Zeven

Hij sliep die nacht op de koude kust maar voor hem was het niet koud. Hij kon ook de aardse vuren ontbieden en daarvan liet hij er een komen voor licht en om hem te verwarmen. Hij maakte een tent van de nachtlucht leek het, zwart fluweel. Vlak achter de ingang stond Hhabhezur te kijken met zijn dode ogen vanuit zijn koperen kooi. De vissekoning stonk reeds, of zou hebben gestonken als de kunsten van Zhirek de magiër de stank niet heengezonden hadden met geurige donkere gom die hij in het vuur verbrandde. Al deze luxe lag voor het grijpen voor een magiër want in die dagen was er weinig dat de ware magiër niet kon.
Zhirek staarde naar Hhabhezur.
'Jij bezit wat ik niet hebben mag,' zei Zhirek, 'de dood. Maar nu wil ik de dood niet.'
De gestolde ogen van Hhabhezur konden niet antwoorden en toch leken ze te zeggen: Deze deur kun je niet openbreken, deze luxe kun je niet ontbieden. De Dood gehoorzaamt Zhirek niet. Hoe vermoeid Zhirek ook moge raken van de woestijn van het leven, deze koele dronk zal de zijne niet zijn, in eeuwen niet, of langer.
'Je staat te rotten, koning,' zei Zhirek tegen de dode.
De dode ogen gloeiden met weerkaatst vuurlicht: Jij moet je ogen afwenden voor ik dat doe.
Zhirek legde zich te roste op fluweel. Ten tijde van zijn priesterschap zou hij deze weelderige legerstede versmaad hebben. Hij droomde van vrouwen, alle verboden vrouwen die hem ontzegd waren en waarvan hij niet: mocht genieten. Goudkleurig en blank en kaneel en amber. Ze lagen met hem, maar op het toppunt van zijn extase klonk een fluistering in zijn geest: Liefde is niet genoeg. En als hij zich rusteloos omdraaide hoorde hij een ander gefluister: Het leven ook niet En tegen het aanbreken van de dag de derde fluistering: Noch magie. Maar omdat hij nu wijs en goed onderricht was, vergat hij dit.
Toen hij wakker werd, stond de zon hoog. Het vlees viel van het lijk als azuurblauwe bladeren. Met een dolk uit Sabhel hakte Zhirek de linker grote teen van de koning af, die nu een bot was.
Buiten ziedde de zee over het strand, doorschoten met doorschijnende kleuren, stormachtig terwijl de lucht toch helder was.
Zhirek waadde een eindje het water in. Hij gooide het botje in de zee.
'Ik heb jullie zijn terugkeer beloofd,' mompelde hij. 'Ik heb er niet bij gezegd hoe hij terug zou keren.'

Hij liep enkele dagen langs de kust. Dit was niet het land waaruit hij vertrokken was op het piratenschip. Hij liep op blote voeten. Sinds hij een kind was had hij nooit schoenen gedragen. (Spoedig zou men het een hebbelijkheid van hem wanen; als Zhirek zo machtig was, hoefde hij het toch niet zonder schoenen te stellen.) De kooi van koper met de rottende koning erin zeulde hij niet meer mee. Hij had de kooi van benen voorzien en deze liepen voort.
Op de vijfde dag kwam Zhirek langs drie gehuchten op de rand van de zee waar de smalle vissersboten op het land getrokken waren, want de zee was ruw en onberekenbaar en de vissen waren schuw geworden.
In het eerste gehucht stonden de mannen die op het kiezelstenen strand zaten ijlings op en renden hard weg voor de donkere man met de koperen doodskooi die achter hem aan liep. In het tweede gehucht smeekte een man hem: 'U bent zichtbaar een tovenaar. Zeg ons hoe lang dit weer ons van de zee weg zal houden, want onze vrouwen en kinderen lijden honger-'
Ik zal jullie vis brengen,' zei Zhirek. Hij sprak tegen de zee en meteen rolde een brede golf op het strand en deponeerde daar twintig naar lucht happende en spartelende vissen. De vissers waren verbijsterd, want geen enkele landmagiër van wie zij ooit hadden gehoord bezat macht over de zee of diens bewoners. Maar Zhirek, die zoveel van de magie van de zeeheren had geleerd, wilde de vissers alleen treiteren, en toen zij deze onverwachte vangst wilden oppakken, sloeg er een tweede golf stuk op de kust en deze doorweekte de mannen, hun netten en hun boten en plukte uit hun vingers en van de stenen al de vissen die de eerste golf had aangevoerd. Zhirek zag het aan met een uitdrukkingloos gezicht.
De vissers verwensten hem woedend en bevreesd. Een van hen, die bozer was dan de anderen, smeet een steen, die natuurlijk onschadelijk op de kiezels bij Zhireks voeten neerkletterde. Maar Zhirek sprak tegen de ziedende oceaan en toen zei hij tegen de man: 'De volgende keer dat jij je op zee waagt, zal je boot zinken met jou erin.'
Geen van de vissers zei iets, want allen geloofden hem.
Het derde dorp was welvarender. De avond daalde als een breedgevleugelde vogel op het water. Een kroeg met gele lampen, uit welks deuren luid gezang klonk, stond aan het pad over de rots dat naar de kust voerde. Zhirek ging erbinnen met de kooi achter zich aan en er viel een stilte. Zelfs de lampen flakkerden als van angst.
'Breng mij wijn en vlees,' zei Zhirek en toen het opgediend was, ging hij op zijn bekende lusteloze manier zitten eten en drinken. De gruwelijke kooi hurkte in de schaduw, maar de geur van ontbinding - niet sterk meer, want er was weinig over van Hhabhezurs vlees - sloop door de gelagkamer en maakte de feestvierenden bleek en misselijk.
'Het moet een vijand zijn die hem onrecht heeft gedaan, en hij moet een machtig tovenaar zijn,' deduceerden zij, maar ze namen met enige spoed afscheid en toen bleven slechts Zhirek, de kroegbaas en zijn gezin over.
In het zwakke, sputterende schijnsel van de visolielampen zat Zhirek met zijn kin op zijn handen. Tegen middernacht zwol de storm op en de zee beukte de kust. Zhirek pakte het mes van zijn bord en hakte het kale botje van Hhab-hezurs linker wijsvinger af, ging naar buiten en wierp dit in de zee.
De kroegbaas, die naar buiten tuurde, meende heel wazig glanzende gedaanten te zien, ver weg op de golfkammen van de oceaan, mannen met vliegend haar en vreemde koetsen en de lichtende glans van haaieruggen. De wind voerde een gehuil aan als van een vrouwenstem.
Zhirek kwam weer binnen.
'Geef me je bed om in te slapen,' zei hij tegen de eigenaar van de kroeg, 'en je knapste dochter om mee te slapen.'
De man gehoorzaamde doodsbang. De dochter, die vol weerzin naar Zhirek toeging, begon alras te kreunen van verliefdheid en 's ochtends was ze zo vermetel dat ze hem smeekte bij haar te blijven. Toen, stom genoeg overtuigd van het feit dat zij hem als een man kon manipuleren omdat zij had gemerkt dat hij in bed een man was, schreeuwde zij hem schril na totdat Zhirek abrupt een woord sprak en toen hield haar lawaai op. Vanaf die dag bleef ze sprakeloos.

Hij kwam bij een stad aan zee. De torens strekten zich omhoog naar de morgen en de vogels vlogen over de bleke rode schijf van de zon. Zhirek werd overrompeld door zijn speciale vermoeidheid, die met rust nooit te verhelpen was. Hij kreeg zelfs al genoeg van haat en slechtheid en onrecht, zo vlug al. Maar dat erkende hij niet. Toen hij mensen tegenkwam op de hoge kustweg langs de oceaan, had hij hun gezicht de kleur van olijven gegeven - toen ze elkaar zagen, begonnen ze te gillen - een kinderlijke gemeenheid. En verderop, toen hij langs een put kwam, had hij het water het aanzien en de geur en de smaak van bloed gegeven, wat een van de oudste en smerigste toverkunstjes was. Toen hij later in de ommuurde stad kwam, met zijn torens, zijn vogels, het grote marktplein in het centrum, de terrasvormige citadel, toen kwam het hem voor dat hij al duizend steden had gezien, al had hij er in werkelijkheid pas enkele gezien. Vermoeid van geest als hij was, kreeg hij eindelijk de drang om op één plek te blijven, zonder zich te bewegen. De drang uit zijn jeugd die hem voortgedreven had, was ten leste opgebrand, want in zijn ziel was hij niet jong meer.
Hij ging langs de stad, speurde in de buitenwijken. Hier en daar pleegde hij een of andere kleine onplezierigheid - dit werkte als een brandstof, iets om hem op gang te houden, want anders, kwam het bij hem op, zou hij mischien eenvoudig blijven staan waar hij stond, veranderd in levende steen.
(Hij was blij geweest dat hij Sabhel verliet, zelfs dat land vermoeide hem al. Magie en liefde waren te makkelijk te krijgen geweest. En alles wat niet makkelijk was geweest, was onbereikbaar.)
De kooi liep mee, Hhabhezur, minus teen en vinger, bestond nu geheel uit rammelend bot.
In korrelig groen en grijs doemde er een vervallen huis op. Zhirek klom de rottende trap op, door een verwilderde tuin waar de kale rots van de klif doorheen kwam. Krakende deuren hingen nog net aan hun scharnieren. De mozaïekvloeren binnen waren door dieven van ieder bruikbaar voorwerp ontdaan. Door de gebroken ramen woeien schuim en rauw weer binnen, want de storm, die Zhirek langs de kust was gevolgd, zwol aan. Het zoute water klotste in de kelders waar gebroken kruiken nu met zeewier pronkten.
De melancholie en het verval van het huis appelleerden aan Zhireks lugubere verbeelding. Misschien zag hij in het huis een fantoom van de ruïne van het fort in de woestijn waar de waanzinnige oude priesters hem vroom misbruikt en geliefkoosd hadden toen hij Zhirem was en tien jaar oud, tijdens hun overdreven inspanning om zijn 'duivel' uit te bannen. 'Bouw geen paleis in de wereld...' Wat een ironie als, nadat hij bezweken was voor alle vallen waarvoor zij hem hadden gewaarschuwd, die hang naar armoede van hen nog stand hield.
Met zijn kunsten en door gebruik van mensen die hij in trance uit de stad haalde of weg liet slepen door degenen die hij al had, werd het huis enigermate op orde gebracht. Op de vloeren lagen dikke kleden, gestolen of met minder vriendelijke middelen verkregen koopwaar, en voor de ramen hingen zware gordijnen te wapperen. Soms kwamen er vrouwen als slaapwandelaars over de kustweg naar het huis zwalken, de trap op waarnaast de stenen beesten afschuwelijk grijnsden, door de onkruidtuin, door het huis naar het zwarte hemelbed van Zhirek. Het bed met zijn stijlen en zijn beeldhouwwerk en zijn donkere kleur dat bij toeval of met sombere opzet op niets zozeer leek als op een graftombe. Bij andere gelegenheden stierven er mannen voor het vermaak van de magiër - hoewel hun smeekbeden, hun pijn en hun dood hem nauwelijks amuseerden. Hij was jaloers op hun dood, of anders spande hij zich hevig in om wat dan ook te voelen - jaloezie, pijn, woede, want alle emotie in hem lag te smeulen en uit te doven. Zelfs wreedheid werd niet meer dan een gewoonte.
Eens waagden de belastinginners van de koning zich hier, hoewel het huis walmde van toverij. Zhirek rekende met deze bezoekers af en bracht toen een bezoek aan de koning. Dat was de dag dat de koning zeker wist dat hij een hond was, een teef besteeg, botten knauwde.
Op zijn eigen voorraadje botten was Zhirek heel gierig. Hij verdeelde Hhabhezur in stukjes en wachtte iedere keer tot de storm de oceaan ranselde voor hij de edelen van Sabhel een brokje toewierp. En naarmate de maanden verstreken, en daarna de jaren, kwamen de stormen minder vaak. Alsof de zeemensen van Sabhel eveneens de hartstocht en het conflict moe werden.
Wat duurde de tijd lang, eindeloos. Tijd zonder betekenis, waarvoor Zhireks moeder gewaarschuwd was toen zij voor hem het verschrikkelijke vuur van de onkwetsbaarheid had opgeëist. 'Er bestaat geen weldaad die geen zuster in het ongeluk heeft.' Daar mijmerde hij over, tijdens de lange stille avonden wanneer, terwijl het hele land en de hemel gekleurd leken door het glazuur van de zee, die zilveren rust zelfs, korte tijd, in Zhirek doordrong. Hoe kwam het dat hij, die zoveel had gekregen, het slechts kon misbruiken en eronder kon lijden? Terwijl hij als hij kwetsbaar en onwetend was gebleven, blijdschap en comfort in zijn leven zou hebben kunnen brengen, zowel voor hemzelf als voor anderen. Hij was in de richting van het kwaad gedwongen, maar het kwaad had hem afgewezen; Azhrarn, bij volmacht of in vermomming, had hem afgewezen. Waarom was Zhirek dan niet teruggekeerd tot zijn bedorven onschuld, waarom had hij niet geprobeerd het gescheurde kledingstuk te herstellen? Omdat hij nooit iets goeds had gedaan anders dan uit angst om iets slechts te doen. Toen het kwade niet langer een gevaar vormde, was het kwade het enige waar hij zichzelf nog toe kon brengen.
Op een dag deed hij een experiment. Lopend door de stad, terwijl de deuren zoals altijd haastig dichtsloegen, en de op straat gebleven mensen als altijd diep bogen en verbleekten, zag hij een klein, vergeten jongetje dat in de goot speelde. Iets in het kind ontroerde Zhirek bijna, de roodgele tint van zijn haar, misschien, hoewel zijn ogen niet groen waren. Uit het niets wrochtte Zhirek de schijn van een onschuldig snoepje en bood dit aan het jochie aan, dat het cadeautje vol vertrouwen aannam. Op dat ogenblik kwam de moeder van het kind aansnellen. Ze griste het kind van de straat en tilde het op en staarde Zhirek ineenkrimpend van angst aan. Zhirek zei aarzelend, pogend vriendelijk te zijn: 'Vraag me om iets.'
'Red dan mijn kind, dat u vergiftigd hebt,' schreeuwde de vrouw plots.
'Nee, dat heb ik niet gedaan,' ontkende Zhirek, en hij stak zijn hand uit.
Daarop schoot de vrouw achteruit, ze struikelde over een steen en het kind viel uit haar armen en het brak de schedel op de rand van de goot.
Hoewel hij wist dat dit voorval het gevolg was van de reputatie die hij zelf had verwekt, aanvaardde Zhirek het toch als een teken dat hij door het kwade vergezeld zou blijven, zoals de kraai rond de galg cirkelt.
Maar nog enkele jaren later, toen hij voor de galg stond waaronder de moordenaar hing te dansen, sprak er achter Zhirek iemand die zijn naam zei, hoewel niet precies zoals zijn naam luidde.
Toen hij deze naam hoorde, daalde er een zachte, maar bittere koude over Zhirek. Hij begreep dat een enkel ogenblik de Heer van de Dood bij zijn schouder had gestaan.