Vier
De heks was haar huis
uitgelopen en sloop nu door de gaarde van giftige
granaatappelbomen. Ze was rusteloos van jaloezie omdat Narasen zo
uit de hoogte had gedaan en omdat Narasen op dit ogenblik op reis
was met Uhlume.
Op de leeftijd van twaalf jaren was deze heks met het blauwe huis
bedreven en geslepen geweest. Twee jaar lang leerde zij van magiërs
en wijzen en onderwijl verhuurde ze haar lichaam op straat om aan
munten te komen, of ze verhuurde het rechtstreeks aan haar
leermeesters. Geen van hen bedroog haar zoals Issak bedrogen was,
zij was sluwer en vlugger dan vossen. Ze nam de naam Lylas aan.
Toen ze veertien was, en een keer op het uur voor de dageraad naar
huis liep na een orgie van een duistere sekte aan de andere kant
van de heuvels, had Lylas de heks de Dood ontmoet. Dat gebeurde op
een gemeden plek waar de bodem bedekt was met doorns, en daar
vlakbij waren drie mannen opgehangen. Lylas was goed onderwezen en
ze wist meer dan de meesten. Ze bleef onder de krakende galgen
staan toen ze de ebbezwarte Heer in zijn witte gewaad ontdekte, en
in haar schrandere en jeugdige geest ontstond een geniaal idee, een
idee van het soort waarvan het hart gaat bonzen, de tanden
klapperen, waarvan de handen koud worden en de mond droog. Een idee
van het soort dat men slechts eenmaal in zijn leven krijgt, en
waarop men dan moet handelen of anders betreurt men het zijn hele
leven.
Lylas handelde. Ze ging naar de Dood toe en sprak hem nederig
aan.
Ze spraken een poosje, zij en hij, tot de hemel aan zijn oostelijke
randen begon te branden en de schommelende schaduwen van de
gehangenen een gebroken rood werden. Toen sloten de Dood en het
meisje een pact en hij nam iets van haar dat haar gelofte
vertegenwoordigde, en hij beloofde haar iets, en toen ging zij uit
zijn naam op reis en daarna deed ze verder wat ze wilde en ze had
daar alle tijd voor. Want de heks in het blauwe huis leefde al
behoorlijk wat langer dan tweehonderd jaar en zou nog veel langer
leven, en ze was geen dag ouder geworden, geen uur, geen minuut
ouder dan haar vijftiende verjaardag.
Maar nu in haar jaloezie liep ze boos door de boomgaard en ze
scheurde het fruit van de wilde bomen. Totdat plotsklaps een boom
rechts van haar openbarstte alsof hij door een reuzenbijl gespleten
was, en daaruit stapte Uhlume met Narasen achter zich.
De heks boog voor Uhlume zodat haar haren over de wortels van de
granaatbomen streken.
'De koop is gesloten,' zei hij. En tegen Narasen zei hij: 'Je
begrijpt welk symbool je mij moet geven.'
Narasen antwoordde niet en de heks zei lief, om haar boze afgunst
te verbergen: 'Mijn geëerde oudere zuster moet mij in bewaring
geven voor deze machtige Heer de derde vinger van haar linkerhand,
of tenminste het bovenste kootje.'
'Ik ben gereed,' zei Narasen, en zij nam de ringen van haar
vingers.
Inderdaad had zij aan de bezielde lijken van de hofhouding van de
Dood gezien dat elk van hen dit kootje miste, net als de heks van
het blauwe huis. (Lylas droeg deze botjes aan de gouden ketting om
haar middel en wanneer de ziel en het lichaam naar de Binnenaarde
waren afgedaald, stond het de heks vrij het vingerkootje te nemen
en dit tot poeder te vermalen en met wijn op te drinken. Het
magische eigenschap van deze stukjes ivoor, deze bindende zegels op
het verdrag met de Dood, welke de Jeugd van de heks zo lang had
bewaard. Zij fungeerde als tussenpersoon en wierf klanten voor de
geheime handel van de Dood.) De heks holde gretig naar Narasen toe
om haar kootje in ontvangst te nemen.
Uhlume raakte de derde vinger van Narasens hand aan en tot aan het
tweede kootje verdween alle gevoel uit de vinger. Toen het mes van
de heks begerig door de schemerilng flitste, voelde Narasen geen
pijn. En de wond bloedde niet.
'Het is geschied,' zei Lylas.
'Zo is het,' zei Narasen. 'En hoe lang moet ik nu
wachten?'
'Wat is ze ongeduldig, mijn Heer,' giechelde Lylas.
'Ik heb betaald voor de waar en nu moet de waar geleverd worden. En
ik zal u nog iets vragen, machtige Heer van het Duister. Namelijk
dat hij niet al te lang in de grond heeft gelegen, deze bedgenoot
die ik zal krijgen.'
'Ik ben rechtvaardig in zulke zaken,' zei Uhlume, 'en ik houd
rekening met je voorkeur. Ga terug naar de zoom van het cederwoud
en niet verder. Morgenavond kom ik mijn deel van de afspraak na.'
Toen keek Uhlume naar de heks, die tegen een boom leunde en achter
haar hand grijnsde terwijl ze de bloedloze vinger van Narasen met
haar andere hand stevig vasthield. 'Breng de koninklijke vrouw op
de hoogte van wat zij moet doen, zoals je geleerd is.'
Lylas boog weer diep tot aan de grond van de boomgaard. 'Uw
dienstmaagd gehoorzaamt u, Heer der Heren.'
De Dood wendde zich af en toen verdween hij; als damp zonk hij in
de aarde.
Lylas kroop naar de plek toe waar hij had gestaan en kuste de
bodem, goed oplettend dat Narasen het zag. Maar Narasen schonk er
geen aandacht aan, want haar armen en benen waren plots als water
en haar geest vol slaande vleugels en ijzer - koud tot op haar merg
en geest wreef ze haar zevenvingerige handen over elkaar om het
warm te krijgen.