Elf

Zhirem liep naar het zuiden tot hij aan een brede groene rivier kwam. Er woonden geen mensen in de buurt en er was geen brug of andere manier om over te steken. Hij vatte dat op als een slecht teken, dat hem verbitterd moest stemmen en hij liep verder langs de rivier, naar het westen. Hij had twee maanden gelopen, alleen, zonder achterom te kijken, en eigenlijk keek hij helemaal nergens naar. Hij werd niet meer met stenen bekogeld. Hij merkte amper dat geen van de stenen hem trof - misschien dacht hij dat dat ook niet de bedoeling van de werpers was geweest. Later, toen hij kwam waar ze hem helemaal niet kenden, maar wel begrepen dat zijn kledij betekende dat hij van een of andere priesterorde was, gaven vreemden hem soms eten en onderdak. Zhirem aanvaardde alles en niets met gelijkmoedige, wellevende onverschilligheid. Deze wereld was mist voor hem, en door de mist trok hij voort, op zoek naar een zwarte schaduw die hem zou opeisen, de schaduw van de nacht die de mensen Azhrarn noemden. En zelfs terwijl hij zocht, geloofde hij er niet echt in. En zelfs terwijl hij sceptisch bleef, bevroor zijn bloed van angst dat het misschien waar was.
De bedding van de rivier rees omhoog naar zijn bron, werd hoog en smal tussen steenachtige hooglanden. Zhirem klom met de rivier mee, en de lucht werd helder als kristal, en gele adelaars cirkelden in de hemel boven hem en het land was ook geel, en alleen de rivier nog groen.
Tijdens de dag dat hij klom, kwam Zhirem door vier dorpen. De mensen zagen hem en wezen hem na. Daar was alles een sensatie, want er gebeurde zilden iets. Een uur na Zhirems doortocht konden de dorpelingen opnieuw wijzen, want daar ging een meisje met abrikooskleurig haar voorbij, dat een handvol riviergras liep te eten, en ze plaatste haar voeten in het stof waar Zhirems voetafdrukken nog zichtbaar waren.
Tegen het vallen van de zon holde er uit een verlichte deuropening in het vierde dorp een vrouw naar Zhirem toe.
'Ga niet verder, reiziger. Hierna begint een vreemd, woest oord waar niemand zich na donker nog waagt.'
Zhirem bleef staan. Hij keek naar de vrouw. Haar woorden schenen een weerklank in zijn innerlijk te vinden. Ontroerd door zijn blik en zijn schoonheid, smeekte zij hem het huis van haar vader binnen te gaan en met hen te eten. Als een blindeman die geleid wordt, liet Zhirem zich door haar in het huis voeren.
Veel was er niet te eten. Gestoofde vis uit de groene rivier, zwart fruit van de karig dragende, onwillige bomen. De vader was bejaard en hield van praten, en de vrouw staarde Zhirem aan met haar hongerende ziel zichtbaar in haar ogen. Ze waren vriendelijk tegen hem om hun 'eigen zelfzuchtige redenen.
Zhirem at bijna niets. Hij luisterde naar het hak op de tak-gepraat van de oude man. Na een poos vroeg hij waarom ze bang waren voor het terrein ten westen van het dorp.
'Men vertelt er grimmige dingen over,' zei de oude plechtig, 'en grimmige wezens gaan erheen. De beesten daar zijn onnatuurlijk. In de tijd van mijn vaders vader, verdwaalde er een kind daarginds en drie mannen gingen het na. De nacht kwam en de nacht vertrok, en maar één man keerde terug, en die was tot de dag van zijn dood een idioot.'
'Het is een land van valkuilen en moerassen,' zei de vrouw. 'Er is een meer, zeggen ze, helemaal van zout. En de gehoornde paarden komen daar dansen; maar dat is nog vele mijlen reizen verder. Bovendien is er een muur en daar kan niemand overheen, behalve demonen.'
'Demonen,' zei Zhirem, zo zacht dat alleen zij hem hoorde, want zij hing aan zijn lippen.
Toen Zhirem gaan wilde, probeerde de vrouw hem in het huis te houden. In de deur staand beloofde zij hem talrijke dingen, maar hij duwde haar opzij en trok de nacht in. Terwijl zij tegen de deurpost stond te snikken, glipte er een ander voorbij, iemand die al deze tijd op straat gezeten had en naar het lichte venster had gestaard. Simmu die al twee maanden op zo'n manier van een afstand toekeek, naar Zhirem in de huizen van mensen, of Zhirem wanneer hij slapend op de grond lag.
Er liep geen pad uit het dorp. Alleen het magere restant van de rivier ging verder, en dit kwam al spoedig aan zijn eind, of eer zijn begin, dat bestond uit drie slanke watervallen boven de rots. De maan was nog niet opgekomen, en voorbij deze plek was alles onduidelijk, een scherpgetande vlakte die weghelde en nogmaals helde naar een verre hemel als zwart bloed.
Hiertegenover staand, zonder zelfs de maan, aarzelde Zhirem. De mist voor zijn geestesoog trok op; hij realiseerde zich hoe ver hij gekomen was, en met welk doel. Het lichtloze land voor hem leek plotseling als de poort tot een hel, tot de Onderaarde zelf, het domein van de demonen.
En terwijl hij zo aarzelde, voelde Zhirem iemand in zijn buurt. Toen hij omkeek, zag hij achter zich op het hogere terrein een gedaante met de vorm van een meisje en het haar van een meisje.
Zhirem werd boos. Hij veronderstelde dat de vrouw uit het dorp hem achterna was gelopen. Hij maakte een afwijzend gebaar met zijn hand dat zei: 'Ga terug en laat mij alleen.' Maar de meisjesgedaante verroerde zich niet. Toen keerde Zhirem op zijn schreden terug. Hij liep de helling op om haar te zeggen dat zij naar huis moest gaan. In het trage donker, was hij heel dicht bij haar voordat hij de waterval van haar herkende, als van iemand die hij beter kende.
'Ik rekende erop dat ik van jou af was,' zei Zhirem. 'Ik schertste niet toen ik je vroeg een andere weg te nemen dan de mijne. Ik kan niet ademen als jij nabij bent, alle winden worden een gif. Jij bent mijn schande en mijn nederlaag. Ik wil jou niet zien. Ik zal mijzelf aan het verdorvene aanbieden, maar ik wil jou niet verdragen als herinnering. Mogen de booswillende goden jou vernietigen, want ze hebben gif in overvloed als ze bestaan. Zoniet, draag dan mijn eeuwigdurende vijandschap met je mee. Verschrompel en wees vervloekt en verdwijn uit mijn ogen.'
Al deze tijd, terwijl hij deze dingen zei met troosteloos geweld, zag Zhirem alleen wat hij verwachtte, het raadselachtige gezicht van Schelp.
Maar net op dat ogenblik begon er een amberen maan op te komen en Zhirem zag dat het een vrouw daar voor hem was, het meisje met wie hij tussen de bloeiende olijven had gelegen, het meisje uit zijn droom van zonde, dat ook Schelp was.
Zhirem werd bang, bang omdat hij het niet begreep. Hij snauwde van angst en hij rende weg naar de poort van de hel.

Er was een muur. Hij lag drie mijl gaans in de eigenaardige doodse landen na de rivier. De blokken van de muur waren van glad gekapte steen. In een tijd voor mensenheugenis had een heerser opdracht gegeven voor de bouw en hier en daar was er tussen de stenen een schedel gevoegd, want de heerser was van het soort geweest dat dergelijke versieringen waardeerde en zijn slaven doodde om aan de benodigde schedels te komen. Dit onplezierige aspect van de muur had de reputatie van het gebied niet verbeterd.
Honderden of duizenden jaren geleden had een kanker het landschap opgebrand tot het zwart was. Zwart overdag, zwarter 's nachts. Mistwolken meanderden hier, komend van en gaand naar de moerassen, en dieper het land in, acht mijlen naar het westen, lag een meer van zout roze te glinsteren onder de roodbruine maan. Hier gedijden exotische misvormde bomen met vruchten die glansden als geelkoper, en hier, op de brede donkere oever van het meer, was bekend, hadden eenhoorns gedanst, gevochten en gepaard. En ook deze nacht kwamen de eenhoorns, alsof zij de zegels waren van de angst en het smachten van een man, slechts aspecten van Zhirem en zijn koortsige overgave aan het duister.
De eenhoorns waren wild en woest, niet wit als duiven maar met de kleuren van vuurrode gom en oud geel bot en ze hadden gedraaide hoorns van aangeslagen, smoezelig goud. Het waren er drie. Ze kwamen uit de bizarre wouden waar de koperen vruchten rinkelden. Er schoot een haas uit een bosje. Een van de eenhoorns stampte hem met een voorpoot de grond in, rukte en scheurde eraan met zijn wrede gouden tanden en schopte toen het lijk opzij en liep verder.
Op de oever van het meer renden en cirkelden de eenhoorns en hun hoeven knersten over het glitterende houtskoolzwarte zand. Een ervan had een zilveren litteken op zijn flank alsof hij door een ster gebrand was. Hij kruiste zijn enkele hoorn met de enkele hoorn van een ander. Terwijl ze hun koppen naar de grond bogen, en in het zand krabden, en elkaar woedend aankeken vanonder een onmogelijke hoek, begonnen ze een duel. De gedraaide hoorns raakten elkaar, botsten, gierden, sloegen vonken, maakten zich schurend van elkaar los en kwamen weer terug als twee wazige zwaarden. De derde eenhoorn, die geen partner had, steigerde om de maan te geselen en te doorsteken.
Zhirem zat op een kei nog geen honderd passen verderop.
Hij staarde naar de eenhoorns, gehypnotiseerd door hun aangeboren gruwelijkheid.
De verbrokkelende schedelmuur was toch makkelijk te beklimmen geweest. Omdat hij geen bepaalde richting voor ogen had gehad, nam Zhirem aan dat iets hem hier naar de dansvloer van de eenhoorns had geleid. Zij waren na hem gearriveerd. Hij vroeg zich terloops, onbevangen af of ze hem zouden ruiken en op hem af zouden galopperen om hem te verscheuren zoals de aanvoerder de haas had verscheurd. Maar hij wist ook dat een of andere duistere entiteit hem voor zichzelf bewaarde. Of hij dacht dat hij dat wist.
De door de ster gebrande eenhoorn had zich opgericht en sleurde ook zijn tegenstander omhoog. Ze leunden samen tegen de hemel, de degens verstrengeld en rollend met de ogen. De derde eenhoorn gaf een schreeuw, draafde als een circuspaard door de boog die de twee duellisten vormden en boog zijn kop naar links en rechts om beide te schrammen met zijn verschrikkelijke hoorn, maar de steken waren licht, bijna liefkozend. In die seconde, terwijl het zwarte bloed stroomde, verscheen er een vierde gedaante op de oever van het meer.
Simmu liep daar naakt met haar haren en de groene vuurvlek voor de holte van haar keel. Ze liep als een van de dwalende moerasnevels, even bleek, schijnbaar even gewichtloos.
De eenhoorns maakten zich los van elkaar en begroetten de nieuwe uitdaging. Ze groeven het zwarte zand op met hun voorhoeven, ze lieten hun kop weer zakken met hun zwaard gereed om te steken en te snijden. De geur van hun eigen bloed wond hen op, de herinnering aan de verscheurde haas was nog vers. Maar het meisje dat naar hen toeliep, liep door, en de wind tilde strengen van haar lange haar over de maan en zij hief haar armen op alsof de wind ook die optilde, en zij danste. Niet de dans van de eenhoorns, maar van de Eshva. Een mooie dans.
Nu was er geen geluid op de oever behalve dat van de grashalmen die door de wind getokkeld werden. Simmu danste en de eenhoorns smolten, als rode en gouden was, tot roerloze vormen. Weldra knielden zij en lieten hun kop op het zand rusten, hun wrede bekken gleden halfopen en hun lang-gewimperde oogleden sloten. Nog danste Simmu.
Ze danste tot het meer en de hemel en de hele wereld voor haar ogen verwaasden. Ze danste in de sluiers van haar haar. Ze had deze betovering, deze dans van de Eshva, niet gekend tot dit moment. Het kwam uit de groene steen, het kwam uit haar lendenen en haar hart.
Eindelijk werd ze moe en kon niet meer dansen, maar nog draalde de dans in haar. Ze ging tussen de eenhoorns, maar alleen hun oogleden trilden, als gras. Ze ging naar de plek waar Zhirem, onbeweeglijk, op de steen zat. Hij scheen haar niet te kennen, maar hij keek alleen waar zij stond.
'Ik heb je geboeid,' zei zij, 'met toverij. Zal ik je laten gaan?'
Langzaam schudde hij zijn hoofd.
'Nee. Hou mij geboeid.'
'Toen je me zag, haatte je mij,' zei zij, 'maar toen de eenhoorns mij wilden doden, werd je bleek.'
'Jij bent een demon,' zei hij. 'Ik zal je niet meer loochenen. Breng je soortgenoten.'
'Ik ben niet van de demonen,' zei Simmu, 'maar deze steen om mijn nek brengt misschien enkelen die eens samen met mij waren. Misschien. En zij zijn demonen.'
Toen ging zij naar hem toe en kuste hem.
Op de oever kwamen de eenhoorns bij elkaar, een voor een, en hun koppen rezen naar de maan en zonken terwijl ze over elkaars rug zwommen.
De man en de vrouw zwommen diep in de diepe schaduw van de steen, in elkaars gezicht starend, totdat elk zag hoe de ander blind werd en op zijn beurt blind werd.
Later viel de maan. En Zhirems grote ogen werden verdonkerd toen het licht uit de hemel vluchtte.
De heilige mannen van de woestijn hadden hem grondig geleerd bang te zijn voor zichzelf en zijn vreugde; de heilige priesters van de tempel hadden hem zonder dat te willen geleerd de goden te minachten. De mensheid onderrichtte hem in haar trouweloosheid. Toen hij aldus met niets overbleef, had alleen Simmu hem liefde geboden. Op dat moment kon Zhirem zichzelf er niet toe brengen te zeggen, of te denken: Liefde is niet genoeg.
Voor alle demonen die over de aarde zwierven was het parfum van een betovering, de speciale reuk van menselijke hekserij, een dwingende geur. Zoals zij het niet konden nalaten zich met de bezigheden van mensen te bemoeien, zo konden zij ook deze verlokking niet weerstaan. Gewoonlijk kwamen ze om te spioneren, nooit om deel te nemen, zelden om te helpen; hoewel de Drin - en hun mindere neven, de dwaze en bestiale Drindra - soms een menselijke tovenaar bijstonden in een of andere veile onderneming, voor de sport.
De Eshva vrouwen die Simmu bijna twee jaar lang hadden verzorgd, waren deze zuigeling vergeten, zoals zij van tevoren hadden geweten. Kort van memorie waren de Eshva. En naderhand had geen andere bewoner van de Onderaarde Simmu ontmoet, wat vreemd was, want de reuk van toverij vergezelde de knaap die hij aanvankelijk was geweest. Maar nu, terwijl zij op vrije voeten was in een wetteloos land en zich als een Eshva gedroeg, en gekleed was in een geschenk van Eshva, een juweel dat geslepen en gegraveerd was door Drin, en innerlijk veranderd was van mannelijk in vrouwelijk, nu straalde Simmu als een baken voor alle demonen, wat zij instinctief ook wist.
Zij kon geen aanspraak op hen maken. Alleen om Zhirem hoopte zij dat haar geadopteerde verwanten haar zouden opzoeken. Als een kind dat opgroeit in een slangenkuil, gestreeld door hun huid en bestand tegen hun gif, had Simmu geen idee van het gevaarlijke van de demonensoort. Even intuïtief als zij het onmogelijke bewerkstelligde, haar eigen seksuele metamorfose, zo bestudeerde zij haar edelsteen, fluisterde ertegen en ademde erop, danste op de oever van het meer en wachtte, zonder angst, hoopvol, op vreemden.
Het was de tweede nacht op die plek. De eenhoorns waren verdwenen en niet teruggekomen; zelfs de maan naderde in een andere gedaante. De hele dag, niet in de ruwe zon die het zoutmeer vol blaren trok, hadden Zhirem en Simmu - hij kende nu haar ware naam - in de grillige schaduwen van het bos geslapen. Hun nacht was zonder slaap voorbijgegleden, een nacht van zinnelijkheid en pijn, maar deze nacht was Zhirem alleen weggedwaald, met gebogen hoofd lopend, mediterend over zijn schande en hoe heerlijk die was. Hij was rusteloos van een ellendig plezier om zijn bezoedeling. Als de maan wat verder gezonken was, zou hij gretig en wanhopig terugkeren bij Simmu.
Nu alleen keek Simmu op van haar getover en zag een ander.
Het was een demon, een Eshva, aangetrokken door dingen van de Eshva, en niemand die demonen had ontmoet, zou Zhirem er voor een houden, ondanks zijn haar en zijn schoonheid. Deze Eshva was mannelijk. Zijn haar was ebbezwart, zijn ogen glanzend zwart en zijn huid had een sterrenkleurige bleekheid. Alles aan hem straalde van subtiliteit, het wonderlijke en een zuivere, onwereldlijke schoonheid die in zijn wezen besloten lagen.
Door Simmu voer een onweerstaanbare opwinding, want wezens van deze soort waren de verrukking van haar vroegste jaren geweest. Zonder dat van plan te zijn, boog zij zich naar hem toe, maar de demon boog zich naar achter, speels en boosaardig. In zijn ogen kon Simmu dit lezen: Jij kent onze gewoonten, enkele ervan, maar je bent niet een van ons. Je leeft ook in het ruwe zonlicht. Je vlees is klei, het zal zwak worden en uiteenvallen. Wat jij met onze betoveringen doet is heel aardig voor een sterveling, maar onder ons zou het armzalig geoordeeld worden. Jouw geruisloze voetstap is als een donderslag, wij zijn de lucht.
Simmu voelde zich hierdoor gekwetst, maar ze koesterde de kwetsing niet. Het bewoog haar tot spreken, wat een soort trotseren was.
'Je bent gekomen om dit groene juweel en zijn aura. Dat brengt jou hier. Wat zou de Heerser van de Nacht brengen, Azhrarn de Schone, jouw Prins, een van de Heren der Duisternis?' Ze gebruikte zoveel van zijn titels uit eerbied en de ongevormde verering die een erfenis waren van haar omgang met de demonessen van haar eerste jaren. Maar de Eshva deinsde achteruit.
Zijn ogen zeiden: Toon berouw.
Simmu lachte hardop.
'Azhrarn,' zei zij, 'Azhrarn, Prins der Demonen. Bestaat er geen manier om hem te roepen?'
Weer deinsde de Eshva weg. Uit zijn geest sprong een beeld over naar de ontvankelijke geest van Simmu. Een zilveren fluit, gemaakt voor Azhrarn, zou Azhrarn kunnen roepen - soms. Maar als hij zou komen, pas dan op. En nu lachte de Eshva met zijn ogen, met grote angst achterin die ogen.
Simmu voelde misschien een moment van trots en de ondermijning van die trots. Zhirem verwachtte wonderen van haar, rekende erop dat haar vermogens gelijk waren aan die van de lagere demonen.
'Luister, beminde,' zei Simmu tegen de Eshva. 'Zoek Azhrarn voor mij. Zeg hem dat iemand knielend op hem wacht. Smeek hem.'
De Eshva glimlachte. Dit zei de glimlach: Ik ben jouw slaaf niet, sterveling.
Simmu streelde de steen voor haar hals. Nu sprak zij zonder woorden.
De Drin hebben dit gemaakt. De Drin onderhandelen wél. Ik zal de Drin lokken. De Drin zullen op hun buik naar Azhrarn kruipen. Het is denkbaar dat Azhrarn jou zal berispen dat je hem niets hebt verteld van Zhirem, die voor Azhrarn wil knielen.
De Eshva sloeg de ogen neer. Hij huiverde en vouwde zich toen op in de nacht zonder te antwoorden.
Toen Zhirem uit die zelfde nacht terugkwam, zei Simmu: 'Het kan zijn dat hij hier gezien zal worden.'
'Wie?' vroeg Zhirem, maar hij werd doodsbleek, zelfs zijn prachtige ogen werden wit. Alles was verwarring voor hem, het onwerkelijke vermengd met het werkelijke, vuur met water. Hij trok de vrouw naar zich toe en zocht een toevlucht in haar lichaam, hoewel ook dat een wonderlijk en verdorven ding was. Er was geen rede meer in de wereld.
Na de liefdesdans lagen ze samen te wachten.
De nacht en de nachtwind bewogen zich over de oever. Het meer likte zijn grenzen. Het harde metalen fruit van de bomen rammelde. Verder niets, en het donker begon te vergaan. Daarom verplaatsten de minnaars zich, ze kreunden en klampten zich aan elkaar en verdronken zich kortstondig en rezen weer naar het oppervlak van die diepte, waakzaam, verkwikt, nog wachtend.
Een tweede dag, een derde nacht. Aan een struik hingen paarse bessen en die aten ze op. De avond was koud; ze maakten een vuur dat groen brandde van het wilde hout waarmee ze het voedden. Er was een bron; ze dronken daar als dorstige herten. Ze konden elkaar niet lang met rust laten, want de wellust was nieuw voor hen en het was alles wat ze hadden. Ze begonnen doel en angst en liefde en logica te verliezen: ze werden twee gedeeltelijk verhongerde dieren die eindeloos paarden, die al eeuwig op deze oever waren en daar eeuwig zouden blijven, wachtend op een gebeurtenis die ze hadden verzonnen, iets dat nimmer bewaarheid zou worden.
Tijdens de vierde nacht maakte Simmu, makkelijker verloren dan Zhirem en makkelijker gevonden, al voor tweederde een elementaal wezen en thuis bij het vreemde, zich los uit Zhirems armen en ging naar het griezelig brandende vuur. Ze wiegde haar lichaam boven de katteoogvlammen en wierp daarin het Eshva juweel. Niets dat in de Onderaarde was gemaakt, werd daarboven vernietigd zonder dat de demonen er notitie van namen. Simmu grijnsde als een wolvin toen de groene steen zwart werd in het groene vuur.
Maar 's ochtends was het vuur zwart en de steen weer groen.
Zhirem zat naast het meer. Hij staarde naar de zoute glinstering. Hij keerde zich niet naar Simmu. Hij probeerde vissen te zien op de bodem van het meer, waar er geen konden zijn. Hij was leeg, dodelijk vermaakt door zijn neerslachtigheid. Demonen bestonden niet, of bemoeiden zich niet met mensen. Hij was in een zwarte mijnschacht gegooid die Niets bevatte.
De zon zonk weg. Een enkele vogel zeilde snel over het meer met scherp gehoekte vleugels in de nagloed. Het meer verglaasde en begon te glimmen als een roze spiegel.
Simmu, terwijl ze bij het vuur hurkte, Zhirem bij het meer gezeten, hoorden beiden een zacht gekners van het houts-koolzand. Beiden rezen overeind en keken achter zich. Hun nekhaar prikte. Uit de avondschemer in het westen leek zich een gedaante te weven, maar niet een gedaante waarop zij wachtten.
Een gebogen oude man strompelde moeizaam, voetje voor voetje rond het meer. Zijn vormloze zwarte kleren flapperden om hem heen, zijn haren hingen neer in ijzeren strengen.
Hij arriveerde eerst bij Zhirem, deze oude man. Hij richtte zich op en zag Zhirem aan met een gezicht als een door vuur geteisterde, uitgedroogde steen en in dit verwoeste gelaat brandden twee ogen met een licht dat Zhirem voor seniliteit en waanzin hield.
'De zwarte landkrabben,' siste de oude man, met een stem die vreemd krachtig en indrukwekkend was. 'Ik zoek de zwarte krabben die op het land kruipen om te paren.'
Half versuft van dodelijke angst en een verwachting die niet uitgekomen was, zei Zhirem niets.
De oude man maakte een dwalend gebaar met zijn hand, eng en sierlijk. 'Hoe zou je mij noemen? Gek, zou dat het zijn?'
Zhirem staarde. Hij zei: 'Er leeft niets in dit zoutmeer.'
'Gek, zou je mij noemen,' herhaalde de oude. Zijn stem rees en daalde als een onheilspellende en onwaarschijnlijke muziek. 'Niet zo gek als zij die hier komen met de bedoeling de Heerser van de Nacht te roepen.'
Zhirem pakte de oude bij zijn schouder. Maar toen hij hem aanraakte, leek er een bliksemschicht onder zijn hand af te gaan.
'Dan bent u een magiër,' zei Zhirem.
'Zelfs magiërs sidderen bij het horen van de naam van Azhrarn.'
Zhirem wendde zijn blik af. Hij keek in de lucht zelf, zoekend. De oude man vervolgde zijn gekromde koers over het zand naar waar het groene vuur brandde en waar Simmu, nu gekleed in haar boerenvodden, naar hem stond te turen. Toen de oude dichtbij kwam, hief Simmu haar armen op. Het was alsof zij een poort opende om hem binnen te laten.
Bij het vuur gekomen, spuwde de oude opeens in de vlammen. Daaruit flitste een blauwe tong en Simmu viel op haar knieën, zonder te begrijpen waarom ze dat deed. Haar ogen werden wazig toen ze de waanzinnig brandende blik van de oude man ontmoette. Maar voor haar was de brand geen waanzin. Het was een scherpzinnigheid, een diepzinnigheid die te ontzagwekkend was voor woorden.
'Jij hebt naakt gedanst,' zei de magiër. 'Ik heb je dans aanschouwd. Ik heb andere dingen gezien. In het noorden is een dikke priester overleden. Beyash, op de vlucht voor een sprekende zwarte vogel, viel van een trap naar zijn dood. Wat jou niet verblijdt, kleine, daar je de Dood haat, en zelfs je vijanden niet in zijn hoede wilt overgeven.'
Simmu huiverde. Ze zag niet dat de magiër over zijn schouder keek, en niet dat Zhirem ook omkeek alsof hij geroepen was, en nu terugliep langs de oever naar het vuur.
'Als u een magiër bent,' zei Zhirem, 'leer mij dan de Prins der Demonen ontbieden.'
'Ontbieden?' zei de oude man, en nooit droeg zo'n zacht gemompel zo'n grote dreiging. 'Hem ontbied je niet. En je roept hem ook niet aan, als je wijs bent. En waarom zou jij jezelf in zijn aanwezigheid willen riskeren? Misschien heeft iemand je het verhaaltje verteld dat degenen die hem aanroepen, hem één enkele gunst mogen vragen. Dat verhaal is niet noodzakelijk juist.'
'Ik wil hem dienen.'
'Hem dienen? Heeft hij dan behoefte, denk jij, aan menselijke bedienden? Heeft hij daarvoor niet zijn eigen volk? De mensen hebben je misleid, Zhirem. Jij bent niet bedoeld voor het duister.'
Zhirems gezicht werd als wit staal.
'Zeg dat nu niet,' zei hij. 'Ik heb te ver gereisd.'
'Luister,' zei de oude man, en zijn stem zong en was een betovering. 'Luister,' zei hij, en het hele oor van de nacht gehoorzaamde. De bomen luisterden, en de aarde luisterde, en het water van het meer, en Zhirem zonk neer bij het vuur en luisterde ook. Toen vertelde de oude man hem het verhaal van zijn eigen begin. Alles vertelde hij, alsof de oude man alles meegemaakt had, het gemopper tussen de tenten, de angst van Zhirems moeder, het binnensluipen van de heks. Hij sprak over de nacht toen de wolk het kind en zijn moeder naar de tuin van groen zand droeg. Hij sprak over de put van vuur en Zhirem die erin gedompeld werd. Hij sprak over de prijs voor deze unieke en totale pantsering, die geen maas overliet voor kwetsuren. Want door het wegbranden van sterfelijke zwakten, verbrandden ook sterfelijk geluk en blijheid. Het kwam door een of andere oeroude wet van de goden, ouder dan de tijd. De mensen mochten niet teveel hebben. Extase en kwetsbaarheid waren aan elkaar gekoppeld. De angst dat de beker weggegrist zou worden, was wat de wijn zijn smaak gaf, en zo zeker als Zhirems beker nimmer afgepakt kon worden, zo zeker was zijn gebrek aan blijdschap. Het was een prijs die zelfs demonen, zei de magiër, niet wilden betalen om een sterveling op wie zij prijs stelden, veiligheid te geven. Het was het licht van het vuur dat Zhirem kwaad had gedaan, niet de duisternis.
Het zweet stroomde van Zhirems gelaat, zijn ogen brandden droog, en hij zei: 'Wat dan?'
'Inderdaad, wat dan,' zei de magiër.
'Ik geloof er geen woord van,' zei Zhirem.
'O nee? Vooruit, bewijs dat ik mij vergis.'
Zhirem keek hem met haat en smekend aan. Toen als een hond die uit de kamer wordt geslagen, stond Zhirem op en liep regelrecht het duister van de nacht in. En de duisternis spleet open om hem te ontvangen en sloot zich achter hem.
Simmu wilde opspringen en hem achterna rennen, maar ze ontdekte dat de magiër zijn hand om haar pols had geklemd. En de hand leek haar te boeien als met een onbreekbare ketting, maar ze was verliefd op die ketting.
'Voor jou heb ik dit,' zei de magiër. 'Je moeder was een koningin die een ver land regeerde. Het koninkrijk heet Merh en nu is het van jou. Wil je het hebben?'
Betoverd door de aanraking van de magiër sloot Simmu haar ogen. Koninkrijken betekenden niets. Ze dacht aan Zhirem die verloren was in de duisternis en zij wilde slechts hem troosten, maar de ketting kluisterde haar en ze was verliefd op de ketting. Ze legde haar hoofd op de schouder van de oude man, en zuchtte.
En na enige tijd merkte zij dat ze op de harde grond lag en dat haar haar om haar pols was gewikkeld, en dat het vuur gedoofd was.

Zhirem kwam in een vallei in het wetteloze land in het troosteloze maanloze uur voor het ochtendgloren.
De vallei was lelijk en riekte genadeloos. Overal in het rond lagen scherven en vuurstenen als scheermessen zo vlijm; de magere bomen hadden de wind geklauwd tot zelfs de wind hier niet durfde blijven. Het was een plek om de dood te ontmoeten, en Zhirem herkende dit.
Hij raapte de vlijmscherpe scherven op onder het lopen, en liet ze weer vallen. In het centrum van het dal was een kloof uitgerukt door een inslag van een geweldig grote meteoor, een dal in het dal, en op de bodem ervan stroomde een zwarte stroom met aders van rood gif erin. Het was beslist een plek van de dood, en met vele vormen van de dood erin. Het zou hier geplaatst kunnen zijn als een deel van Zhirems lot.
Zhirem bleef staan op de rand van de afgrond.
Hij zei, tegen het dal, en tegen de resten van de nacht, en tegen ieder die hem wellicht hoorde: 'Al wat er van mij over is, is hier. Als iemand mij wil opeisen, moet dat nu gebeuren.'
Het dal, waar geen wind waaide, zweeg. Maar de stilte bevatte voldoende antwoord.
Nu was Zhirem gezegd dat hij niet kon sterven. De gebeurtenissen hadden het hem gezegd, en ook een oude man bij een meer. Sterven is een angst, maar leven ook. Zhirem stapte van de rand in het niets en wat hij werkelijk wilde was niet eenvoudig te doorgronden, en ook hij vond het niet eenvoudig, een eind of de vloek van het ontbreken van een einde. Als de rotsen hem doorstoken hadden met hevige pijnen en de dood, misschien zou hij dan geschreeuwd hebben van wroeging. Maar de rotsen lieten hem met rust, en het was of hij door gaas in fluweel viel, zonder een schram op te lopen, geen buil. En toen hij zich overeind hees en tegen de muur van de kloof opkeek en zag hoe diep hij gevallen was en wist dat hij leefde en niet gewond was, toen gold zijn schreeuw van ellende en wroeging het leven, en er was geen plaats meer in hem over om te kunnen begrijpen dat het anders had kunnen zijn.
Zhirem greep de vuursteendolken van de bodem. Hij dreef ze in zijn hart, zijn hals, de aderen van zijn armen -en geen ervan doordrong hem. Hij liet zich naast de gifbeek vallen en dronk eruit. Hij ging met zijn gezicht in het water liggen en zijn haar dreef erop, en hij voelde de dodende smaak van het gif in zijn keel en zijn maag veranderen in smakeloosheid; erger nog dan gif, voedde het hem.
De gruwel van het uniek-zijn kon hij niet verdragen. Hij kon niet doorgaan in eenzaamheid en zonder doel. Hij kroop weer overeind, hij knoopte de priestergordel los van zijn middel en maakte een strop. Hij hing de strop aan een tak van een van de vreeswekkende bomen en hing zichzelf op. Maar toen het koord strak trok, leek het of de boom haatdragend fluisterde: 'Zhirem is te mooi om te sterven,' en de tak brak.
Op de rots uitgestrekt deed Zhirem geen poging meer om op te staan. Een koude regen plensde op zijn open ogen en, gemengd met de regen, een schim.
Door zijn versuffing en door het water onderscheidde Zhirem de gestalte van een man, lang tegen de bleker wordende regenhemel. Zwart was de man, zwarter dan de nacht was geweest, en de regen maakte zijn witte haar en witte klederen, die witter waren dan de dag zou worden, niet nat.
'Je hebt om mij geroepen,' zei de man, die geen man was, maar de Dood. 'Je hebt om mij geroepen maar ik mag voor jou niet komen. Niet voor er lange jaren en lange eeuwen voorbij zijn. Slechts dit kan ik je geven.' En hij boog zich naar Zhirem toe en legde zijn vingers op Zhirems voorhoofd, zodat diens zintuigen en de hele wereld hem verlieten en zelfs dromen kwamen niet voor in die kerker van bewusteloosheid.
Toen de Dood vertrokken was, kwam er een ander.
Simmu leunde over de rand van de kloof en zag Zhirem op de bodem ervan liggen, stil als een steen in de regen met het koord om zijn nek en de gebroken tak dicht bij hem. En Simmu wist dat de Dood in de kloof was geweest, zoals een blad weet dat de winter het gestreeld heeft.
Simmu had het verhaal van de tovenaar niet echt begrepen. Misschien was het verhaal alleen voor Zhirem bedoeld geweest en voor geen ander. De put van vuur bleef een mysterie voor Simmu, en dus zag zij nu Zhirem dood op de bodem van de kloof. En daar, dood met hem, zag zij haar leven.
Haar vrouwelijkheid verliet haar terwijl ze in de diepte staarde. Simmu werd weer een man, een jongen, die knielde op de rand en toen opsprong en daar wegvluchtte, gedreven door zijn oude angst.
En terwijl Simmu vluchtte, huilde hij, maar de hele hemel huilde voor Zhirem.