Negen
De roos van de maan was
verzonken, de rodere roos van de zonsopkomst lag een uur in de
toekomst.
De nacht drukte zich tegen de aarde in een laatste zwarte
paring.
Simmu kwam binnen met de tred van een lynx in een even zwarte
kamer. Er brandde geen lamp; de vensters waren verduisterd.
Kassafeh, de negende maagd, sliep kennelijk in het donker van het
graf. De voorbereidingen waren al getroffen.
Net als bij de anderen vlijde Simmu haar vrouwelijke gedaante op
het bed. Anders dan de andere maagden, verroerde deze negende maagd
zich meteen en met een slaperige stem verklaarde zij: 'Ik heb het
al eerder gezegd, ik zal mijn bed niet delen met panters of andere
beesten.' En zij stak haar hand uit en legde die zonder omwegen op
Simmu's vrouwenborst. 'Nou, wie hebben we daar nu?' vroeg
Kassafeh.
Ditmaal kon Simmu moeilijk zeggen: 'Ik ben het, Kassafeh.'
Bovendien hield de keurig geplaatste en nu zacht verkennende
vrouwelijke hand alreeds danig huis in Simmu's vrouwelijkheid.
Daarom schoof Simmu een eindje weg van haar bedgenote en liet zich
overrompelen door de mannelijke drang.
'O zuster,' fluisterde Kassafeh, 'je lijkt niet helemaal precies
hetzelfde als ik mij herinner.'
'Het komt door een akelige droom die ik had,' fluisterde een
vleiende, zoetgevooisde stem, die niet meer helemaal de stem van
een meisje was.
'Arme zuster mijn, je moet me er alles over vertellen,' drong
Kassafeh aan. 'Maar laat mij slechts deze zware dekens van het bed
gooien, want de nacht is zo warm.'
En ze deed het meteen en tegelijkertijd pakte ze de brandende lamp
die ze onder de plooien van de dekens onder het bed had verstopt en
met een schreeuw van triomf maakte ze een sprong en landde knielend
boven Simmu met de lamp in de ene hand en de scherp geslepen
vuursteen in de andere, hoog geheven hand.
In drie jaar had ze geen man gezien. Het is ook te betwijfelen of
zij ooit een man als deze had gezien, een zo knappe, zo
leeuwensterke en zo fraai gebouwde man, als een versgemunt
koperstuk in haar bed, die naar haar opkeek met geschrokken,
schrikwekkende kalkgroene ogen.
'En,' zei hij, 'dood je me nog of hoe zit dat?'
Natuurlijk wist hij heel goed dat ze dat niet zou doen. Hij toonde
zich verrast, maar zeker niet ongerust.
'Misschien dood ik mezelf,' zei Kassafeh, 'in plaats van me uit te
leveren aan jouw wellust, welke wellust bepaald opvallend
is.'
'Je ogen waren gesmolten, maar nu hebben ze de kleur van de jonge
nacht. Hieruit concludeer ik dat jij lief voor mij zult
zijn.'
'Wat wil jij in de Tuin van de Dochters - behalve dan met ons
vrijen, want buiten de muur zullen er wel vrouwen in overvloed
zijn.'
'Niet zulke vrouwen als jij,' antwoordde Simmu. 'En nu zijn je ogen
donker als hyacinten.'
Kassafeh lachte geluidloos en legde het mes weg en zette de lamp op
de vloer naast het mes. En tegelijk omcirkelde hij haar middel met
zijn handen, en zijn vingertoppen raakten elkaar bijna doordat zij
zo slank was, en zo hield hij haar vast, en haar heerlijke haar
stroomde over hen beiden.
'Ben jij van de demonensoort?' vroeg Kassafeh.
'Ik heb geleefd met enkelen van hen,' antwoordde Simmu, 'en ik ben
omgegaan met één die de Heer der Demonen is, de Heerser van de
Nacht.'
'En was je van plan die lompe god van Veshum belachelijk te
maken?'
'Alle goden, maar vooral de Dood.'
'Zeg me waarom je hier bent,' zei Kassafeh. 'Bereidwillig zal ik
met je vrijen, maar je moet het me eerst vertellen.'
'Dan vertel ik het je,' zei hij, 'maar alleen één keer.'
En hij vertelde haar van de twee putten en hoe het slaan van een
bres in het glazen reservoir wiskundig gereduceerd was tot het
slaan van een bres in negen maagdenvliezen, en dat de
onsterfelijkheid neer zou dalen en dan zou hij die
stelen.
'Hé, je bent een held,' zei Kassafeh verwonderd. En toen liet zij
zich tussen zijn armen zakken met zo'n honger naar liefde dat er
tussen hen in vuren leken te ontbranden.
Kassafeh leverde zich aan Simmu uit zonder een kreet te slaken, of
met een zo zacht kreetje dat alleen hij het hoorde.
Het was de nacht die krijste, de nacht, en ook het geschonden
dal.
Eerst kwam er een donderslag. Het land kromp ineen, de sterren
leken uit hun sokkels geschud en waggelden rond. Toen kwam er een
bliksemschicht, een verschrikkelijke bliksem die de ene lap duister
van de andere scheurde, die de hemel vierendeelde en her en der de
brokstukken van verzengde lucht smeet. En de schicht sloeg in: in
de tuin. Hij verbrijzelde de gouden koepel van de tempel en die
koepel brak als een eierschaal en de vergulde scherven woeien wijd
en zijd. En omlaag door het gat joeg de schicht en hij ontwortelde
met een ontzaglijke klap het metalen bassin met zijn benen stop. En
na deze slag lag daar bloot de kleine ronde slijmerige put die
onder de hallucinatie van goud en ivoor verstopt was.
In elkaar verstrengeld in stuiptrekkingen van genot besteedden de
twee minnaars geen aandacht aan deze omwentelingen. De nacht had
zijn toevlucht genomen tot de nabootsing: menig huis had lijken te
beven op zo'n moment.
Maar weldra, toen ze uitgeput neerlagen, hoorden zij het lot door
de hemel marcheren. En over deze onheilspellende voetstappen als
trommelslagen, stroomde een stilte. En in die stilte knalde een
geluid dat de spieren tot water maakte en het haar overeind joeg en
het hart liet stoppen: een enkel, ijzig krak.
Het begon te regenen in de Tuin van de Gouden Dochters. Het regende
slechts op één plek. De regen, een smalle waterval, viel uit een
onzichtbare maar volkomen stationaire bron in de hoogte, dwars door
de gebroken tempel, recht in de keel van de tweede put. De regen
zag er dik en stroperig uit. Glinsteren of glanzen deed hij niet.
Hij had de kleur van lood.
De bui duurde enkele seconden, of minder. Toen was de oorsprong van
de regen weer verzegeld of had zichzelf gerepareerd. Het maakte
niet uit. Het water van de onsterfelijkheid was vermorst en was nu
beschikbaar.
In de hoogte dreven de donderslagen af. Maar wolken zweefden als
netten tussen de sterrenscholen en een koude wind tierde door de
tuin. En toen deze koude wind vertrokken was, verkeerde het dal in
de greep van de verandering.
De magie die de heks daar gebouwd had, was verkruimeld en had
slechts fragmenten en rafels achtergelaten. Een illusoire tijger,
transparant als een oranje geest; een door de bliksem verpletterde
ruïne die geen goud meer was. De brandende muur was zijn hitte
kwijt. Zijn knetterende corona was uitgedoofd. Hier en daar waren
er delen ingestort tot zacht puin. Buiten jankten de monsters
doelloos tegen de sterren, of ze krabden zich. Beneden waren de
patrouilles -die nog halfslachtig op zoek waren naar de
zelfmoordmaagd (Simmu) - doodsbang op hun gezicht gevallen toen de
bliksem insloeg en nu wezen de soldaten ontgoocheld naar de
uitgebluste muur vol gaten. Een bizarre paradox: na
tweehonderddrieëndertig jaar was er eindelijk iets om te bewaken,
de onsterfelijkheid in de tweede put en nu was er geen behoorlijke
wachter meer over.
In de woestijn, een troosteloze achtergrond vormend, jankten wilde
honden - waarom is niet voorstelbaar, want zij hadden er niets mee
te maken.