Tweede Boek
De Tuin van de Gouden Dochters
Een
Het is niet opgetekend waar
de tweede put zich precies bevond. Maar zonder twijfel lag hij
ergens naar het centrum van de aarde, zij het ver van de zwarte en
vurige vulkanen van het allermiddelste gebied. Het land rond de put
was mooi noch welvarend, het was een woestenij waardoor één rivier
zijn weg naar een verre zee nam. Het leven van de mensen van het
land vond slechts plaats op de twee oevers van de rivier. Hier
boerden en visten zij en joegen op de dieren in de moerassen
terzijde van de rivier. De woestijn gingen ze niet dikwijls in want
ze waren er bang voor, en terecht. Afgezien van de rivier was er
geen water te vinden, in geen duizend mijl, of zo dachten zij. Geen
water, behalve op een enkele plek. Een dagreis van de rivier rees
een eenzame groep bergen uit de duinen op. Het waren er negen in
getal, en ze vormden een ruwe cirkel, waarbinnen een dal lag, dat
even onvruchtbaar en stoffig was als de rest van de woestijn, op
een plek in het midden na. Hier opende zich een soort bemoste kuil,
met een kleine mond maar diep, en ver in de diepte, amper
zichtbaar, loerde een troebel, met slijm bedekt water. Dit was de
geheime tweede put.
Tweehonderd en achttien jaar voor Simmu's komst in het Huis van de
Blauwe Hond had Uhlume het meisje dat zichzelf had aangesteld als
zijn dienstmaagd in het land van de put neergezet. Zij was
veertien; ze was bedwelmd door haar scherpzinnigheid en succes. Ze
gedroeg zich dan ook heel buitensporig.
Lylas begaf zich onder de mensen van de rivier in de vermomming van
een priesteres, verrichtte enkele wonderen en liet er geen twijfel
aan bestaan dat zij iemand was om rekening mee te houden. Ze zei
deze mensen dat zij namens een god was gekomen, maar zijn naam
noemde zij niet. Maar de aura die Uhlume haar had verleend, gaf dat
wat zij beweerde een onheilspellend gewicht. Kindvrouw, hoer en
tovenares, gehuld in zijn onzichtbare mantel van macht gaf zij haar
bevelen en die werden opgevolgd.
De ring van negen bergen was heilig, verklaarde zij. Het dal er
midden tussen was heilig. En bovenal was het onopvallende kuiltje
met slijm heilig. Daarom moesten deze drie bewaakt worden en de
mensen van de rivier mochten zich wel gelukkig noemen dat zij
gekozen waren door de onheilspellende, ongenoemde godheid om dat te
beschermen wat van hem was. De mensen mompelden slecht op hun gemak
dat zij zich inderdaad gelukkig prezen. In dat geval, zei de heks,
zouden zij er niet tegenop zien om een zeker deel van hun
jongelieden, de sterksten en besten, te vormen tot een eliteleger
dat de woestijn moest patrouilleren. Nog minder op hun gemak
mompelden de mensen dat de godheid natuurlijk meer dan welkom was.
Nog iets, zei de heks. Er moesten wachttorens opgericht worden om
te kunnen zien of er vreemden naderden. Die vreemden moesten
aangeroepen en weggestuurd worden, en gedood als ze niet weggingen.
Heel goed, zeiden de mensen onzeker, en ze schuifelden met hun
voeten. Maar, vervolgden zij, zouden dergelijke maatregelen wel
voldoende zijn? Nee, zei de heks, maar ze hoefden zich geen zorgen
te maken. Zijzelf zou wakers in de bergen posteren, wezens van
niet-menselijke aard, die hun sterfelijke kameraden geen kwaad
zouden doen, maar voor alle indringers waren ze fataal. (De mensen
zweetten van angst en weten dit aan het weder.) Ten leste, zei de
heks, moest er nog een muur worden gebouwd rond het bergdal, zo
hoog dat niemand erover kon komen, zelfs de eerlijke schildwachten
erbuiten niet. En binnen deze muur kwamen de laatste bewakers van
de put te wonen, te weten negen maagden, elk dertien jaar oud, en
zij mochten het dal niet verlaten totdat zij aldaar negen jaren
lang gediend hadden, waarna een nieuw negental hen moest vervangen.
En deze cyclus moest herhaald worden totdat de tijd zelf stopte.
Negen maagden? vroegen de mensen, verrast. Precies, zei de heks, en
geen man mocht ooit het dal binnengaan, en als er een het
probeerde, moest hij gedood worden. Maar hoe zouden de maagden in
leven blijven? vroeg men. Er was geen voedsel en geen goed water -
de godheid moest het hun niet kwalijk nemen, maar zijn water was
niet te drinken - in het dal.
'Het geeft niet,' antwoordde de heks, 'wanneer ik klaar ben met het
dal, is het wonderbaarlijker dan iedere tuin ter wereld. Jullie
dochters zullen smeken om dienst te mogen doen en als het uur van
hun vertrek uit het dal aanbreekt, zullen zij schreien. Jullie
moeten er trouwens voor zorgen dat de negen maagden die uitgekozen
worden, even lieftallig zijn als negen jonge manen, want ik moet
geen lelijke trutten in inijn tuin en de god moet geëerd
worden.'
Ze was veertien, Lylas, en buitensporig.
Uit haar veertien jaar oude geest sproten veertienjarige fantasieën
en die maakte ze werkelijkheid. De niet-menselijke bewakers - wat
een monsters werden het. Met hoorns en hoeven en rissen slagtanden,
met slangenbundels als staart en de koppen van tijgers en soms ook
vleugels. Sommige ademden vuur, sommige lieten luide, gruwelijke
kreten horen. Ze verstopten zich in grotten in de lagere
rotsterrassen van de bergen of dolven gaten tussen de voeten van de
bergen in het zand, maar ze floepten eruit en tierden tegen
eenieder die passeerde, zodat de dagen en nachten van de woestijn
luidruchtig, pyrotechnisch en in het algemeen stukken minder
lieflijk werden dan ze geweest waren. Hele stammen van deze wezens
verzon de heks, ze wist niet van ophouden. De rivierbewoners deden
ze geen kwaad, dat was waar, maar af en toe verdwaalde er een
eenzame reiziger tussen deze beesten en dan scheurden ze deze aan
stukken met hun klauwen van adamant.
Onderwijl richtten de mensen braaf de hoge muur rond het dal op. Ze
moeten wel getoverde hulp gehad hebben, want de muur had de hoogte
van negen lange mannen die op elkanders schouders stonden, en was
in een maand klaar, zei men. Een smalle deur vormde de
toegangspoort, een deur die slechts eenmaal per dag openging, bij
zonsondergang. En deze deur, onnodig het te zeggen, had een bewaker
die nog angstwekkender was dan de eerder genoemde. Bovendien
brandde de muur ieder die hem aanraakte, en van de bovenkant ervan
schoten bliksems, voor het geval iemand mocht vergeten waar hij
stond en hem toch wilde ontlopen. Zelfs de uitverkoren jongemannen
van het eliteleger die in de woestijn patrouilleerden, de
wachttorens bemanden en wacht liepen op de buitenste hellingen van
de bergen, bleven op een veilige afstand van deze muur.
Uiteindelijk begaf Lylas zich in haar eentje in de kale vallei met
de put erin. Ze pakte een steen, een van de drie die ze van Uhlume
had gekregen, en gooide deze neer. En waar de steen de bodem
raakte, stormde een fontein omhoog uit de diepten der aarde, koel
en wit uit een onderaardse grot. Daarna wierp zij de tweede en de
derde steen en het dal werd een muziek van water. Toen liet Lylas
met haar eigen vaardigheden, die niet onaanzienlijk waren, een tuin
bloeien. Een deel ervan was illusie, een deel was echt en een ander
deel ontstond in de loop der jaren op natuurlijke wijze, gevoed
door het nieuwe water. Alles bij elkaar was het een ongeëvenaard
fraai terrein geworden en voor de mensen van de woestijn, die de
norse rivier en haar moerassen hadden aangezien voor het toppunt
van hoveniersgeluk, was de tuin in het dal als de droom van een
paradijs, een droom die ze jammer genoeg zelfs nooit gehad hadden.
En de heks liet hun de tuin zien. Ze zuchtten van verlangen en de
kleine meisjes van elf en twaalf en dertien zetten grote ogen op en
begonnen te vragen: 'Mag ik alsjeblieft de gewijde put van de god
gaan bewaken?' In dit opzicht had Lylas het heel slim bekeken. Het
was evenwel misschien een vergissing van haar om maagden binnen de
muur te planten, al dacht zij steeds dat het een meesterzet was. Ze
had genoeg gekregen van mannen en het dwalen, deze heks, en
misschien was het slechts haar eigen droom die zij in het dal had
geprojecteerd - een paradijs in groen en negen maagden die, negen
jaar lang, zich de bokkespelletjes van mannen niet hoefden te laten
welgevallen - spelletjes waarmee de heks overvoerd was en waar ze
doodmoe van was. Wellicht was het ook haar eigen verloren
maagdelijkheid die zij ongerept in de tuin wilde opsluiten, zij die
zich al heel pril verkocht had voor geld en toverles. Niettemin
dacht zij dat deze voorhoede van onschuldige meisjes de beste
verdedigingslinie van allemaal zou blijken te zijn. Als vee!
vrouwen die zelf bedrijvig, durfachtig en geslepen zijn en die om
zich heen slechts vrouwen zien die zachtzinnig, passief en
huiselijk zijn, waande Lylas zichzelf uniek onder haar
geslachtsgenoten. Niemand was zoals zij. De negen meisjes in de
tuin zouden tevreden zijn, dacht zij, zoals geen man daar tevreden
geweest zou kunnen zijn. Ze zouden spelen en rondzwerven en hun
vrouwelijke gang gaan en er nooit aan denken de put te onderzoeken,
terwijl geen enkele man (omdat alle mannen potentiële helden zijn)
dit had kunnen nalaten.
Tweehonderd en een jaar later, toen ze Narasen ontmoette, kreeg
Lylas' overtuiging een deuk. Maar tegen die tijd bemoeide zij zich
niet meer met het bewaken van de put, denkend dat haar werk aldaar
voltooid was.
De heks had de hulp van Uhlume om eeuwig jong te blijven, door
gemalen botjes te drinken, en lichamelijk veranderde zij dan ook in
het geheel niet. Geestelijk ook amper. Op haar veertiende was zij
in sommige opzichten opvallend wereldwijs geweest, maar voor iemand
van tweehonderd en tweeendertig, de leeftijd waarop Simmu haar
ontmoette, was ze echt wel tamelijk onrijp.
Anders dan de heks was de wereld in het algemeen onderhevig aan
verandering. En het Land van de Put was geen uitzondering. Juist de
onveranderlijke tradities die de heks daar invoerde, waren wat de
veranderingen op gang bracht.
Ten eerste werden de primitieve rivierbewoners nogal arrogant.
Tenslotte waren zij door een god uitverkoren om zijn heiligdom te
bewaken. Het eerste resultaat van deze arrogantie was moed en een
drang tot verkennen, voor het eerst in hun geschiedenis. De
woestijn was niet aanlokkelijk. Nu keken ze naar de rivier en ze
begonnen boten te maken. Binnen tien jaar of daaromtrent voeren ze
de rivier af en kwamen bij andere nederzettingen, en ten slotte bij
de zee en een stad of twee en dat bracht hen op ideeën. Een van de
dingen die hun opvielen, was dat geen andere nederzetting speciaal
door een god was gekozen en hoewel sommige dorpen dat wel
beweerden, hadden ze geen bewijzen. Aldus verwekte de arrogantie
nog meer arrogantie en de rivierlieden werden vechtersbazen en
rovers en ze stalen het beste, overal waar ze dat maar vonden en ze
namen het mee naar huis in de moerassen, roepend dat het voor de
tempel van hun goden was. Nog eens tweemaal tien jaar en ze boerden
heel goed met hun plunderingen, ze bouwden betere schepen en wapens
om nog beter te kunnen plunderen. Na vijftig jaar stond er een stad
op beide oevers van de rivier, een redelijk mooie stad met witte
muren, treurbomen en vergulde stoepen. En als je deze stad inkwam,
die Veshum geheten was, dat wil zeggen de Gezegende, dan zag je een
standbeeld van zwart obsidiaan op de westelijke oever dat een
gruwelijke zwarte god voorstelde. Blijkbaar had de heks een keer
een enkel detail over het uiterlijk van Uhlume laten vallen, maar
het beeld bezat noch Uhlumes schoonheid, noch zijn totale
gereserveerdheid. Het leek eer op de gedrochten die over de
hellingen van de negen bergen sprongen en jankten, vuur spuwden en
met hun vlerken klapperden en de enkele reiziger verscheurden die
zo stom was om in hun buurt te komen.
Nu is het heel waarschijnlijk dat niemand ooit de moeite zou hebben
genomen om stroomopwaarts naar Veshum te gaan zoals het geweest
was, en nog waarschijnlijker dat niemand ooit zich vermoeid zou
hebben met de lange reis over de kale berghellingen, alleen om een
glibberig gat in een dor dal te bekijken. Maar met alle piraterij
en de rijkdom die deze piraterij opleverde, met alle gesnoef van
Veshum over zijn god, met alle monsters die de berghellingen
bewaakten en reizigers verscheurden, met de jonge mannen die over
de woestijn patrouilleerden en opgesloten zaten in de wachttorens,
en met het verhaal van de negen maagden in een tovertuin die het
altaar van de god verzorgden, verspreidde de mare zich, en geen
wonder. Toen begonnen er mensen naar Veshum te komen om de zwarte
god te vereren en juwelen op zijn altaar te leggen. En ze
aanschouwden ook de ceremoniële keuze van de maagden, die zonder
smet en stralend mooi moesten zijn, hpe ze behangen werden met
goud, hoe ze over de berg werden gevoerd en door een smalle deur
gingen die bij zonsondergang op magische wijze in de enorme muur
verscheen, van de bovenkant waarvan de bliksems schichtten. En als
er negen nieuwe maagden binnen waren gegaan, kwamen er negen oude
uit, en ze verschenen schreiend zoals de heks had voorspeld, uit
het paradijs verstoten en in een wereld geplaatst die ze amper
hadden gekend en waarmee ze niet overweg konden. Een paar wierpen
zichzelf zonder omhaal van de berg naar hun dood; de rest stampte
wrokkig naar Veshum en aanvaardde met de grootst mogelijke
tegenzin, en dat lieten ze blijken ook, het ambt van priesteres in
de obsidiaantempel. Sommigen trouwden - ze waren heel gewild,
aangezien ze gedwongen kuis en altijd beeldschoon waren, zoals
voorgeschreven was. Geen van hen werd ooit nog tevreden. Ze
smachtten naar de tuin en kwijnden weg, en sommigen vermoordden hun
man of hun kinderen, en natuurlijk werden ze vergeven, omdat ze
gewijde vrouwen waren. Heel af en toe ging er een van deze vrouwen,
zwaar gesluierd en overvloedig schreiend, terug óver de woestijn,
de helling van de bergen op, tussen de wouden van schildwachten en
monsters door, en ging dan bij de hete hoge muur zitten. Als de zon
onderging, stormde ze naar de deur, waarop de wachter tegen haar
grauwde, zodat zij wel opzij moest gaan en haar handen brandde. Dan
doorstak ze zichzelf, of iets van dien aard.
'Maar wat hebben ze daarbinnen onder hun hoede?' informeerden de
pelgrims die naar Veshum waren gekomen.
'Een altaar van goud,' zeiden dan de rijke rovers (die opgehouden
waren met roven en nu heel aardig leefden van de geschenken die de
bezoekers brachten), 'en de gouden put daaronder.' Want de heks,
dat was haar laatste fantasie, had het moddergat afgedekt met een
sierlijk tempeltje, schijnbaar gemaakt van goud en met daarop een
kennelijk gouden koepel.
Dan gingen de reizigers, althans degenen die niet te dicht bij de
monsters waren gekomen, naar huis en zeiden: 'De mannen van Veshum
laten de eer van hun god bewaken door hun dapperste zonen. Zijn
heilige bergen krioelen van duivels en angsten. In een tuin die te
mooi is om te beschrijven, zorgen negen maagdelijke dochters van de
stad, lieftalliger dan negen gouden sterren, voor een gouden
put.'
Zo kwam het dal de Tuin van de Gouden Dochters te heten en Veshum
werd beroemd in dat kwartier van de aarde. En er verstreken
tweehonderd en dertig jaren.
'Er is geen enkele twijfel in mijn geest,' zei de rijke man, 'dat
onze dochter, Kassafeh, gekozen zal worden.'
'Inderdaad, zeer zeker,' zei de vrouw van de rijke man, maar ze
hield de blik op haar borduurwerk gevestigd.
'Onze dochter, Kassafeh,' herhaalde de rijke man, voldaan
glimlachend. Hij verdiende de kost met het invoeren van zeldzame
zijden stoffen uit de steden aan de kust, en soms brachten zijn
schepen pelgrims naar het altaar van de zwarte god en daarvoor
betaalden de pelgrims goed. (De grootvader van de rijke man was een
moordende zeerover geweest, maar dat was nu allemaal vergeten.)
'Ja, zeer beslist, Kassafeh wordt gekozen. Zij is het toppunt van
verfijning. Zij wordt een van de heilige negen, en wij zullen trots
zijn, en hoeveel makkelijker zal het dan niet zijn om de overige
vier meisjes aan een man te krijgen.'
'O zeker,' zei zijn vrouw, hem niet aankijkend.
'Onze dochter,' riep de rijke man, overstroomd door het gelukkige
gevoel dat hij iets moois bezat. 'De jouwe en de mijne.'
De vrouw prikte zich in de vinger, en ze bloosde bijna even rood
als haar bloed.
Kassafeh was beeldschoon, precies zoals de rijke man beweerde, en
nog mooier dan hij zei was zij. Haar huid was bleek en helder als
water, zij was tenger als de bleke nieuwe maan, haar haar had de
lichte pastelgouden kleur van een jonge zonsopkomst. Haar ogen -
ach, het was moeilijk haar ogen te beschrijven. Maar ze was beslist
heel knap en ook verder wat de rijke man beweerde, behalve één
ding, want zij was niet precies zijn dochter.
Zo was het gekomen. De vrouw van de rijke man was niet van de
riviermensen maar afkomstig uit een stad op het land,
stroomafwaarts. Terwijl haar echtgenoot rijk was, was zij een
aristocrate en ze was geboren in een fraai huis, hoog in de heuvels
die boven de zee stonden. Toen zij nu elf jaar oud was, was
Kassafehs moeder door haar min gezegd: 'Je mag hier gaan, en je mag
daar gaan, overal in de heuvels, zolang ik of je meid bij je zijn.
Maar wat je ook doet, je mag nooit die hoogste heuvel ginds
beklimmen, die heuvel met de top van kale rots.' 'En waarom mag ik
dat niet?' wilde Kassafehs moeder weten. 'Omdat,' zei de min, 'die
plek gewijd is aan de goden. Het is hun Hoge Plaats en niemand mag
die schennen.' Kassafehs moeder, zoals men zich voor zal kunnen
stellen, kwam ogenblikkelijk tot de slotsom dat van alle plekken
ter wereld die zij wilde betreden, die kale heuveltop het
dringendst was. Dus op een goede morgen ontsnapte Kassafehs moeder
aan haar bedienden en ging op weg, en omdat ze lenig en gezond was,
deed ze een wedstrijd met de zon wie het eerst bij de heuveltop
was, en zij won.
Het was een verrukkelijke plek. Ver beneden spreidde zich de
statische wemeling van de zachtgroene heuvels uit, terwijl de voet
van deze piek vuurrood gekleurd werd door een zee van papavers. Ver
in de diepte glansde de zee als een lap zijde en hier was een spits
van heerlijke parelmoeren rots waarop een weidse blauwe hemel
rustte. Precies op de piek stond een marmeren altaar voor de goden,
maar in eeuwen had niemand er durven komen. Om een of andere reden
hadden ze het idee gekregen dat de goden hier in eigen persoon van
tijd tot tijd afdaalden en er rondliepen, hoewel dat niet het geval
was. Geloof is evenwel een vreemde zaak en kon, vooral in die
tijden, andere vreemde dingen laten gebeuren.
Kassafehs moeder ging op het altaar zitten - ze was een heel
oneerbiedig, zorgeloos jong ding - en tuurde met liefde naar de
hemel en de aarde en de zijden zee. Het kwam haar naderhand voor
dat de uren voorbijglipten toen ze even niet keek, en het zware
goud van de namiddag zonk neer op de kale top en zij sluimerde
zacht. Toen zij dan haar ogen opende, merkte Kassafehs moeder dat
zij niet langer alleen was.
Daar was een ongewone jongeman bij haar. Aanvankelijk hield zij hem
tenminste voor een jongeman, maar weldra begon ze zich af te vragen
of hij dat wel was. Zijn haar was een gouden spinrag en zijn ogen
waren heel vreemd, als prisma's die alle kleuren bevatten, en geen
enkele kleur. Onder zijn smetteloze witte huid waren violette
kantwerken van aderen te zien, niet lelijk zoals dit bij een ander
zou zijn geweest, maar heel mooi. Hij was naakt, onder een soort
helderblauwe mantel die aan zijn ene schouder wapperde - al was er
geen wind, en verder leek het kledingstuk eer uit zijn schouder te
groeien dan eraan bevestigd te zijn. Omdat hij naakt was, zag
Kassafehs moeder dat hij geen mannelijke geslachtsdelen bezat, maar
hij zag er ook niet echt vrouwelijk uit. Hij was eigenlijk bepaald
onzijdig, en toch ergens buitengewoon verleidelijk.Het is een god, dacht Kassafehs moeder. En ze liet
zich beleefd van het altaar glijden en knielde. Ze was niet bang,
kon niet bang zijn voor iets dat er zo smakelijk uitzag. Zij bezat
die bepaalde leeftijd, en het temperament, wanneer mannen grove en
zware wezens zijn, en wel fascinerend maar ook weerzinwekkend, en
hier had zij een mooi compromis.
De 'god' bewoog zich niet en sprak niet, dus hief Kassafehs moeder
het hoofd op en stond daarna op. Zij bezat het gebrek aan afstand
van de ware aristocrate en daarom sloeg zij haar ene arm om de
'god' en kuste hem bij wijze van proef op de lippen. Zij voelde
maar heel weinig, alleen het zinnelijke plezier dat hoort bij het
liefkozen van iets dat verrukkelijk is maar tegelijk onwezenlijk,
bij voorbeeld een beeld van gepolijst onyx. Wat de 'god' betreft,
hij vertoonde een vaag soort glimlach en zijn gouden wimpers
trilden even.
Nu was hij geen god, deze persoon, de goden bleven in de
Opperaarde. Maar er bestonden zekere elementaalwezens in die
regionen, of daar in de buurt, een ras van hemelwezens of schepsels
van de aether. Ze zwierven tussen wolken en sterren, baadden in de
rode wierook van zonsondergangen, tokkelden liedjes op de
uitgerekte zilveren snaren van de regen. Ze werden zelden gezien en
zelden hadden zij contacten met de mannen en vrouwen van de aarde,
die voor hen onoverkomelijk grofbesnaard waren. Ze hielden zich
liever op aan de grenzen van de Opperaarde, alwaar ze de goden
bewonderden door bewolkte vensters. En ze leken ietwat op de goden,
hoewel ook weer niet genoeg om hen door elkaar te halen. Het is
mogelijk dat het deze dolende elementalen van de Opperaarde waren,
of nauwkeuriger gezegd van de kelder van de Opperaarde, die
bezoeken hadden gebracht aan de kale heuveltop, daar verspied waren
en voor godheden aangezien. Waarom ze die plek bezochten is niet
bekend, en ook niet waarom deze ene er kwam toen Kassafehs moeder
er zat. Misschien wekte het zijn nieuwsgierigheid dat hij een mens
ontdekte op de gewoonlijk verlaten piek.
Maar nu, nadat Kassafehs moeder hem gekust had en hij met zijn
wimpers had gewapperd, sprak de elementaal met een ijle stem als
een harpsnaar.
'Kus mij niet weer,' zei hij, 'want mijn kus zou jou zwanger kunnen
maken.'
'O werkelijk,' zei Kassafehs moeder, nogal sceptisch, want ze kende
de feiten over de voortplanting op haar duimpje.
'Mijn volk kan inderdaad nieuw leven verwekken met een kus, maar
omdat jij sterfelijk bent, is ook het zaad van een sterfelijk man
nodig om in jou een kind te scheppen.'
'Als jij een god bent, zou het een eer zijn om jouw kroost te
dragen,' veronderstelde Kassafehs moeder. En nog een keer kuste zij
de elementaal. Deze sidderde over zijn hele lichaam, deze keer, en
plots vulde een verrukkelijke smaak als van ooft en wijn de mond
van Kassafehs moeder. Ze slikte, en de elementaal sloot zijn
violette, met goud gerande oogleden.
'Ik heb je gewaarschuwd, maar jij wilde niet luisteren. Het kost
geloof ik vijf kinderen voordat het zaad van een man en het leven
dat ik in jou heb gezaaid zich kunnen vermengen. Ja, jouw zesde
kind zal het mijne zijn.' En de elementaal verbleekte en terwijl
hij een zucht van voldoening, opwinding en schuld slaakte, liet hij
zich door zijn ongeduldige mantel omhoog hijsen en niet lang daarna
ging hij teloor in de blauwe hemel.
Kassafehs moeder ging daarna naar huis, bevangen door een zekere
bevreemding, en ze vertelde een paar leugens tegen haar min over
waar ze geweest was. Gelukkig had de ontmoeting geen waarneembaar
gevolg en tegen de tijd dat ze enkele jaren later trouwde met de
rijke kleinzoon van de piraat, en wegging naar het verre Veshum met
zijn witte muren, was Kassafehs moeder het voorval bijna vergeten,
en ze zag het nu aan voor een droom of fantasie uit haar
bakvisjaren.
Ze schonk de rijke man vier dochters en een zoon. Alle vijf waren
best knap, en de rijke man had geen klachten. Toen op een nacht lag
hij weer bij zijn vrouw en toen hij ditmaal zijn zaad in haar
loosde, werd de moeder van Kassafeh overrompeld door wel zulke
heerlijke scheuten van hartstocht dat ze het uitschreeuwde van
zaligheid - wat niet haar gewoonte was, want zij had gemerkt dat de
mannen (haar echtgenoot dus) eigenlijk maar een teleurstelling
waren.
De rijke man feliciteerde zichzelf met zijn vaardigheid en toen hij
vernam dat zijn vrouw opnieuw zwanger was, feliciteerde hij
zichzelf met zijn vruchtbaarheid.
Het kind kwam met weinig moeite ter wereld nadat de geijkte
tijdsspanne verlopen was en vanaf het begin bekeek Kassafehs moeder
haar nieuwste kind met belangstelling en bange vermoedens. En
naarmate Kassafeh groeide, zo groeiden ook haar interesse en bange
voorgevoelens. Hoewel het bepaald een sterfelijk kind was, zonder
enge toevoegingen aan haar lichaam of ontbrekende onderdelen, en
zelfs met iets van de leepheid van haar vader en het knappe
uiterlijk van haar moeder, en meer, bezat Kassafeh iets dat geen
van de andere kinderen bezat. Haar haren waren zo'n wild,
aetherisch, gepoederd goud, en haar ogen - de ogen van Kassafeh
konden van kleur veranderen, niet voorspelbaar of redelijkerwijs,
maar op een manier die stervelingenogen niet konden evenaren. Deze
vreemde eigenschap werd grondig over het hoofd gezien en genegeerd.
Men wimpelde het af als grillige streken van licht of schaduw, men
weet het aan de gelaatsuitdrukkingen van het meisje zelf. Maar het
kwam door geen van deze dingen. Het was klaarblijkelijk de erfenis
van het gedeeltelijk vaderschap van iemand die ogen als prisma's
had, met alle kleuren en geen...
Daarom, wanneer de rijke man sprak over zijn vaderschap met
betrekking tot Kassafeh, bloosde Kassafehs moeder. En hij dacht
terug aan haar ene kreet van vervoering, dacht dat ook zij daaraan
terugdacht en daarom bloosde, omdat ze daarna nooit meer zo gegild
had.
Ondertussen luisterde Kassafeh zelf, als ware dochter van haar
moeder zij het niet helemaal ware dochter van haar vader, aan de
deur. En haar ogen veranderden als vijvers van donkerst groen tot
lichtst, woedendst grijs terwijl zij over de negen maagden hoorde
praten en de waarschijnlijkheid dat zij als een van die maagden zou
worden gekozen.
Ik doe het niet, zwoer zij. Ik wil niet negen jaar lang in een ommuurde tuin
opgesloten zitten. En wat heeft een van die maagden er ooit aan
gehad? Als ze losgelaten worden, sterven ze bij bosjes. Toen
dacht ze eraan dat de negen maagden smetteloos moesten zijn, en
haar ogen werden indigo en zij ging een scherp, ontsierend mes
zoeken.
Maar toen ze het mes gereed had, keek ze woedend naar de punt ervan
en naar haar waterlelieblanke huid, en ze legde het mes weer
weg.
De grootse dag van de keuze was de dag hierna. En Kassafeh moest
erheen, samen met de andere maagden van dertien die in aanmerking
kwamen, naar het plein voor de tempel van Veshum. Tijdens de eerste
jaren van de cultus waren de maagden uit alle milieus afkomstig
geweest, maar naarmate Veshum welvarender werd, moesten ook de
maagden dat zijn. Alleen de dochters van de rijken en invloedrijken
werden tegenwoordig nog waardig geacht voor de eer van het dienen
van de god.
Ze werden over de trap voor de tempel naar een zaal geleid en
vandaar gingen ze na elkaar een kamertje in waar de verbitterde,
uit de tuin verbannen priesteressen hen met wrede, begerige ogen
onderzochten. 'Niet goed genoeg,' snerpten deze priesteressen.
'Moet je die ontzettende platvoeten zien, zie je die immense
moedervlek hier? Nee, nee, deze lijkt er
niet op.' Veel van de arme meisjes holden snikkend van vernedering
naar buiten. Toch waren er altijd minstens negen knappe maagden
zonder smetten, en dan zochten de priesteressen verder. 'Zo, wat is
dit nu? Pas dertien en nu al opengebroken I Schande, kleine slet,
pak je weg!'
Toen Kassafeh het kamertje inging, werden de priesteressen nijdiger
dan ooit, want ze zagen in één oogopslag dat ze hier de
volmaaktheid, gepaard aan totale kuisheid voor zich kregen. Dit
kleine mormel zou gaan wonen in de hemelse tuin waar zij nooit meer
in mochten komen. Wat haatten ze haar niet. Maar toen ontdeed
Kassafeh zich van haar kleren en nu glimlachten ze verliefd tegen
haar. 'Ah,' feliciteerden ze Kassafeh, 'wat een afzichtelijke
aanval van puisten heb je daar.'
'Ja wat erg hè?' zei Kassafeh, die de puisten de avond tevoren
gemaakt had van deeg en zijdeverf. 'En nooit heb ik er geen last
van. Altijd heb ik er minstens tien of twaalf. De heelmeester kan
er niets tegen doen.'
Maar ja, een van de priesters stond te kijken door een geheim gat
in de muur en al stond hij te trillen van emotie na al het naakt
waarvan hij gluiperig had genoten, van zo dichtbij was hij
scherpzinnig genoeg om een nep-puist te onderscheiden van een
echte. Dienovereenkomstig hield hij zijn mond voor het gat en
schreeuwde met een afschuwelijke stem: 'De god heeft deze maagd
uitverkoren en zal haar genezen. Haal water en was haar lichaam en
de puisten zullen van haar afvallen en zij zal rein
zijn.'
Kassafeh keek nijdig en de priesteressen mopperden, maar ze deden
wat hun gezegd was voor het geval de stem van goddelijke oorsprong
mocht zijn. En ja hoor, alle deegpuisten verlieten Kassafeh in het
water en zij bleef gezond en verrukkelijk over.
'Ik ga niet,' gromde ze.
De priesteressen geselden haar met fluwelen zweepjes die geen
blijvende sporen achterlieten en Kassafeh schreide opstandig. Niet
veel later werden de namen van de negen maagden geproclameerd, en
zij was de negende.
Zij had het zwarte beeld nooit eerbied betuigd. Ze vond het
monsterlijk en als beeld was hij inderdaad niet esthetisch.
Kassafeh veronderstelde dat de goden schoon waren. Hoewel zij de
waarheid over haar eigen verwekking niet kende, had Kassafehs
moeder haar talrijke verhalen verteld over de luchtige godheden van
de kustbevolking en dit waren de goden die Kassafeh geneigd was te
aanbidden. Nu verwenste zij het afgodsbeeld van Veshum en toen het
haar niet verpletterde, raakte zij ervan overtuigd dat hij even
waardeloos was als zij altijd al had gedacht.
Kassafeh overwoog te vluchten, maar kreeg de kans niet. Door haar
klagende, ontstelde ouders werd ze in haar kamer opgesloten en
daaruit pas weggesleurd op de ochtend toen de negen maagden over de
helling van de ring van negen bergen gingen.
De andere acht maagden lachten in hun vuistje en waren blij. 'Hoe
gezegend zijn wij niet,' kakelden ze tegen elkaar terwijl de
priesters hen volhingen met gouden versierselen. 'Wat zullen wij
niet gelukkig zijn.' Maar 'Mèhèhè,' blaatte Kassafeh minachtend
tegen hen, 'mèhèhè!' En toen een priester haar borst liefkoosde
toen hij haar gouden halsketting omhing, beet Kassafeh hem met
lichtgele ogen.
De stoet uit Veshum ging over de woestijn. De stoet bestond uit
koetsen met vermiljoenen baldakijnen met franje, priesters en
priesteressen die met bellen rinkelden en op trommels en gongs
sloegen, wilde beesten aan juwelen banden, voor de show, en een
massa mensen die gekomen waren om zich te vergapen. De hele dag
reisden ze voort, nu en dan pauzerend om koele wijn te drinken en
fruit en bonbons te eten, totdat ze aan het duinlandschap kwamen
van waaraf de ring van negen bergen zichtbaar was.
Hier kwam het patrouillerende leger op hen toerijden. De stoere
jongelieden salueerden. Het waren er ettelijke honderden. En van de
wachttorens rezen rookseinen op en de wachters bliezen op
hoorns.
De zon westerde, de hemel veranderde in een diep
blauwgoud.
Uit hun holen en grotten loerden de monsters en ze keften milde
vuurstralen naar de stoet. Enkele van de maagden, die bang werden
voor de monsters, gilden en bezwijmden. Kassafeh was niet een van
hen. Ze keek naar de aanvoerder van het leger, een knappe jongen.
Ze keek met spijt. Maar de aanvoerder kende zijn roeping en keek
helemaal niet naar haar.
Van hier, terwijl het licht troebeler werd, kon je heel duidelijk
de elektrische flitsen zien die wegschoten van de top van de
bergen, waar de hete muur stond. De stoet begon aan de beklimming
van de berg. Klokjes en cymbalen rinkelden en rammelden, en de
monsters likten hun lippen af toen ze de reizigers van buiten
zagen, en waarschuwden hen niet achter te blijven bij de mensen van
Veshum. Vlak voor zonsondergang hobbelde de menigte over de laatste
hoogte en stond toen voor de verschrikkelijke muur.
Deze kleedde zich in een glimmerende nevel, als gesmolten en
dampend metaal. Op een bepaalde plek leek een bos van zwarte bomen
een levende aanwezigheid te verhullen - de ongeziene, gruwelijke
bewaker van de muur? Toen, terwijl de hemel koperkleurig werd,
opende zich een spleet achter de bomen in de gloeiende stenen van
de muur.
'Kom naar buiten, O heilige dochteren van de gouden put!' zongen de
priesters. 'Kom uit de tuin tot ons, uw diensttijd is
afgelopen.'
En het duurde niet lang of daar sloften negen zielig snikkende
maagden naar buiten, die hun kleren verscheurden en zich de haren
uittrokken. Het rituele bevel durfden ze niet in de wind te slaan,
maar hun hart brak.
Kassafeh kon zich niet langer inhouden.
'Wees blij!' riep zij luide. 'Wees blij dat jullie geen slaven meer
zijn - ik zou dolgraag met jullie ruilen!'
Maar de priesters ramden vlug op hun trommels en lieten hun gongs
galmen en overstemden haar aldus. Tegelijkertijd, voor alles doof
en blind, wierpen enkele van de negen voormalige bewaaksters zich
zoals gebruikelijk van de berg. De anderen weenden en plengden
tranen. Met haar ogen kobaltblauw van woede hield Kassafeh haar
mond.
En te midden van een vloedgolf van muzikaal lawaai en gezang,
gebeden en zegeningen en het ellendige gejammer van de verbannen
maagden, dromden Kassafeh en haar acht metgezellinnen naar voren.
Aan weerskanten gloeide de hitte als van een smidsvuur en uit deze
hitte grijnsde een wezen goedkeurend naar de maagden terwijl ze
erlangs vluchtten, en dat moet de bewaker van de deur geweest zijn.
Terwijl ze langs hem heen rende, stak Kassafeh haar tong tegen hem
uit.
En toen was de hitte weg, en de deur achter hen ook, en tegelijk de
hele alledaagse wereld.
De gouden dochters waren in het paradijs gearriveerd.