Drie
De kamers van Zhirek waren
schitterend, ook een poging om indruk op hem te maken. Overdag
keken de ramen uit op het grasveld waar de slang van het verderf
die de Dood had gezonden machteloos en nors om de fruitboom lag
geslingerd.
Kassafeh aarzelde bij de deur, hoewel ze merkte dat deze niet op
slot was. Zelfs in Simmurad, nu al, was Zhireks reputatie niet
geruststellend. Maar de liefde, of de vorm van liefde die haar
dreef, vond behoedzaamheid onzin en het duurde dan ook maar kort
voor zij binnensloop. Haar vreemde ogen gloeiden in het onverlichte
duister. In alleen het sterrenlicht keek zij naar de slaapkamer,
het bed met de gordijnen, en de man die daarin lag
uitgestrekt.
Anders dan haar echtgenoot lag Zhirek stil als een beeldhouwwerk.
Opmerkelijk stil zelfs. Zijn oogleden waren roerloos, zijn handen
ook, zijn mond was gesloten. Zelfs niet de minste adem leek zijn
neusvleugels te passeren. Het rijzen en dalen van zijn borstkas was
zo gering dat Kassafeh heel even dacht dat de dienaar van de Dood
gestorven was, ondanks zijn koele verzekering dat hij onkwetsbaar
was en heel lang zou leven. Maar, toen zij zich ervan vergewist had
dat hij ademde, hoe oppervlakkig ook, ging ze naar hem toe en
omhelsde hem.
Hij was koud als een steen en werd niet wakker. Ze wilde nog niet
toegeven dat hij in de ban van een betovering verkeerde. Aangevuurd
door deze tweedegraads aanraking met de Dood ontdeed zij zich
bevend van haar klederen, maakte die van Zhirek open en ging naast
hem op het bed liggen en daar liefkoosde zij lange tijd alles van
hem waar ze bij kon, met haar handen en haar mond. Zij stond in
brand, maar hij bleef ijskoud slapen. Niets aan hem reageerde.
Eindelijk, rillend en uitgeput door de teleurstelling, begon zij te
schreien. Maar zelfs zijn nabijheid, al wist ze er geen enkele
reactie aan te ontlokken, was een troost voor haar en ten slotte
viel ze in slaap.
De dageraad schrok haar wakker. Toen ze haar ogen opende, schrok ze
nog een keer. De blauwgroene ogen van Zhirek keken in de hare,
dichterbij dan het kussen.
'Ik ben vannacht bij je gekomen, ja,' zei zij uitdagend, 'maar jij
had geen zin in mij. Jij waant mij brutaal, maar ik ken geen enkele
man behalve mijn echtgenoot die mij in ieder geval in het begin,
gedwongen heeft.' Deze leugen beviel haar wel en ze klaarde op. 'Ik
ben kuis,' fluisterde zij, zich graag overgevend aan haar
hartstocht, 'maar jou kon ik niet weerstaan.'
'Ik heb jou niet het hof gemaakt,' zei hij.
'Maak mij niet te schande,' smeekte zij, deels in ernst, zedig de
blik neerslaand.
'Ik ben niet naar Simmurad gegaan om te paren,' zei hij.
'Misschien ben je impotent,' opperde Kassafeh, 'zoals de wijze arts
verklaart dat het lot van onsterfelijken is.'
'Ik zal nog sterven.' zei Zhirek.
'Meer hoef ik niet te weten, en ik dorst naar liefde.'
En zij begon hem te kussen en ze klemde zich tegen hem aan en het
kwam bij hem op dat Simmu, als man, met deze vrouw had geslapen en
deze gedachte wekte een verraderlijke begeerte in hem op die
heviger was dan alles wat Kassafeh had kunnen verwekken. Ook was
daar de griezelige slaap waaruit hij ontwaakt was, de slaap die
Uhlume, Heer Dood zelf hem had geschonken. Deze slaap was niet
minder dan een kopie van de dood zoals Zhirek zich die voorstelde.
De vitale organen leken hun arbeid te staken en de zintuigen
schakelden zich tussen twee ademteugen op slag uit. Geen dromen
stoorden de slaper, of anders herinnerde hij zich daar niets van.
Als een koude crypte was het slapen van Zhirek, maar hij was nu zo
vreemd geworden dat het voor hem een belofte en een verkwikking
was. En als hij ontwaakte, tijdelijk schoongewassen van het stigma
van de onkwetsbaarheid, voelde Zhirek zich bonzen van
leven.
Hij schonk Kassafeh dan ook wat zij verlangde terwijl de slaapkamer
zich tooide met het karmozijn van het ochtendgloren.
Later vroeg zij hem: 'Zul je Simmurad even listig vernietigen als
je mijn deugdzaamheid vernietigd hebt?'
'Simmurad is ook makkelijk te nemen. De verwoesting is al begonnen,
en dat is niet mijn werk.'
'En dien jij echt de Dood, of is dat alleen een verhaaltje dat je
vertelt om mijn man in verwarring te brengen, die in de waan is dat
hij zich tot des Doods Vijand heeft gemaakt?'
'Ik dien de Dood.'
'Ik zal jou dienen,' zei Kassafeh. De afvalligheid joeg haar bloed
rond, precies zoals haar verliefdheid had gedaan. 'Ik zal je helpen
op alle manieren die je voorstelt. Ik voel geen trouw aan Simmu,
want hij bekommert zich helemaal niet om mij. Niemand hier geeft
trouwens iets om een ander, het is zelfs lastig om iemand te haten
sinds wij onsterfelijk zijn geworden - als we dat echt zijn. Maar
voor jou zal ik Simmu haten. Bovendien is hij een idioot Hij haalde
mij weg uit een oord van leugens en ik geloofde dat wij beroemd
zouden worden in de wereld, hij als held en koning en ik als zijn
vrouw, maar hier zijn we doodgelopen, en nu vind ik het hier erger
dan in het oord van leugens waaruit hij mij weghaalde. En wij zijn
vergeten en niemand noemt nog onze namen. Niets is echt, behalve
jij, beminde. Zeg mij hoe ik jou mag dienen.'
Raadselachtig zag hij haar aan. Hij had haar diensten of hulp niet
echt nodig, voor niets, maar haar verraad was een symbool van
magische waarde.
'Breng mij,' zei hij effen, 'de kruik waarin de drank van de
onsterfelijkheid wordt bewaard.'
'Ik weet niet precies waar die staat,' zei zij, 'maar toch zal ik
hem vinden en bij jou brengen.'
Hij zag de wreedheid opvlammen in haar ogen, de kortstondige vonk
van schurende hitte die haar verwarmde zoals hij verwarmd was door
zijn eigen wreedheid.
Simmu werd alleen wakker, en zijn lichaam leek geradbraakt. Hij was
in zijn slaap een vrouw geworden, en weer veranderd in een man toen
de dageraad terugkwam en hem onvermijdelijk weer aan de stad
herinnerde. Simmu wist heel goed wat hem overkomen was en ook de
reden. Hij wist niets meer van zijn vroegere samenzijn met Zhirem,
hun jeugd of hun paring, en dat zou ook niet meer terugkomen omdat
Azhrarn deze herinnering uit zijn geheugen had gelicht. Alleen
schimmige resten, geesten, flarden van emotie die door zijn dromen
dreven, had Simmu nog overgehouden van die liefde, genoeg om hem te
verwarren, niet voldoende om de greep die Zhirek op hem had, op
zijn gedachten en zijn lichaam, te verklaren. En plotseling was
Simmu niet meer opgetogen maar bang voor de arm van de Dood die
zich naar hem uitstrekte. En dus bang voor Zhirek. Bang voor zijn
eigen lichaam, dat kon smelten en vrouwelijk worden en hem zo
verraden aan Zhirek.
Simmu liep de bibliotheek uit.
Hij ging naar zijn eigen kamers, passeerde alle fraaie
perspectieven zonder iets te zien, opende een zilveren kist, haalde
er een zilveren doos uit en staarde neer op de verzegelde kruik van
klei in de doos.
Het was geen groot geheim waar de drank der onsterfelijkheid
bewaard werd. Een kort doch grondig onderzoek en iedereen had de
kruik kunnen vinden. Nu kwam het bij Simmu op dat de plaats van de
drank geheim moest zijn. Langzaam, en tegelijk koortsig,
inspecteerde hij zijn kamers.
Op welke nieuwe plek kon hij zijn schat verbergen? Als een vrek die
zijn geldzak probeert te verstoppen, zo zocht Simmu. En Simmu, die
zonder leeftijd en altijd jong was, voelde nu een gewicht van jaren
op hem neerdrukken, alle jaren die hij nog moest leven - de
eeuwigheid, op hetzelfde moment dat de schaduw van de Dood over
zijn toekomst viel.
Deze paradox en zijn lichamelijke onbehagen putten hem uit.
Uiteindelijk verstopte hij de kruik maar niet op een moeilijk
vindbare plek. Hij zette hem neer onder een hoog raam en drukte
zijn voorhoofd tegen het kristal. Zo kwam het dat hij Kassafeh en
Zhirek samen op het balkon van een toren zag staan, alsof ze
beslist wilden worden gezien.
Simmu voelde aan wat er tussen hen was, meer dan dat hij het zag:
een samenzwering. Een ontwrichte steek van woede of afgunst,
afgestompt en ver weg, ging door hem heen en toen weer weg. Nu
voelde hij alleen verdriet en een bang voorgevoel. Wat was hij
menselijk geworden, met alle zorgelijke misère en lompe verwarring
van de mens.
Hij raakte het groene juweel bij zijn keel aan, het geschenk van de
Eshva; hij dacht aan de gelofte van Azhrarn, die deze al eenmaal
nagekomen was, om Simmu zijn aandacht te schenken als de steen in
een vuur werd verbrand. Maar Simmu voelde wel dat Azhrarn zijn
belangstelling voor hem kwijt was, dat Simmurad een proef was
geweest die hij niet doorstaan had. Het juweel nu in een vuur
werpen zou niemand naar hem toe brengen, zelfs niet degenen die de
vorige keer waren gekomen, Azhrarns dienaars.
Op het balkon omhelsde Kassafeh Zhirek en hij weerde haar kussen
niet af.
Alleen de Dood en het leven bleven Simmu nu nog over. En hoewel
Zhirek, de afgezant van de Dood, in Simmurad was, kon de Dood zelf
niet door de poort gaan omdat niets hier ooit was gestorven, of
ooit zou sterven.
Simmu tilde de kruik in zijn zilveren kistje op en plotseling viel
het hem in dat zijn vrouw het instrument zou zijn waarmee hem de
drank zou worden afgenomen. Waar hij de drank ook verstopte, de
vrouw zou hem vinden. En toen liet Simmu het kistje rinkelend op de
vloer vallen en trok de stop uit de kruik die hij in zijn hand had
gehouden. Eens had hij deze vloeistof met tegenzin geproefd. Nu
zette hij de kruik aan zijn mond en met zijn hoofd in zijn nek
dronk hij die laatste onuitputtelijke droppels eeuwig leven uit.
Hij bleef zo een poos staan, in deze houding, tot hij zeker wist
dat er geen enkele zweem van vloeistof in de kruik achterbleef.
Toen smeet hij de kruik tegen de muur, zodat hij in stukken
brak.
Precies op dat ogenblik kwam Kassafeh de kamer in.
Haar ogen hadden de kleur van de schemer, de kleur van haar liefde,
maar haar voet kwam knarsend neer op een scherf van de verpletterde
kruik en toen zij naar de vloer keek, veranderden haar ogen in een
knetterend geel.
'Wat heb je gedaan?' riep ze uit.
'Meer onsterfelijken zullen er niet zijn,' antwoordde Simmu, 'en
evenmin kun jij Zhirek nu een liefdesgeschenk brengen, behalve
jezelf.'
Nu waren Kassafehs ogen de kleur van groen ijzer.
'Ik zag je toen je sliep,' zei zij. 'Je was jezelf niet. Het was
een vrouw die ik op jouw bed ontdekte. Je moet je demonen maar
roepen om je te komen redden.'
'In ieder geval,' zei Simmu op zijn beurt, 'moet je van Zhirek geen
zachtzinnigheid verwachten, wat je hem ook brengt of hem vertelt.
En ook hij is niet de held waarmee jij je wenst te
verbinden.'
Kassafehs kin schoot woedend omhoog. 'Mèhèhè!' schreeuwde ze tegen
hem. 'Jij bent een schaap precies als alle anderen!' En met bange
boosheid in haar borst holde ze weg.