Zhirek, de Donkere Magiër

Een

De magiër Zhirek liep door de straten van een rijke stad, Zijn mantel had de kleur van torrenvleugels, zijn handen waren goudgeringd, de scarabee van zwarte edelstenen hing op zijn borst, maar hij liep barrevoets, dat was zijn aanwensel.
Hij was algemeen bekend van uiterlijk, en werd algemeen gevreesd. Zijn donkere haar, zijn donkere schoonheid... Menig blank meisje kwijnde in een raamnis als hij zich vertoonde. Anderen werden bleek om andere redenen. Soms ging Zhirek op jacht. Dat hield in dat hij recht naar een man toeliep, hem in de ogen keek, en hem aldus boeide. De man liet dan ogenblikkelijk alles waarmee hij bezig was liggen en volgde Zhirek zonder een enkele gedachte. Op deze wijze hadden timmerlieden, metselaars, kantoorbedienden, kooplui en vissers hun werk verlaten, hun waren achtergelaten ten prooi aan dieven, en ook hun echtgenotes en kinderen in de steek gelaten. Zelfs slaven waren bij hun baas weggehaald. Geen van deze mannen zag men ooit weerom. Er was een klacht ingediend bij de koning van de stad. Bevend had hij de klacht gelezen. 'Ik zal mij niet inlaten met Zhirek,' zei hij schor. De waarheid was dat Zhirek zich reeds met deze koning had ingelaten, door onaangekondigd binnen te vallen op het hoogtepunt van een of ander feest en hem te bespotten. De koning had Zhirek willen laten grijpen en in de ketenen slaan, maar Zhirek haalde iets vreemds uit met de gedachten van de vorst. Deze was van het ene ogenblik op het andere de overtuiging toegedaan dat hij een hond was. Hij was met driftige sprongen de kennels binnengerend en op botten gaan kluiven en zelfs, beweerden boze tongen, had hij een teef bestegen en naar hartelust met haar gepaard. Toen hij zijn zinnen terugkreeg, had de koning zijn les wel geleerd: Zhirek kon men beter met rust laten. 'Ik zal mij niet inlaten met Zhirek,' herhaalde hij. 'Wij moeten hem beschouwen als onze beproeving, onze vloek. Al wat wij kunnen doen is tot de goden bidden dat wij van hem verlost mogen worden, en dat nog in het geheim.'
Zhirek werd door allen met rust gelaten, behalve door degenen die verliefd raakten op zijn uiterlijk, en zelfs zij waren wel bang voor hem, want helemaal gek waren ze ook weer niet. Hij bezat een huis op enige afstand van de stad. Het was oud en gedeeltelijk een ruïne en stond op een steile, terugwijkende rotswand boven de zee. 's Nachts speelden bizarre schijnsels door de daken, over de met eendemossels bekorste muren, over de mossige stenen beesten die langs de trap zaten te loeren. Als de magiër van huis was, waren de deuren van het huis nooit gesloten, nee, die stonden wijd open. Slechts één rover was ooit zo onwijs om zich in het huis te wagen, en hij kwam eruit als een schuifelende, kwijlende idioot en was zijn leven lang niet in staat te zeggen wat hem overkomen was. Zhirek had beslist geen bedienden, anders dan degenen die hij betoverde om aan zijn wil te gehoorzamen. Nu en dan stak er een verschrikkelijke storm op uit zee die de groene bastions van het oude huis tierend en razend bestookte. Dan plachten degenen die buitenshuis durfden te zijn Zhirek op een hoge toren te zien staan, vanwaar hij naar de zee keek, en soms gooide hij iets van de toren in de golven onder hem, zoals iemand etensresten aan een uitgehongerd wild dier zou kunnen toewerpen. Niemand twijfelde eraan dat Zhirek een pact had met de zeebewoners, dat volk welks menigvuldige en gevarieerde rijken zich onder de oceaan bevinden, tot lering en verbijstering van de mensen.
De stormwolken balden zich samen boven de stad op deze dat Zhirek er liep. De mensen deinsden van hem weg, bogen tot hun voorhoofd de grond raakte. Vrouwen gristen hun kinderen van de straat en holden ermee naar binnen.
De blauwzwarte stormwolken drukten hard op de juwelen torens van de stad. De regen spetterde op de warme straatstenen maar niet op de mantel van Zhirek de magiër. In de muur om het erf van de villa van een rijk man ging een poort open. Een meisje met een wit gezicht glipte eruit en knielde recht voor Zhirek neer.
"Neem mij als uw slavin,' zei het meisje. 'Ziet, ik heb mij behangen met smetteloze edelstenen die ik u als geschenk breng.'
Zhirek reageerde niet, keek niet naar haar.
Maar toen hij langsliep, greep zij zijn enkel.
Toen bleef Zhirek staan en hij keek naar haar. Haar haren veegden over de straat en achter Zhireks ogen roerden zich talrijke geesten. Maar hij zei alleen rustig tegen haan 'Moet ik je doden?'
Het meisje hief haar hoofd op.
'Ik zal sterven zonder uw liefde,' bezwoer zij. 'Maar ik denk dat u de Dood zelve dient, u stuurt hem er zovelen.'
'De Dood,' zei Zhirek. 'Daar zit een grap in die jij nooit zult kennen.'
Toen sloegen zijn ogen de hare en zij liet zijn voet los en viel op haar zij. Daar lag zij aanzienlijke tijd in de regen, totdat haar bedienden naar buiten durfden om haar weg te halen.
Op het marktplein hingen ze een moordenaar op.
Zhirek bleef staan om het gebeuren gade te slaan, en toen de misdadiger aan het touw hing te dansen, werd Zhirek zelf wit, al zag niemand dat, omdat ze te bang waren om naar zijn gezicht te kijken.
Maar terwijl hij daar stond, sprak iemand achter hem zijn naam, niet precies zoals die naam was. De magiër keerde zich snel om, maar er was daar geen mens, niemand die hem Zhirem had kunnen noemen.