Zeven
Op deze avond liep er geen
marmeren trap omlaag van de deur. Nu golfde er een zijden grasveld,
dat sierlijk naar beneden wiegde tussen de bosjes en de struiken
van het dal en alles was stil en kalm in de tere rozewaterkleurige
nagloed van de tuin.
Simmu bleef enige tijd op de helling. Ze kon maar half geloven in
haar prestatie, maar die helft maakte haar wel uitbundig. Ze
staarde beschouwend naar de tuin, want ze was nu wijzer waar het de
verschillende soorten van magie betrof, en ze rook de magie en de
illusie even sterk als de geur van de bloemen en het water. Meteen
in het begin had ze met haar vrouwelijke staat moeten worstelen.
Zelfs terwijl ze zich vol blijdschap op het gras wierp, was ze
overvallen door een mannelijke trots en haar lichaam, dat hiervóór
zolang de vorm van een man had gedragen, spande zich in om zich
terug te veranderen. Maar zij weerstond haar mannelijkheid, want de
tuin was een vrouwelijke aangelegenheid en bevolkt met vrouwen -
ook die geur rook zij. Ze was bang dat ze zichzelf zou verraden als
zij - of hij - hier rondstroopte in een mannengedaante.
Na een wijle klauterde Simmu overeind en keek zoekend door het dal
waar precies de gouden tempel stond die de geheime put
herbergde.
De rozige maan van de tuin was opgekomen. Geholpen door de maan en
minder gehinderd door de illusies dan de meeste ogen die het dal
hadden aanschouwd, ving Simmu alras een glinstering van goud op -
of van de schijn van goud. Naar het westen toe lag de tempel. En
Simmu kon zich er net zomin van weerhouden om er meteen heen te
gaan als een dorstig man het lessen van zijn dorst zou kunnen
uitstellen.
Simmu holde naar de tempel, lichter en sneller dan de illusoire
herten van de tuin, waarvan ze er enkele zag. Maar ze besteedden
geen aandacht aan haar, omdat ze onecht waren, terwijl Simmu's
vrouwelijkheid de sfeer in de tuin niet verstoorde. In wezen kwam
de hele tuin op haar over als een vrouw, of een vrouwelijke
omgeving. Overal trof zij de zachtheid, de weelderigheid, de
katachtige onschuld die eeuwig de vrouw hadden gesymboliseerd. Er
was niets te zien dat hard en sober, ruw of onafhankelijk was,
behalve daar waar de illusie het met de mantel der vrouwelijkheid
bedekte. Zelfs de bomen hadden een vloeiende, gewelfde houding.
Zelfs de heuvels waren gerond als borsten. En hierin was Simmu
binnengevallen, in vrouwengedaante. Een verkrachting was het nog
niet geworden.
Simmu kwam bij de tempel aan. Als goud zag hij eruit, goud was hij
niet, maar het verstrijken van de eeuwen had de tempel, als de
tuin, van zijn eigen resonantie doordrongen. In weerwil van
zichzelf was Simmu op de drempel genoopt de adem in te houden. Op
kattevoetjes sloop ze naar binnen met haar glanzende ogen gericht
op het gouden bassin en de benen stop die zonder twijfel de plaats
van de put aangaven. En toen hoorde ze achter zich een hoog en wild
gezang in de schemerende tuin. Acht meisjesstemmen bezig aan een
lied of een hymne.
Gewoonlijk kwamen de maagden bij zonsondergang naar de tempel voor
hun ceremonie en hun geloften aan de godheid, om hun bloemen en
fruit te strooien. Maar deze avond, zoals soms voorkwam wanneer de
jaren verstreken en het aanvankelijk vuur wat taande, arriveerden
ze een fractie na het ondergaan van de zon.
Toen Simmu zestien meisjesvoeten op het pad naar de tempeldeur
hoorde, sprong zij de eerste de beste schuilplaats in en dat was de
brede nis van een venster. Hier ging zij op haar buik liggen als
een luipaard en ze keek toe uit glinsterende
oogspleetjes.
Een soort nieuwe gouden schemer glipte de tempel binnen.
Dat kwam deels door een gouden lamp die brandde met de geur van
wierook welke door de eerste maagd aan een haak in de muur werd
opgehangen. Deels was het de tempel zelf, die glom in het
lamplicht. Deels ook kwam het door de glanzende gouden gewaden en
sieraden waarmee de maagden behangen waren. En deels door hun
lieftalligheid, die ook iets van goud leek.
Ze waren nu allemaal zestien, deze acht maagden (Simmu vroeg zich
even af waarom er maar acht waren en niet negen, het voorgeschreven
aantal), zestien en in de tuin gerijpt tot een hartstochtelijke
bloei die zich nergens op kon uitleven. En in het begin waren ze al
uitgekozen om hun smetteloze schoonheid.
Nu, in het gouden schemerlicht, begonnen ze aan een gouden
dans.
Ze hadden zwarte druiven en groene, vuurrode papavers, boeketten
witte lelies, hyacinten en rozen, perziken en palmbladeren, want in
de tuin stond altijd alles onophoudelijk en tegelijk in bloei. Deze
offerandes legden zij in het voorbijgaan tegen het bassin in het
midden, maar eerst drukten ze het ooft tegen hun lippen en ze
streken met de bloemen over hun lichaam en door hun haar. En
terwijl de dans, die een geluidloze begeleidende muziek scheen te
hebben opgeroepen, koortsiger werd - want dat werd hij - gebruikten
ze de bladeren om zichzelf mee te geselen. En toen raakten hun
kleren los en gleden van hen af en zweefden opzij. Hun kleren leken
allemaal van goud, nu doorschijnend, dan weer minder doorschijnend.
En onder al die lagen die een zweem toonden van blanke huid, van de
donkere knop van een tepel, de welving van een voet, een arm, waren
lagen die het lichaam van de acht maagden slechts kleedden zoals
rook een vuur kleedt.
Deze dans was wulps, maar uitsluitend bedoeld voor de god. Acht
maagden, wie de aanblik van mannen ontzegd was, dansten op de
fantasieën van hun geest. En hun ogen brandden maar waren half
geloken, en hun rode mond toonde hun witte tanden en de warme grot
achter de schutting van tanden. En zij ontsluierden zichzelf tot
aan de laatste laag, die als rook was, en offreerden met naïeve
bandeloosheid hun fluwelen lichaam aan het bassin van de afge-dopte
put. Totdat zij zich uiteindelijk op het bassin wierpen en zich
tegen het metaal wreven en elk van hen hijgde en snikte en kreunde
door haar wapperende haar terwijl ze de benen stop vastgreep:
'Aanschouwt, ik ben verzegeld gelijk de heilige put verzegeld is,
en bij mijn zuiverheid zweer ik dat ik de heilige plaats van de god
zuiver zal houden, en moge ik sterven - o,
sterven! sterven! - voordat ik hem ontrouw word.'
Verscholen in het raam kampte Simmu ondertussen met een probleem.
Gedreven door de sterke prikkel van de acht maagden en hun dans,
trachtte Simmu's mannelijkheid zich vrijwel vanaf het eerste moment
opnieuw te vestigen en dat ging gepaard met hevige krampen. Hoe
heftig zij - hij - zich ook inspande om het verlangen dat haar
bestookte neer te slaan, het was een onmogelijke opgave. En zelfs
hoewel Simmu in wanhoop de andere kant opkeek (ondanks dat zij de
capriolen van de maagden helemaal niet wilde missen), bleven de
hijgende kreten en het gekreun en gefluister sterk genoeg om haar
van haar stuk te brengen, en weldra ook hem. En zo, uiteindelijk,
onweerstaanbaar, lag Simmu de man op de vensterbank in de hevigst
denkbare toestand van mannelijke bereidheid. En met fonkelende ogen
en knarsende tanden en bonzende hartslag, en enig verbeten vermaak
om zijn hachelijke situatie, bleef Simmu liggen tot de dans ten
einde was en daarna zag hij hoe de uitgeputte maagden hun sluiers
en zichzelf van de vloer raapten, de lamp vergaten, en de nacht in
strompelden waar ze wederom kleine meisjes werden - of anders
gingen ze op weg naar de erotische ervaring in het bellen-blazende
kristal.
Daarna hield Simmu zich kalm en bereidde zich liggend in het raam,
streng en onverbiddelijk voor op de omkering van zijn geslacht.
Maar terwijl hij daar zo lag, kwam een negende maagd de tempel in,
alleen.
Nu waren de stemmen van de anderen verstomd en terwijl hij zijn
vaste voornemen aan de kant zette, móést Simmu zich wel realiseren
dat hem hier een unieke kans geboden werd.
Maar toen vermaande zijn verstand zijn zinnen, want hij besefte dat
deze negende maagd niet als de anderen was. Om te beginnen was zij
mooier, als dat nog kon. Ten tweede was zij lang zo rijk niet
gekleed. Ze droeg een simpele en tamelijk haveloze jurk, alsof de
weelderige illusies van de tuin geen effect op haar hadden. Ten
derde schreeuwde zij in de tempel in een felle parodie van het lied
van de overige maagden: 'Aanschouwt, O god, ook ik ben verzegeld.
En ik wou dat ik dat niet was, en dat jouw verwenste put niet
bestond!' En toen stoof ze het duister in.
Verbouwereerd begreep Simmu in zijn raamnis dat hij het antwoord
had gekregen op zijn levensbelangrijke heldenprobleem. Nu wist hij
precies hoe hij het reservoir in de Opperaarde moest laten barsten
om het water van de onsterfelijkheid in de tweede put eronder te
laten stromen.