de regels beter dan zij. Ze was aan hem overgeleverd en hoever dat ging kon ze alleen maar raden. Ze moest met grotere voorzichtigheid te werk gaan, anders riskeerde ze het beetje gezag dat ze nog over haar situatie had, te verliezen. Toen ze haar rug naar het stadje had toegekeerd, begon ze in de richting van de hut te bewegen. De vastheid die ze in de stad had verkregen was haar niet meer afgenomen, maar als ze liep was dat met zo'n lichte tred als ze tot nu toe nooit eerder had beleefd. Een soort maan- wandeling, lange en gemakkelijke stappen en een onmogelijke vaart, zelfs voor de snelste sprinters. Nu hij haar voelde naderen, trok Kissoon niet langer aan haar hoewel hij zijn greep niet verslapte, alsof hij haar eraan wilde herinneren dat hij zijn kracht kon inzetten wanneer hij dat wilde.
Voor zich zag ze het tweede herkenningspunt: de toren. De wind gierde door de strak gespannen draden. En weer verminderde ze haar vaart om dat bouwwerk eens beter te bekijken. Er was weinig aan te zien. Het was ongeveer dertig meter hoog, van staal gemaakt en bovenop was een eenvoudig platform, aan drie kanten bedekt door golfplaten. De functie van het geheel ontging haar. Als uitzichttoren was het nutteloos, aangezien er bitter weinig te zien was. En het scheen ook geen enkel technisch doel te vervullen. Behalve dat golfplaat bovenop - waar een of ander pak tussenin hing - was er geen teken van antennes of controle-apparaten. Ze dacht aan Bunuel en haar lievelingsfilm met hem, Simon del Desierto, een satirische versie van St.-Simon die verleid wordt door de Duivel terwijl hij als boetedoening boven op een pilaar midden in de verlatenheid zat. Misschien was de toren wel voor een dergelijke masochistische heilige gebouwd. Als dat zo was, was hij tot stof vergaan, of tot goddelijkheid. Hier was verder niets meer te zien, besloot ze, en ging verder langs de toren, hem achterlatend met zijn huilende, raadselachtige leven. Ze kon de hut van Kissoon nog niet zien, maar ze wist dat die nu niet meer ver weg kon zijn. Er was geen zandstorm aan de horizon om hem buiten zicht te houden. Het beeld voor haar ogen - de grond van de woestijn en de hemel boven haar - was precies zoals ze het zich van haar vorige reis herinnerde. Dat vond ze eigenlijk vreemd, dat niets hier scheen te veranderen. Misschien veranderde hier ook niets, dacht ze. Misschien was deze plek voor eeuwig. Of werd hij net als een film telkens weer afgedraaid tot de tandjes scheurden of de film verbrandde.
Ze had nauwelijks bedacht dat alles hier altijd zo was of ze zag weer het beeld van een landloper dat ze bijna was vergeten. De vrouw. De laatste keer toen Kissoon haar naar de hut had gehaald had ze geen gelegenheid gekregen om contact te leggen met deze medespeelster in het woestijndecor. Kissoon had haar er zelfs van proberen te overtuigen dat de vrouw een luchtspiegeling was, een afbeelding van zijn erotische overpeinzingen, en vermeden moest worden. Maar nu de vrouw voldoende dichtbij was om aan te spreken, dacht Tesla dat de uitleg vermoedelijk meer op fantasie berustte dan op de
vrouw. Hoe pervers Kissoon ook was, en ze twijfelde er niet aan dat hij dat bij tijd en wijle wel zou zijn, de gestalte voor haar was geen masturbatie-hulpmiddel. Het was waar, ze was bijna naakt; de vodden die om haar lichaam hingen, waren jammerlijk onvoldoende. Toegegeven, ze had een gezicht waar de intelligentie van af straalde. Maar haar lange haren leken er op verschillende plekken uitgetrokken te zijn en het bloed was tot smerige bruine korsten op haar voorhoofd en wangen opgedroogd. Ze was mager en zwaar gekneusd en ze had schrammen op haar dijen en armen die nog maar gedeeltelijk geheeld waren. Er was een nog diepere wond, vermoedde Tesla, onder de resten van wat eens een witte jurk was geweest. Hij zat om haar middel vastgekleefd en ze had haar armen daar om zichzelf heen geslagen, bijna dubbelgebogen van de pijn. Dit was geen pin-up of een luchtspiegeling. Ze bestond op hetzelfde niveau als Tesla en ze leed.
Zoals ze vermoedde, begreep Kissoon dat zijn waarschuwing werd genegeerd, want hij begon weer aan Tesla te trekken. Dit keer was ze er volkomen op voorbereid. In plaats van dat ze er woedend om werd, stond ze doodstil en bleef rustig. Zijn geestesvingers vochten om houvast, maar gleden toen weg. Hij greep weer, gleed weer weg en greep weer. Ze reageerde op geen enkele manier, maar bleef eenvoudig staan met haar ogen de hele tijd op de vrouw gericht. Ze stond rechtop en hield haar buik niet langer vast, maar liet haar handen langs haar zijden hangen. Tesla begon heel langzaam haar kant op te lopen en behield zo goed mogelijk haar kalmte die de greep van Kissoon op haar vrijwel onmogelijk maakte. De vrouw maakte geen enkele beweging, niet om weg te lopen en niet om naar haar toe te komen. Met iedere stap die Tesla nam, kreeg ze een duidelijker indruk van haar. Ze was ongeveer vijftig jaar, haar diep in haar oogkassen gezonken ogen waren haar levendigste onderdeel, de rest was. vermoeid. Ze droeg een ketting om haar hals waar een eenvoudig kruisje aan hing. Dat was alles wat haar was gebleven van het leven dat ze wellicht ooit had gehad voordat ze verdwaald was in deze wildernis.
Plotseling deed ze haar mond open en er vloog een gekwelde blik over haar gezicht. Ze begon te spreken, maar of haar stembanden waren niet zo sterk, of haar longen waren niet goed genoeg om de woorden de ruimte te laten overbruggen.
'Wacht,' zei Tesla bezorgd dat de vrouw het beetje energie dat ze nog had zou verspillen. 'Laat me eerst wat dichterbij komen.' Als ze het al begreep, negeerde de vrouw de instructie en begon weer te spreken waarbij ze steeds hetzelfde herhaalde.
ik kan je niet verstaan,' schreeuwde Tesla terug, zich ervan bewust dat haar zorg over de ellende van de vrouw Kissoon meer macht over haar gaf. 'Wacht even, wil je?' zei ze en versnelde haar tempo. Toen ze dat deed, merkte ze dat de blik op het gezicht van de vrouw helemaal niet gekweld was, maar angstig. Dat haar ogen niet langer naar Tesla keken, maar ergens anders naar. En dat het woord dat ze steeds herhaalde 'Lix! Lix!' was.
Ze draaide zich vol afschuw om en zag dat de woestijngrond achter haar vol levende Lix was: op het eerste gezicht een stuk of tien, maar bij nader inzien wel twee keer zoveel. Ze waren allemaal precies hetzelfde, net als slangen waar ieder onderscheidend kenmerk uitgehaald was en die tot een afmeting van drie meter slingerende spier gereduceerd waren, die haar met grote snelheid naderden. Ze had gedacht dat de ene die ze de vorige keer had gezien en die de deur voor haar had opengedaan, geen bek had. Maar dat was verkeerd gezien. Ze hadden wel degelijk een bek: zwarte gaten vol zwarte tanden die wijd openstonden. Ze bereidde zichzelf voor op hun aanval toen ze zich (te laat) realiseerde dat ze als afleidingsmanoeuvre dienden. Kissoon greep en trok. De woestijn gleed onder haar weg en de Lix verdeelde zich in tweeën toen ze door hen heen werd getrokken. De hut lag voor haar. Ze was binnen een paar seconden op de drempel en de deur ging als op een afgesproken teken open. 'Kom binnen,' zei Kissoon. 'Het is veel te lang geleden.'
Het enige dat Raul in Tesla's flat kon doen, was wachten. Hij twijfelde er niet aan waar ze naar toe was of wie haar had opgeëist, maar zonder de juiste toegangsbewijzen was hij hulpeloos. Maar dat wilde niet zeggen dat hij haar niet voelde. Zijn lichaam was twee keer door de Nuntius geraakt en het wist dat ze niet zover van hem vandaan was.
Toen Tesla in de auto had geprobeerd te beschrijven hoe haar reis naar de Lus was geweest, had hij heel graag iets onder woorden gebracht dat hij in de jaren die hij op de missiepost had doorgebracht, was gaan begrijpen. Zijn woordenschat was daar echter veel te beperkt voor geweest, en dat was hij nog steeds. Maar de gevoelens droegen sterk bij aan de manier waarop hij Tesla nu peilde. Ze was op een andere plek, maar plek was alleen maar een ander soort van zijn, en alle staten konden, als de middelen maar werden gevonden, met andere staten spreken. Aap met man, man met de maan. Het had niets met technologie te maken. Het had te maken met de ondeelbaarheid van de wereld. Net zoals Fletcher de Nuntius uit een mengeling van disciplines had gemaakt en er niet op had gelet waar wetenschap magie werd of logica onzin. Net als Tesla zich tussen de werkelijkheden bewoog als een dromende mist, in tegenstrijd met de gevestigde wetten, en net zoals hij van de klaarblijkelijke aap die hij was naar de klaarblijkelijke mens was overgegaan en nooit had geweten waar de een de ander werd, als het dat al ooit deed. Dus hij wist dat hij nu kon proberen om de plek waar Tesla was te bereiken, als hij maar het verstand of de woorden ter beschikking had en die had hij niet. Het was erg dichtbij, net zoals alle andere plekken in de tijd, delen van hetzelfde landschap van de geest. Maar hij kon niets van dit alles in actie brengen. Het was alsnog onmogelijk voor hem.
Het enige dat hij kon doen was weten en wachten en dat was in zekere zin nog pijnlijker dan te denken dat hij verlaten was.
'Je bent een rotzak en een leugenaar,' zei ze toen ze de deur had dichtgedaan.
Het vuur brandde helder. Er was niet veel rook. Kissoon zat aan de andere kant en staarde haar aan; zijn ogen stonden helderder dan ze zich herinnerde. Er lag opwinding in.
'Je wilde terugkomen,' zei hij tegen haar. 'Ontken het maar niet. Ik voelde het aan je. Je had je kunnen verzetten toen je daar in de Kosmos was, maar dat wilde je eigenlijk niet. Vertel me maar dat het niet waar is. Ik daag je uit.'
'Nee,' zei ze. ik geef toe dat ik nieuwsgierig ben.' 'Mooi zo.'
'Maar dat geeft jou nog niet het recht om me hier naar toe te slepen.' 'Hoe moest ik je anders de weg wijzen?' vroeg hij luchtig. 'De wèg wijzen?' zei ze, en ze wist dat hij haar met opzet woedend maakte, maar ze was niet in staat het gevoel van hulpeloosheid te onderdrukken. Ze had nergens zo'n hekel aan dan om de zaken niet meer onder controle te hebben en zijn greep op haar maakte haar woedend.
'Zo dom ben ik niet,' zei ze. 'En ik ben geen speeltje dat je naar je toe kunt trekken als je daar zin in hebt.'
ik was niet van plan je zo te behandelen,' zei Kissoon. 'Alsjeblieft, kunnen we vrede sluiten? We staan tenslotte aan dezelfde kant.' 'O ja?'
'Daar kun je niet aan twijfelen.' 'O nee?'
'Na alles wat ik je heb verteld,' zei Kissoon. 'De geheimen die ik met je heb gedeeld.'
'Het lijkt me dat er nog een paar zijn die je niet hebt willen delen.'
'O?' zei Kissoon en hij keek van haar weer naar de vlammen. 'De stad bijvoorbeeld.' 'Wat is daarmee?'
ik wilde zien wat er in dat huis was, maar nee, je sleepte me gewoon weg.'
Kissoon zuchtte, ik zal het niet ontkennen,' zei hij. 'Als ik dat niet had gedaan, was je nu niet hier.' 'Dat begrijp ik niet.'
'Voelde je de sfeer daar niet? Dat kan ik me niet voorstellen. De pure
angst'
Nu blies zij zachtjes haar adem door haar tanden uit. 'Ja,' zei ze. ik voelde wel iets.'
'De Iad Oeroboro's hebben overal hun agenten,' zei Kissoon. ik geloof dat er zich een daar in die stad schuilhoudt. Ik weet niet in welke vorm. Maar ik vermoed dat het fataal zou zijn om te kijken. Ik ga het in ieder geval niet riskeren en dat zou jij ook niet moeten doen, hoe nieuwsgierig je ook bent.' Het was moeilijk om daar iets tegenin te brengen aangezien het haar eigen gevoelens heel dicht benaderde. Een paar minuten geleden nog maar had ze Raul in haar flat verteld dat ze het gevoel had dat er iets in die lege hoofdstraat zou gaan gebeuren. En nu bevestigde Kissoon dat vermoeden, ik denk dat ik je dan moet bedanken,' zei ze met tegenzin. 'Dat hoeft niet,' antwoordde Kissoon. ik heb je niet in jouw belang gered, maar voor taken die belangrijker zijn.' Hij porde even met een zwartgeblakerde stok in het vuur. Het laaide hoger op en de hut was helderder verlicht dan ooit. 'Het spijt me,' ging hij verder, 'als ik je de laatste keer dat je hier was bang heb gemaakt. Ik zeg als. Ik weet dat ik het heb gedaan en ik kan me niet genoeg verontschuldigen.' Hij keek haar tijdens deze woorden niet aan en ze hadden een geoefende klank in zich. Maar aangezien ze van een man kwamen die volgens haar een gigantisch ego had, was het dubbel waardevol, ik was. . . bewogen, laten we het zo maar zeggen. . . door je fysieke aanwezigheid op een manier waar ik geen rekening mee had gehouden en je had gelijk om achterdochtig te zijn over mijn motieven.' Hij legde een hand tussen zijn benen en pakte zijn penis tussen zijn wijsvinger en duim. ik ben nu gezuiverd,' zei hij. 'Je kunt het zien.' Ze keek. Hij was helemaal slap. 'Je verontschuldigingen zijn geaccepteerd,' zei ze. 'Dan kunnen we nu weer tot de zaken overgaan, hoop ik.' 'Mijn lichaam krijg je niet, Kissoon,' zei ze op vlakke toon. 'Als je dat met zaken bedoelt, dan hebben we geen zaken te doen.' Kissoon knikte, 'Ik kan je geen ongelijk geven. Soms zijn verontschuldigingen niet genoeg. Maar je móet de ernst hiervan begrijpen. Zelfs nu is de Jaff in Palomo Grove bezig voorbereidingen te treffen om de Kunst te gebruiken. Ik kan hem tegenhouden. Maar niet hiervandaan.'
'Leer het mij dan.'
'Daar is geen tijd meer voor.'
ik leer snel.'
Kissoon keek haar scherp aan.
'Dat is werkelijk een monsterlijke arrogantie,' zei hij. 'Jij stapt midden in een tragedie die naar de laatste akte aller eeuwen loopt en denkt dat je de loop daarvan met een paar woorden kunt veranderen. Dit is Hollywood niet. Dit is de echte wereld.' Zijn kille woede matigde haar een beetje, maar niet veel. 'Goed, ik ben misschien af en toe opvliegend. Dat is nog geen ramp. Ik heb je al gezegd dat ik je wil helpen, maar ik doe niet mee met dat gesodemieter van het ruilen van lichamen.' 'Misschien kun je dan. . .' 'Wat?'
'. . .kun je iemand vinden die er wèl toe geneigd is.' 'Dat is niet niets. Wat moet ik dan zeggen?' 'Je kunt tamelijk overtuigend zijn,' zei hij.
Ze dacht aan de wereld waar ze uit was gestapt. De flat had eenentwintig bewoners. Zou ze Ron of Edgar of een van haar vrienden kunnen overhalen? Mickey de Falco misschien om met haar de Lus in te gaan? Ze betwijfelde het zeer. Pas toen haar zoekende gedachten zich op Raul richtten, kreeg ze een beetje hoop. Misschien zou hij durven wat zij niet durfde? 'Misschien kan ik je helpen,' zei ze. 'Snel?'
'Ja. Snel. Als jij me naar mijn flat terugbrengt.'
'Geen probleem.'
'Hoor eens, ik beloof niets.'
'Dat begrijp ik.'
'En ik wil iets in ruil.'
'Wat dan?'
'De vrouw tegen wie ik probeerde te praten, die van wie je zei dat ze je sekshulpje was.'
ik vroeg me al af wanneer je daarover zou beginnen.'
'Ze is gewond.'
'Geloof het maar niet.'
'Ik heb het zelf gezien.'
'Dat is een truc van de Iads,' zei Kissoon. 'Ze wandelt hier al een tijdje rond en probeert me de deur voor haar te laten opendoen. Soms doet ze alsof ze gewond is, soms is ze een en al lievigheid, net een sekspoesje. Wrijft tegen de deur aan.' Hij rilde, ik hoor haar zich tegen de deur aan wrijven en smeken om binnengelaten te worden. Het is gewoon een nieuwe truc.'
Net als met bijna alles wat Kissoon tot nu toe had gezegd, wist Tesla weer niet of ze hem nu moest geloven of niet. Tijdens haar laatste bezoek had hij gezegd dat de vrouw vermoedelijk zijn droom-maitresse was. Nu zei hij dat ze een Iad agente was. Eén ding kon waar zijn, allebei niet.
ik wil haar zelf spreken,' zei ze. 'Zelf kijken wat ik ervan vind. Ze ziet er niet gevaarlijk uit.'
'Dat weet je niet,' waarschuwde Kissoon haar. 'Uiterlijk bedriegt. Ik houd haar met behulp van de Lix op een afstand uit angst voor wat ze zou kunnen doen.'
Ze overwoog om hem te vragen waar hij bang voor kon zijn bij een vrouw die zo duidelijk pijn had; toen besloot ze die vraag te bewaren voor als ze een keer minder in tijdnood zaten. 'Dan ga ik maar terug,' zei ze. 'Je begrijpt de noodzaak.'
'Dat hoef je niet steeds weer te zeggen,' zei Tesla. 'Ja, ik begrijp het. Maar zoals ik al zei, je vraagt nogal wat. Mensen raken aan hun lichamen gehecht. Grapje.'
'Als alles goed gaat en ik kan voorkomen dat de Kunst gebruikt wordt, krijgt de leverancier zijn lichaam heel terug. Als ik daar niet in slaag, is het het einde van de wereld, dus dan geeft het ook niet meer.'
'Leuk,' zei Tesla.
'Ik probeer het.'
Ze ging naar de deur.
'Ga snel,' zei hij. 'En laat je niet afleiden. . .'
De deur ging open zonder dat ze hem had aangeraakt.
'Je bent nog steeds een neerbuigende rotzak, Kissoon. . .' waren
Tesla's afscheidswoorden. Toen liep ze naar buiten hetzelfde vroege
ochtendlicht weer in.
Links van de hut scheen een schaduwwolk over de woestijn te glijden. Ze bestudeerde hem even en zag dat de zonovergoten grond bedekt was met Lix waarbij ze een zeetje vormden. Ze voelden haar staren, hielden op met bewegen en keken omhoog naar haar. Had Kissoon niet gezegd dat hij deze wezens maakte? 'Ga nou,' hoorde ze hem zeggen. 'We hebben niet zoveel tijd.' Als ze meteen had gehoorzaamd had ze niet gezien dat de vrouw achter de Lix vandaan kwam. Maar ze gehoorzaamde niet, dus zag ze haar wel. En toen ze haar zag, bleef ze ondanks de waarschuwing van Kissoon op de drempel staan. Als dit inderdaad een van de agenten van de Iad Oeroboro's was, zoals Kissoon beweerde, dan was het een briljante inval om zichzelf onder zo'n kwetsbare dekmantel te presenteren. En ook al deed ze nog zo haar best, ze kon zich niet voorstellen dat een schurkenbende zo groot of zo ambitieus als de Iad zichzelf op zo'n armzalige manier zou laten vertegenwoordigen. Was slechtheid niet te vol van zichzelf, zelfs in zijn intriges, om er zo ongekleed bij te lopen? Ze kon haar instinct niet negeren dat haar onmiskenbaar vertelde dat Kissoon het in dit geval bij het verkeerde eind had. De vrouw was geen agente. Ze was een menselijk wezen met pijn. Tesla kon vele smeekbedes de rug toekeren, maar nooit zoiets. Ze negeerde een herhaald dringend verzoek van de man in de hut achter haar en deed een stap in de richting van de vrouw. De Lix begonnen te kolken toen ze in hun richting liep en hieven hun koppen als cobra's. Dat maakte dat het sneller ging. Als Kissoon dat wilde, en dat was wel zeker, dan was het feit dat zij haar bij de vrouw vandaan hielden alleen maar des te meer reden voor haar om aan te nemen dat ze misleid werd. Hij probeerde hen uit elkaar te houden: maar waarom? Omdat deze miserabele, gekwelde vrouw gevaarlijk was? Nee! Iedere vezel in Tesla's wezen verzette zich tegen dat idee. Hij wilde hen apart houden omdat er iets tussen hen zou kunnen gebeuren, iets gezegd of gedaan zou kunnen worden dat hem minder geloofwaardig zou maken.
Het leek of de Lix nieuwe instructies gekregen hadden. Tesla kwaad berokkenen zou betekenen dat de boodschapper van zijn doel werd afgehouden, dus draaiden ze zich naar de vrouw. Ze zag hun bedoeling en haar gezicht vertrok weer van angst. Het drong tot Tesla door dat ze hun kwaadaardigheid kende, dat ze misschien eerder met hen had kennisgemaakt toen ze naar de hut van Kissoon was gegaan, of met een van zijn bezoekers. Ze was in ieder geval bedreven in de kunst om hen in verwarring te brengen en ze rende zo snel heen en weer dat ze hun nest in knopen draaiden terwijl ze besloten welke kant ze nu op moesten.
Tesla voegde haar eigen aandeel aan de verdediging toe door tegen ze te schreeuwen toen ze harder ging lopen, plotseling overtuigd dat ze haar geen kwaad zouden doen zolang Kissoon zo wanhopig was om uit zijn gevangenis te voorschijn te komen en zij zijn enige hoop was.
'Ga bij haar vandaan!' schreeuwde ze tegen hen. 'Laat haar met rust, rotzakken!'
Maar ze hadden hun doel vast en waren niet van plan zich door haar geschreeuw van de wijs te laten brengen. Toen Tesla binnen een afstand van een paar meter van hen kwam, begonnen ze achter hun prooi aan te gaan. 'Ren!' schreeuwde Tesla.
De vrouw volgde die raad op, maar het was te laat. De snelste van het nest zat haar al op de hielen en klom tegen haar lichaam op om zichzelf om haar heen te draaien. Er lag een verachtelijke elegantie in die beweging; zwiepend om het lichaam van de vrouw trok het dier haar tegen de grond. De Lix die daarna kwamen, stortten zich snel op haar. Tegen de tijd dat Tesla de vrouw tot op een paar meter genaderd was, was ze bijna niet meer te zien onder al haar aanvallers. Ze hadden haar praktisch gemummificeerd. Maar ze vocht nog wel; ze trok aan hun lichamen terwijl er steeds meer om haar heen kwamen.
Tesla verspilde geen tijd meer aan verdere woorden. Ze trok met haar blote handen aan de Lix; eerst probeerde ze het gezicht van de vrouw vrij te krijgen uit angst dat ze haar anders zouden smoren. Toen dat gebeurd was, trok ze haar armen vrij. Hoewel er veel Lix waren, waren ze niet bijzonder sterk. Sommige braken in stukken als ze eraan trok en er sijpelde geelwit bloed over haar handen en sproeide in haar gezicht. Ze liet zich aanvuren door haar walging en vocht tegen iedere beweging, trok en trok eraan tot ze helemaal onder de kleverige vloeistof zat. De vrouw die ze bijna hadden vermoord werd door haar redster aangemoedigd en worstelde ook om aan de greep van haar aanvallers te ontkomen.
Ze voelde dat de overwinning nabij was, al was het op het nippetje, en ze maakte zich klaar voor de vlucht. Ze begreep dat ze niet alleen kon gaan. De vrouw moest met haar mee naar haar flat op North Huntley Drive of ze zou weer aangevallen worden en na een dergelijke aanval zou ze weinig kracht meer hebben om zich tegen hen te verzetten. Kissoon had haar geleerd om zichzelf de Lus in te denken. Zou ze nu hetzelfde in de tegenovergestelde richting kunnen doen, niet alleen voor zichzelf maar ook samen met de vrouw? Zo niet, dan zouden ze beiden ten prooi vallen aan de Lix die nu van alle kanten leken te komen opzetten, alsof er een alarm van hun maker was uitgegaan. Ze zette hun nadering zo goed ze kon uit haar hoofd en dacht zichzelf en de vrouw deze wereld uit en de andere in. Niet zomaar een andere, maar naar West-Hollywood. North Huntley Drive. Haar flat. Doe dat, zei ze tegen zichzelf. Als Kissoon het kan, kan jij het ook.
Ze hoorde de vrouw weer een kreet geven, het eerste geluid dat ze
eigenlijk gemaakt had. Er was een verstoring in de omgeving rondom hen, maar niet door de directe overplaatsing van Kissoons Lus naar West Hollywood zoals ze had gehoopt. En de Lix kwamen in steeds groteren getale opzetten.
'Nog eens,' zei Tesla tegen zichzelf. 'Doe het nog eens.' Ze vestigde haar blik op de vrouw voor haar die nog steeds stukjes Lix van haar lichaam aftrok en uit haar haren haalde. Op dit beeld moest ze zich concentreren. Op de andere passagier; zichzelf kon ze zich gemakkelijk voorstellen. 'Ga!' zei ze. 'Ga alsjeblieft!'
Dit keer begonnen de beelden in haar hoofd vorm te krijgen, ze zag niet alleen zichzelf en de vrouw duidelijk, ze zag hen beiden onderweg; de wereld om hen heen loste op en kwam opnieuw in beeld zoals een puzzel in stukken wordt geblazen en een andere puzzel wordt. Ze kende het beeld. Het was dezelfde plek waar ze vandaan was gekomen. De koffie lag nog op de grond, de zon scheen door het raam en Raul stond midden in de kamer te wachten op haar terugkomst. Ze wist door de blik op zijn gezicht dat ze erin was geslaagd de vrouw mee te nemen. Wat ze zich niet had gerealiseerd tot ze het zag, was dat ze het hele beeld had meegenomen, inclusief de Lix die nog op haar parasiteerden. Hoewel ze nu van Kissoon in de Lus waren gescheiden, bleven ze in hun onnatuurlijke leven net zo koortsachtig ais ze daar waren. De vrouw viel op de grond van de flat waar ze doorkronkelden en hun naar stront ruikende bloed sijpelde op de grond. Maar het waren alleen stukken: koppen, staarten en middengedeelten. En hun geweld werd al minder. In plaats van tijd te verspillen door hen dood te trappen, riep Tesla Raul en samen droegen ze de vrouw naar de slaapkamer en legden haar daar neer. Ze had hard gevochten en was er slecht aan toe. De wonden op haar lichaam waren weer opengegaan. Maar ze scheen niet zozeer pijn te hebben als wel volkomen uitgeput te zijn.
'Let op haar,' zei Tesla tegen Raul. 'Ik ga wat water halen om haar
een beetje schoon te maken.'
'Wat is er gebeurd?' wilde hij weten.
'Ik had je ziel bijna aan een rottige leugenaar verkocht,' zei Tesla. 'Maar maak je geen zorgen. Ik heb die net teruggekocht.'