Vijf
De zon was opgekomen boven
het woud van versteende ceders. Zijn pijlen hadden het zwarte,
breed vertakte bladerdak niet doordrongen; de zon was vertrokken en
was opgevolgd door de blauwe schemer. En de schemer doordrong het
woud zoals de zon niet had gekund.
De vuurrode tent van Narasen was opgezet op een glooiing tussen de
buitenste bomen. Voor de tent flakkerde een toorts en niet ver weg
brandde het kampvuur van Narasens soldaten. Hier zaten zes mannen.
Het vuur glinsterde op hun ogen en tanden, en op de spellen die ze
speelden met plakjes geverfd hout. Ze waren niet op hun gemak. Als
ze vloekten, deden ze dat op gedempte toon, en zelden spraken ze
andere woorden. De overige twee soldaten patrouilleerden als
schildwachten rond het kamp. Maar de laatste twee van de tien waren
de vorige avond gedeserteerd, weggeslopen van de weiden om de
boomgaard van de heks omdat ze niets ophadden met de glimmerende
lichten en de fluisteringen die uit die richting kwamen.
In de tent wachtte Narasen. Ze had alles gereed staan. Zelfs haar
lichaam had zij voorbereid, de afschuw van zich afgezet en
hardnekkig denkend aan Merh. Voor haar stond een beker met een
sterke, donkere likeur, waarvan ze ternauwernood geproefd had.
Naast de beker stond een houten kistje.
In het cederwoud schrok een van de schildwachten op en staarde om
zich heen. Maar hij zag alleen drie haastig rennende zwarte
hagedissen.
Bij het vuur mompelde een van de soldaten: 'Ik weet niet zeker of
ik haar wel als mijn koningin en heerseres beschouw. Eerst gedraagt
ze zich als man en slaapt met vrouwen, dan speelt ze de hoer en
spreidt haar benen voor alle rammen van Merh. En nu maakt ze de
doden het hof.'
Maar de aanvoerder van de soldaten sloeg hem op de mond en verzocht
hem deze gesloten te houden.
'Ze heeft gedaan wat ze moest om ons land te redden,' zei
hij.
En zijn ogen zeiden: 'Ze is een hoer en een kreng en een tovenares,
maar ze betaalt mij nog altijd mijn loon.'
De jongen was amper zestien toen hij stierf. Zijn broer doodde hem
op dezelfde dag dat Narasen terugreed naar het cederwoud. De slag
die hem doodde was niet dodelijk bedoeld geweest; de broers hadden
ruzie. De oudste was stoer en ruw en werkte hard als een paard in
de looierij van hun vader. De jongste broer was lui, beweerde de
oudste, en hij drentelde liever langs de rivier waar de bloemen
over het water hingen en daar tuurde hij in hun weerspiegelingen,
die hem leerden hoe hij ook naar zichzelf kon kijken. 'Jij bent een
meid, en je gedraagt je net zo stom als een meid,' zei de oudste
broer woedend, en, vergetend - of wellicht niet - dat hij een
scherp mes om huiden mee te snijden in de hand had, sloeg hij zijn
broer op de arm. Het mes sneed diep en boorde een levensader aan.
Het bloed stroomde over de vloer van de looierij. De jongste broer
sloot meteen de ogen en viel neer en binnen de kortste keren was
hij dood en wit als koud marmer.
De dorpsvrouwen snikten toen ze de zoon van de leerlooier
klaarmaakten voor het graf. Nooit was er zo'n knappe jongen
geweest, zeiden ze tegen elkaar. Ze wasten zijn bloedloze lichaam
en kamden zijn gele haar. Ze verborgen de wond in zijn arm onder
een zijden band. 'De dood is wreed,' zeiden de vrouwen,
onterecht.
De dorpelingen droegen de dode knaap naar het ommuurde
graventerrein op de heuvel. De oudste broer sjokte achter de baar
aan. Hij had citroensap in zijn ogen gewreven om ze rood te maken
en te laten tranen. Niemand had hem de dodelijk slag zien
toebrengen. Hij had het dorp verteld dat zijn broer tegen een
werktafel was gestruikeld en zich gesneden had aan het mes dat daar
lag.
Ze legden de jongen op zijn baar in de graftombe en sloten de deur.
De priester en de verwanten bleven, voor de eerbiedige wake van een
nacht.
Twee uur voor middernacht ging de deur van de graftombe open en
daar kwam de dode zoon van de leerlooier naar buiten. Bloedloos was
hij nog steeds, en op zijn hoofd droeg hij de krans van bloemen die
de dorpsvrouwen voor hem hadden gevlochten. Links noch rechts
blikkend schreed hij heen over het pad tussen de ontstelde
toeschouwers door. Hij liep regelrecht naar de stenen muur om het
kerkhof en daar werd hij gegrepen door een zwarte windvlaag uit de
nacht die hem meedroeg. De verwanten begonnen te bidden, de
priester bezwijmde. De oudste broer vluchtte gillend en verdronk
zichzelf in een van de looierskuipen.
Het was middernacht. De soldaten zaten er nu bij als stenen, alsof
ze tegelijk met de ceders versteend waren. Het vuur was klein
gebrand en de fakkel voor de tent stond te sputteren.
Een wind blies door het woud, uit het woud en door het kamp en
verspreidde de roze sintels van het vuur en hergaf beweging aan de
kleren en het haar van de versteende soldaten. Toen was de wind
weer verdwenen.
Uit het woud, achter de wind aan, kwam langzaam een gestalte
gelopen.
Langzaam, even langzaam als de gestalte naar hen toe liep, kwamen
de soldaten overeind. Ze gingen achteruit, verder dan nodig om deze
tengere jongen met de krans op zijn hoofd en de zijden band om zijn
arm te laten passeren. De soldaten gingen achteruit tot hun
ruggegraat de koude stam van een ceder raakte of tot ze het houvast
voor hun voeten verloren. En daar waar zij niet verder konden,
bevroren zij. De jongen liep door tot hij bij de tent van de
koningin was.
Narasen, die voor de nauwelijks geproefde drank en het houten
kistje zat, keek op toen de vuurrode tentflap bij de ingang bewoog.
Maar ze bleef zitten waar ze zat en ze kneep haar ogen halfdicht om
goed te kunnen zien wat Uhlume, Meester van de Dood, haar had
gezonden.
Na een ogenblik ademde ze uit en glimlachte tegelijk.
Toen stond ze op en terwijl ze naar de verschijning
toeliep,
bestudeerde zij hem angstvallig, en vervolgens raakte ze hem
aan.
'Zo,' zei ze verwonderd. 'Je meester behandelt mij goed.'
Ze leidde hem naar het midden van de tent en gezeglijk als een heel
klein kind liet hij zich leiden. Hij bezat geen eigen wil, alleen
die van de Dood, en nu haar wil, omdat zij zijn dienst had gekocht
van de Dood. Narasen bestudeerde hem opnieuw, en cirkelde om hem
heen en keek weer aandachtig.
Uhlume had inderdaad nauwkeurig rekening gehouden met haar
voorkeur, zoals hij had beloofd, en rechtvaardig was hij ook geweest. Hier was niets
doods aan. Alles was lief en intact, een genot voor de zintuigen
zelfs, voor het gevoel, de reuk en het gezicht. De blauwe ogen
waren open, een weinig verglaasd, maar alleen als door slaap of
wijn, vloeibaar eer dan leeg, loom en buitengewoon inschikkelijk.
Maar niet alleen in dit opzicht was Uhlume rechtvaardig geweest. De
knaap, die tijdens zijn leven meer meisje dan jongen was geweest,
had de schoonheid van een meisje bezeten. Zijn omtrekken waren
tenger, maar eerder afgerond dan hoekig; ruw of grof was hij
nergens. Ondanks zijn dodelijke bleekheid,
hadden de twee knoppen op zijn borst nog altijd een lichte kleur,
de kleur van de mond van de heks, de eerste warme tint van het
ochtendgloren, en dat was ook de kleur van zijn mond. Zijn gezicht
was waarlijk als van een meisje, het gezicht van een maagd,
helemaal glad en teergevormd als iets dat eer geschapen is dan
geboren. En langs het gezicht hing het fijne lange haar als een
topaaskleurige bloesem van zijn ivoren huid, en het bloeiende haar
was bekroond met bloemen alsof hij op weg was naar een feestmaal of een bruiloft.
Narasen vertelde het lichaam van de jongen door duwen en leiden dat
het op de tapijten moest gaan liggen. Toen dat gebeurd was, pakte ze het houten kistje dat de heks haar had
gegeven en opende het. Erin lag een gevlochten koord en dit koord
trok Narasen nu over het sluimerende jongenslichaam voor zich, over
schouders en romp, tussen de vingers van de tengere handen en over
de passieve lendenen. Daarna wierp ze het koord snel van zich
af.
Het raakte de vloer van de tent even voorbij de lampen en uit het
halflicht daar, kwam een flikkering als van een lemmet dat uit de
schede wordt genomen.
Narasen strekte zich uit naast het lichaam van de prachtige knaap
en drukte haar lippen tegen het gezicht dat als het gezicht van een
maagdelijk meisje was.
'Als je lichaam zich nog iets herinnert,' zei Narasen, 'beeld je
dan in dat ik een man ben die je bemind hebt. Stel je voor dat ik
hem ben. Ik misbruik je niet. Het is je minnaar die je nu
kust.'
Toen knielde zij boven hem en liefkoosde zijn lichaam met haar
handen en mond op de huid die nog geurde naar verse oliën en de nog
dralende geur van het leven zelf.
In het halflicht achter de lamp spande en trilde iets. Gedempt
licht speelde over een netwerk van kleine vuurtjes. Een slang met
amberkleurige schubben, uitgeput, op zijn buik met zijn kop in de
schaduw - een slang, het koord uit het houten kistje.
Narasen maakte de bewegingen van een rivier met haar handpalmen
over het lichaam van de jongen. Haar losse rode haar hing over hen
beiden, omhulde hen met rood, zoals de rode tent hen beiden
omhulde. Haar handen glipten in de ondiepe rivierbedding, tussen
het dunne gouden riet. Haar handen volgden de loop van de rivier,
als daar een rivier gekomen was.
In het halflicht achter de lamp rilde de amberen slang over zijn
glinsterende volle lengte, het licht weerkaatsend, hoewel zijn kop
in de schaduw bleef.
Narasens vingers omvatten de wortel van de rivier, zijn bron. Ze
liet het hoofd zakken om van de wateren van de bron te drinken, als
er water was geweest.
In het halflicht gaf de slang een ruk. Hij golfde. De slang werd
een rivier, de rivier die zwol en stuwde in de rivierbedding. De
kop van de slang ranselde op de bodem. Uit de schaduw rees de kop
van de slang op. De kop van de slang stond recht. De slang danste
op zijn staart.
Narasen richtte zich op. Ze omhulde de jongen in een derde rood
paviljoen. Het licht gleed over haar rug als zilveren dolken, zoals
het over de rug van de kronkelende slang gleed. Narasen staarde in
het gelaat van een maagd, met de fallus van een man binnenin zich,
en ze dacht aan Merh. En Merh was een luipaard en de strijd van de
luipaard op de speer. En Narasen kromde haar rug van het plezier
waarmee ze deze luipaard afslachtte, en ze voelde de dood van het
dier als haar eigen dood.
En de slang richtte zijn kop op en sperde zijn kaken wijd open en
spuwde sissend een regen van vurige naalden uit.