Zeven

Tussen de wilde olijfbomen lag een vijver te glanzen. Sommige groenwitte bloesems waren in het water geregend. Aangetrokken door het water, zoals velen geboren in een woestijnvolk, was Zhirem hier gekomen en hij had zich aan de rand van de plas neergezet. Terwijl hij erin staarde, tussen de bloemen, dacht Zhirem aan de ruïne en de heilige mannen en de vijver waarnaast hij toen had gezeten, al worstelend met zijn geest, worstelend om de herinnering uit te wissen of anders terug te winnen, worstelend om bevrijd te worden van een duisternis of een licht. Hij dacht ook aan de vrouw, en aan dat wat hij niet mocht hebben en aan de Heerser van de Nacht - die niet langer reëel voor hem was, alleen een symbool van de duisternis die in zijn ego op de loer lag.
Plotseling kwam er een gedaante uit de bomen aan de overkant van de plas gestormd. De gedaante verscheen bijna helemaal geluidloos, en maakte hem extra hevig aan het schrikken doordat hij de gedaante kende, terwijl deze uit niets liet blijken dat hij Zhirem kende. Tegenover Zhirem staand, staarde Schelp hem aan met wijd opengesperde ogen die niets zagen. Zhirem stond op en de mantel van zijn zelf viel even van hem af. 'Wat is er?' vroeg hij. Precies als bij de zieken in de dorpen, ontroerde deze hulpeloze paniek hem. Schelp, die altijd echt voor hem was geweest, werd nog echter. 'Wat is er, mijn broeder?' zei Zhirem teder.
'De Dood,' zei Schelp. De woorden verbrijzelden iets in hem. Hij drukte zijn handen tegen zijn gezicht en begon te huilen.
Dit was Schelp niet. De aura van Schelp had altijd iets vervliegends gehad, of iets van een onmenselijke introspectie, wel zo gereserveerd en op zo'n afstand dat hij niet kon huilen of wanhopen of zichzelf verscheuren.
Zhirem liep rond de vijver.
'Misschien waren er vannacht inderdaad demonen rond,' zei hij.
Schelp nam zijn handen van zijn ogen. Hij weende zoals de Eshva weenden, en nu met hun zinnelijke overgave. Instinctief voelde Schelp hoe hij op kattevoeten op een of ander doel afkoerste; hij liet de tranen stromen en sprak niet.
'De Dood, zei je,' zei Zhirem. 'Wiens dood?'
'De Dood is overal,' antwoordde Schelp. Hij ging naar Zhirem toe en liet zijn hoofd op Zhirems schouder rusten, tussen het donker krullende haar dat hem, net als de woestijnbewoners, vanaf het begin aan de demonensoort had doen denken. Zelfs nu troostte de aanwezigheid van Zhirem hem. Hij voelde dat de doodsangst hem verliet, voelde dat de Dood zich terugtrok met een werveling van een substantie als witte vleugels. Hier was leven. Schelp sloeg zijn armen om Zhirem heen. Het contact van hun twee lichamen, soortgelijk in hun mannelijke bouw, kwam elk vertrouwd voor, zonder vertrouwd te zijn.
Zhirem omhelsde Schelp niet. Ze hadden elkaar zelden aangeraakt, en wanneer dat gebeurde, waren het de aanrakingen van Schelp geweest, gewoonlijk de Eshva liefkozing van ogen of adem. Voor Zhirem was deze gewaarwording van huid tegen huid een bedreiging en niet anders. De zieken had hij vlot aangeraakt. Ze hadden hem niet verleid, waren daartoe niet in staat. Bij hen was hij veilig geweest. Hij dacht aan de vrouw, de huid van Schelp leek haar huid te worden, en nagels van koude of hitte doorschoten hem.
'Genoeg,' zei Zhirem. Hij maakte zich los. 'Ben ik de stok van een wijnrank, waar je tegenaan kunt hangen? Vertel je me nog wie je bang heeft gemaakt, of niet?'
Schelp knipperde met zijn ogen. Daarin was weer herkenning te lezen, en meer dan dat.
'Ik zal het je vertellen - later,' zei hij. Hij liep weer naar de bomen. 'Wacht op mij,' zei hij. Hij verdween tussen de schaduwen. Zhirem zou wachten, omdat hij eeuwig wachtte totdat zijn eigen ziel hem zou vinden.
Tussen de bomen begon Schelp te rennen. Hij sprong en strekte zijn lichaam. De Dood en zijn angst waren bijkomstig geworden. Hij liep over van een heerlijke waanzin van leven en kennis. Hij wist dat hij voor een magische grens stond, een grens waarachter wonderen gebeurden. Hij hoefde zich slechts voorover te gooien om erin te tuimelen. En dus wierp hij zich voorover. Hij rende, en hij herinnerde zich de Eshva onder de olijfbomen, herinnerde zich hun schimmige gedaanten en de maanden die hij met hen had doorgebracht. Zoals Zhirem zichzelf niet had herinnerd.
De gestalte klemde zich tegen de boom. De lente was in de boom en in de zich vastklemmende gestalte. De bast was nat van tranen die de gestalte vergoten had, want er was ditmaal pijn geweest, na zo lange tijd, pijn in de overgang maar ook genot.
Geleidelijk, zuchtend, wikkelde de gestalte zich los van de boom.
De maan was onder, maar de sterren gaven licht.
Het haar met de kleur van abrikozen, de ogen van katten, die waren hetzelfde. De jongensbaard was weggewaaid als fijn gouden stuifmeel. Het gezicht was nu glad, glad alsof het geen poriën bezat. De handen doken neer, landden, gleden over de zilveren huid. Het was nu anders, het lichaam.
Niet het lichaam van een jongen. De geslachtsdelen waren ingetrokken en passief geworden, de tors die oprees van de tengere insnoering van het middel, was opgebloeid met de prachtige hoge borsten van een maagd. Het lichaam van een meisje, het gezicht van een meisje.
Het meisje bukte zich om het gele priestergewaad op te rapen dat zij als man afgeworpen had en ze wikkelde zich erin als de witte tong in het hart van de vlam.
Het was lente, en Simmu herinnerde zich zichzelf weer.

Er waren al uren voorbijgegaan. Zhirem sliep tussen de wortels van de bomen naast de vijver en wanneer de zachte wind blies, vielen de groenwitte bloemen ook op hem. Hij was eraan gewend buitenshuis te slapen. Onder het tentenvolk, en samen met Schelp, deed hij dit bijna altijd. Gewend was hij ook aan de lichte tred van Schelp, want Schelp kwam en ging in de nacht als de anderen die nachtwezens waren. En dus werd Zhirem niet wakker.
Hij werd pas wakker, verstoord maar ook gesust, toen een koele mond aan de zijne kwam drinken.
Toen volgde er een tweede ontwaken op het eerste. Zhirem verhief zich op zijn elleboog en staarde. Een meisje lag naakt naast hem, ook op haar elleboog, en ze staarde hem aan. Een meisje gemaakt van zijde en zomergras en glanzend ivoor, maar een meisje met haar en ogen die aan een ander hoorden. Zhirem werd bang. Maar hij was in beroering, al voordat ze hem wakker maakte - zijn lichaam dorstte naar het hare, tegelijk terwijl zijn geest dit ontkende. En nu legde zij haar hand licht op zijn ribben, een stille en bijna argeloze aanraking, maar het schoot door hem heen als een speer.
'Ik ben een droom,' zei het meisje, met de heldere stem van een meisje. 'Ik ben jouw droom. Hoe kan ik iets anders zijn, als je ziet dat ik de jongen ben, Schelp, en ook een maagd. Als ik bij je kom als de vrouw, maar zonder haar te zijn. Dus, Zhirem, pak wat van jou is. Mensen kunnen hun dromen niet beheersen. De goden nemen je je dromen niet kwalijk. Je kunt niet zondigen met een droom, daarin is er geen kwaad.'
Toen ging ze op haar rug liggen, en ze sloot haar ogen en ze sprak niet meer en ze raakte hem ook niet meer aan.
Zhirem kon nergens anders kijken. Hij stierf van dorst en nu was hier drinken. Een groene bloem zweefde omlaag en daalde op haar borst. Zhirem stak zijn hand uit om de bloem weg te strijken, en toen lag zijn hand waar de bloem had gelegen. Hij zag dat zij Schelp was en ook een meisje, en hij voelde het slaan van haar hart onder zijn hand, en dat sprak zijn naam en riep hem. Daaraan wist hij dat zij een droom was, en hij zette alle dorre raadgevingen van zich af en alle waarschuwingen en drukte zijn mond op de hare.
En het meisje omcirkelde zijn middel met haar armen en trok hem neer.