72
Susan Reynolds schakelde de ontvanger uit die in verbinding stond met het zendertje dat ze aan John Pullers auto had bevestigd toen deze voor de winkel van haar dochter stond. Ze had het elektronische signaal gevolgd naar zijn bestemming.
Of bijna tot aan zijn bestemming.
Ze was twee straten voor Puller een zijstraat ingeslagen, maar ze had aan het stipje op het scherm kunnen zien wat zijn eindbestemming was. Ze was weggereden en naar het motel gegaan waar ze onder een valse naam een kamer had genomen. Ze had haar uiterlijk veranderd en contant voor de kamer betaald. Ze verstuurde een versleutelde e-mail met het adres van het safehouse.
Na enkele uren zoemde haar telefoon. Ze nam op. Het was Anton Bok.
Anton Bok zei: ‘Ik heb de omgeving verkend. Het is inderdaad een safehouse. Vijf externe bewakers en mijn warmtebeeldcamera zag binnen vijf mensen: waarschijnlijk John Puller, Knox en Robert Puller plus twee interne bewakers.’
‘Dan zijn er negen bewakers, als ik John Puller en Knox meetel,’ zei ze.
‘Een aanzienlijk aantal, maar niet onmogelijk,’ zei Bok rustig. ‘We kunnen het ook laten zitten. Gaan we het gevecht wel een andere keer aan.’
Ze schudde haar hoofd en zei glimlachend: ‘Anton, dit was ons laatste gevecht. Maar we hebben veel succes gehad in de loop van twintig jaar. Het Pentagon is natuurlijk niet gelukt, maar bijna al het andere wel en dat is een prestatie om trots op te zijn. We hebben onze leiders uitstekend gediend en waren de beste agenten die ze ooit hebben gehad. Die stomkoppen hebben me in al die jaren nooit verdacht. Nu pas.’
‘Mijn land is trots, Susan. Heel trots op mij, en op jou. En ze zullen ons met open armen verwelkomen.’
‘Maar er is nog één onafgedane kwestie,’ zei ze.
‘Klopt,’ beaamde hij. ‘Robert Puller.’
‘Inmiddels heb ik al bijna net zo’n hekel aan zijn broer.’
‘Dan vangen we twee vliegen in één klap,’ zei Bok.
‘Drie met Knox erbij. Ik zal haar niet laten lopen. Staat het privévliegtuig klaar?’
‘Op afroep. Morgen kunnen we in Rusland zijn. We hebben een medaille voor je klaarliggen.’
‘Ik heb veel liever een avond met jou samen.’
‘Die krijgen we nog voldoende. Er is een heel leuke datsja in de buurt van Sint-Petersburg die van ons zal zijn. Met een tuin.’
‘Ik hou van tuinen. Maar de verkenning?’
‘Het huis staat aan het einde van een doodlopende straat. De voordeur is aan de straatzijde en de beide huizen ernaast staan leeg. De externe patrouilles vinden op wisselende tijden plaats. Er is een garage, zodat ze in de garage in en uit de auto’s stappen.’
‘En mijn schietlocatie?’
‘Er is een prachtig plekje voor je. In het westen, voorbij het huis en helemaal aan het einde van de straat, is een heuveltje. Het huis dat daar heeft gestaan is gesloopt, dus heb je een prima zichtlijn. Ongeveer twaalfhonderd meter met een goed gericht schot op het doelwit.’
‘Ik heb slapend een grotere afstand overbrugd.’
‘Dat weet ik. Maar je moet wel snel zijn. Wegkomen zal het grootste probleem zijn.’
‘Ik ben niet van plan lang te blijven rondhangen. Ik hoef ze immers niet een voor een dood te schieten.’
‘Ik kom je persoonlijk ophalen.’
‘En dan gaan we naar Rusland?’
‘En dan gaan we naar ons nieuwe vredige leventje.’
Om drie uur ’s nachts maakte Susan Reynolds haar sluipschuttersnest op de heuvel klaar, nadat Anton Bok had bevestigd dat de kust veilig was. Ze haalde haar favoriete wapen uit de houder, een Barrett M82, in het Amerikaanse leger bekend als de M107. Dit was een speciaal aangepaste M107 met een telescoopvizier waarmee een unieke kogel kon worden afgeschoten.
Met dit wapen had iemand van het Amerikaanse leger in 2008 een vijand gedood vanaf een afstand van meer dan tweeduizend meter. Het huidige wereldrecord voor een dodelijk schot in een oorlogssituatie stond op naam van een Brit, die vanaf bijna vijfentwintighonderd meter een Afghaan had doodgeschoten.
Reynolds’ schot zou vanaf een veel kleinere afstand worden afgevuurd, maar vereiste toch een grote schietvaardigheid. Bovendien had ze de beschikking over de beste technologie, zoals een laser-afstandssensor, het beste langeafstandsvizier, een draagbaar meteorologisch apparaatje en de modernste software om de baan van de afgeschoten munitie te voorspellen.
Toch had ze eigenlijk niet meer nodig dan haar telescoop en geweer. Het zou letterlijk neerkomen op het vuren op de zijkant van een schuur. Ze had een autolader om de munitie van de M107 aan te vullen. Ze pakte een patroon en keek ernaar. De patroon had een groene punt met een grijze ring eromheen. Deze soort munitie werd in het veld ‘combined effects’ genoemd.
Ze stopte de patroon terug, zette haar geweer in positie, ging erachter liggen en zocht de juiste houding. De afneembare mondingsrem zat op het uiteinde van de loop en verminderde de terugslag. De achtergreep van het wapen had een monopod. Onder de poten van de driepoot zat een scherpe punt, voor meer grip.
Ze zette haar vizier aan en keek erdoorheen.
Ze bewoog de loop van de M107 van de linkerkant naar de rechterkant van het doelwit, voordat ze hem weer op het safehouse richtte.
Het was donker. De laatste patrouille was een paar minuten eerder voorbij gekomen. Ook in het huis was het donker; ze zouden nu wel slapen. Ze zag geen mensen rondlopen in het huis. Nee, ze zouden nooit weten waardoor ze waren geraakt.
Ze ademde diep uit, zorgde dat haar hartslag binnen de acceptabele marge kwam en ze mentaal helemaal kalm was. Maar ze wist natuurlijk dat ze amper kon missen vanaf deze afstand en met dit doelwit. Niet met de munitie die ze gebruikte.
Ze schoot één keer en de kogel vloog precies goed tot hij de zijgevel van het huis raakte. De kogel was een Mk 211 Mod 0 HEIAP (High-Explosive-Incendiary-Armor-Piercing); hoogexplosief, brandstichtend en pantserdoorborende munitie. Binnen in de .50 kogel zat een .30 penetrator van wolfraam. Deze munitie kon tanks, stenen muren en betonblokken aan. Houten wanden en gipsplaten vormden dus geen enkel probleem.
De explosieve kern van de kogel ontplofte op het moment van de inslag en verwoestte de hele voorgevel van het huis. De voorraad aardgas in het huis explodeerde ook, waardoor het dak eraf werd geblazen en de huizen aan weerszijden in brand vlogen.
Reynolds schoot nog een keer op het busje van de bewakers dat voor het huis stond; het busje ontplofte en vloog de lucht in. Ze schoot nog een keer op het huis, waarna er een nieuwe explosie volgde. Een andere muur van het huis viel naar binnen, waar alles inmiddels in brand stond. Een andere explosie deed het huis op zijn grondvesten trillen, waardoor ook de schoorsteen brak.
Reynolds wachtte geduldig of ze iemand naar buiten zag rennen. Als dat gebeurde, kregen ze meteen een .50 kaliber voor de kiezen, die dwars door hen heen zou vliegen en aan de andere kant zou exploderen.
Ze vuurde nog drie schoten af om de drie busjes van de bewakers te vernietigen. Eentje kwam midden op de weg terecht, waardoor er niemand meer langs kon. De grond was onzichtbaar door rook en vlammen, als een uit de hand gelopen bosbrand.
Omdat Reynolds haar doelwitten niet meer kon zien, besloot ze dat haar werk voor die nacht erop zat. Iedereen in het huis was nu dood, want niemand kon een dergelijke aanval overleven. Nu hoefde ze alleen nog met de auto naar het vliegtuig te rijden en dan kon haar nieuwe leventje in Rusland beginnen.
Ze wilde net opstaan toen ze het gesuis hoorde en de kogel zich in haar rechterschouder boorde.
Eerst was ze zo geschrokken dat ze niet eens merkte dat ze was beschoten. De kogel was dwars door haar heen gegaan en in de aarde terechtgekomen. Haar sleutelbeen was verbrijzeld en haar rotatorenmanchetspieren waren vernietigd. Ze bloedde, maar de kogel had haar met zo’n kracht geraakt dat haar wond was dichtgeschroeid en het bloedverlies minimaal was.
Misselijk van schrik doordat zíj was beschoten, krabbelde Reynolds overeind terwijl ze haar nutteloze arm vasthield. Ze keek wanhopig om zich heen om te zien waar het schot vandaan was gekomen. Maar het enige wat ze zag was duisternis. Ze liet haar wapen achter en liep wankelend het pad af dat naar de auto leidde waar Bok op haar wachtte. Ze hoorde dat er iemand achter haar aan kwam. Ze probeerde de andere kant op te lopen, maar haar achtervolger liep veel sneller dan zij.
Reynolds keek achterom, struikelde over een struik en viel gillend van de pijn op de grond.
Ze draaide zich om en keek op.
John Puller keek op haar neer, met zijn scherpschuttersgeweer over zijn schouder en zijn pistool op haar gericht.
Toen ze zag wie het was, gilde ze: ‘Ik ben beschoten!’
‘Dat weet ik. Dat heb ik gedaan.’
‘Klootzak die je bent. Ellendeling!’
Hij negeerde dit en zei in zijn walkietalkie: ‘Stuur een brancard. Boven op de heuvel. Heb een schotwond, niet levensbedreigend. Er is dus geen haast bij.’
‘Ik vermoord je! Dat zweer ik!’ Ze probeerde hem te schoppen, maar miste. Ze viel weer op haar rug, jammerend en haar arm vasthoudend.
Hij knielde naast haar neer. ‘Er is één belangrijk verschil tussen de Olympische Spelen en een echte gevechtssituatie, Susan. Dat heb je misschien over het hoofd gezien.’ Hij zweeg even. ‘Tijdens de Olympische Spelen is er niemand die op jóú schiet.’