14
Terwijl ze door de gang liepen vroeg Puller: ‘Hebt u met Al Jordan gesproken, de man die de transformatoren heeft vervangen?’
‘Inderdaad,’ antwoordde Knox.
‘En?’
‘En wat?’
‘Heeft hij iets gezegd wat u vreemd vond?’
‘Zoals?’ zei ze.
‘Zoals over de mensen die de opgeblazen transformatoren hebben opgehaald?’
‘Nee, dat heeft hij niet.’
‘Hebt u gevraagd of u die transformatoren mocht zien?’
‘Nee,’ zei ze.
‘Oké.’
Ze bleef staan.
Hij liep nog even door, bleef ook staan en draaide zich naar haar om.
‘Wat wilt u, Puller?’
‘Gewoon vragen stellen en dan maar hopen dat ik antwoorden krijg die iets duidelijk maken.’
‘Wat is er met die transformatoren?’
‘Iedereen denkt dat de bliksem ze heeft opgeblazen.’
‘Maar u denkt niet dat dat de oorzaak was?’ vroeg ze.
‘Ik denk niets, ik kijk alleen naar de bewijzen. Maar uit een heel eenvoudig onderzoek van de restanten van die transformatoren zou zijn gebleken of er sprake is geweest van een bom.’
‘Een bom?’ vroeg ze sceptisch.
‘Een bom,’ herhaalde hij. ‘Je kunt niet iets opblazen zonder een paar essentiële zaken, zoals het explosief, de detonator, een timer of een afstandsbediening.’
‘Dat weet ik. Dus uw theorie is dat iemand de transformatoren heeft opgeblazen en de back-upgenerator heeft gesaboteerd om uw broer uit de gevangenis te krijgen?’ Ze zweeg even, fronste. ‘U hebt me niet verteld dat u overal samenzweringen ziet.’
‘En u denkt dat er een storm was die de hoofdstroomtoevoer opblies, dat de back-upgenerator er toevallig mee ophield en dat mijn broer spontaan gebruikmaakte van een kans die binnen een paar seconden was ontstaan, terwijl een groep MP’s uit Leavenworth de gevangenis binnenviel? En dat tegelijkertijd heel toevallig ook schoten en een explosie te horen waren? En dat er toen een onbekend lijk achterbleef?’ Hij hield zijn hoofd schuin en keek haar aandachtig aan. ‘En aan de blik op uw gezicht kan ik zien dat u daar ook al aan heeft gedacht, wat betekent dat alles wat er hiervoor tussen u en mij is gezegd alleen maar een toneelstukje van u was.’
Met een verbaasde blik vroeg ze: ‘Echt? Op basis van een blik?’
Hij zei: ‘Mensen verhoren is mijn werk en gezichten lezen maakt daar deel van uit. Mensen kunnen in woorden liegen, maar verraden zich door hun gezicht, en dan vooral met hun ogen. Altijd. Net als uw ogen zonet. Dus wat is er echt aan de hand?’
Ze tikte met haar hak op de grond en sloeg haar armen over elkaar. ‘Dit is een delicate situatie,’ zei ze. ‘Bijzonder delicaat.’
Hij deed een stap in haar richting. ‘Dat begrijp ik. Maar voel u vrij me hier meer over te vertellen.’
‘Ik weet alleen dat mijn marsorder was om voorzichtig te werk te gaan, en om met u samen te werken. Dat ben ik dus van plan.’
‘Daar hebt u niets aan toe te voegen?’ vroeg hij.
‘Op dit moment niet. Zullen we het bezoekersregister gaan bekijken?’
De bezoekersgegevens van de DB werden elektronisch bewaard en Puller en Knox kregen er toegang toe via een computerterminal in een hokje naast de bezoekersruimte. Puller had besloten om ten minste zes maanden terug te gaan, misschien zelfs verder terug als hem niets opviel. Ze zaten naast elkaar en soms raakten hun knieën elkaar door hun lange benen en de kleine ruimte.
Na een tijdje zei Knox: ‘U kwam uw broer regelmatig bezoeken.’
‘Hebt u broers of zussen?’
‘Nee.’
‘Nou, misschien kunt u het dan moeilijk begrijpen.’
‘Oké, maar verder heeft niemand hem bezocht, Puller. Nogmaals, u was dus de enige.’
‘Klopt.’
‘Dus wat doen we nu? Uit dit register blijkt dat hij door niemand is gebeld, alleen door u.’
Puller keek naar het scherm. ‘Maar dit vertelt ons niet het hele verhaal.’
‘En dat betekent?’
‘Dat betekent dat een computer alleen uitbraakt wat iemand erin heeft gestopt.’ Hij stond op.
Ze keek naar hem op en vroeg: ‘Wat doen we nu?’
‘Echt onderzoekswerk.’
‘Zoals?’
‘Zoals met mensen praten.’
Dat nam het grootste deel van de rest van de dag in beslag. Ze moesten met talloze mensen praten en papieren dossiers bekijken en daarna met leidinggevenden praten en vervolgens weer met de mensen die ze al eerder hadden verhoord. Toen ze klaar waren was het negen uur ’s avonds.
‘Hebt u honger?’ vroeg Puller.
Ze knikte. ‘Het is al even geleden dat ik heb ontbeten.’
‘Kent u Leavenworth?’
‘Niet erg goed.’
‘Nou, ik wel. Kom mee.’
Ze stapten in zijn auto en reden naar een restaurant in de hoofdstraat, waar alles op het menu gefrituurd was in vet dat waarschijnlijk even oud was als het gebouw – op de muur boven de ingang stond ‘1953’.
Ze bestelden hun maaltijd, en Puller nam een biertje en Knox een ijsthee met heel veel ijs erin.
‘Wat we straks gaan eten, betekent acht extra kilometers als ik morgenochtend ga hardlopen,’ zei ze, zogenaamd wanhopig.
‘Ach, je kunt wel wat hebben,’ zei hij. Hij nam een slok van zijn koude bier. ‘Roeien of basketbal op college?’
‘Allebei.’
‘Indrukwekkend. Meer dan één sport op college, dat is vrij zwaar tegenwoordig.’
‘Ach, het is al meer dan vijftien jaar geleden en het was een kleine college. En roeien was een clubsport op Amherst.’
‘Amherst. Geweldige school.’
‘Ja, dat is zo.’
‘En hoe komt het dat je bij het leger bent gegaan?’
‘Door mijn moeder.’
‘Zat zij in het leger?’ vroeg Puller.
‘Nee, mijn vader. Hij heeft het zelfs tot kolonel gebracht. Als laatste in Fort Hood.’
‘Oké, maar de verwijzing naar je moeder snap ik dan niet.’
‘Ze zei dat ik alles wat mijn vader kon tien keer beter kon. Ze zijn gescheiden,’ voegde ze eraan toe, misschien ten overvloede.
‘Ik neem aan dat je niet met je vader kunt opschieten?’
‘Nee.’ Ze dronk haar ijsthee met een rietje en speelde even met het papiertje waar het rietje in had gezeten. ‘Ik heb jou natuurlijk ook nagetrokken. Je vader is John Puller senior, Fighting John Puller.’
‘Zo wordt hij genoemd, ja.’
‘Een heuse legende.’
‘Zo noemen ze hem ook.’
‘Ik hoorde dat hij in een veteranenziekenhuis zit.’
‘Klopt.’
‘Hoe gaat het met hem?’
Puller wendde zijn blik af en keek haar toen weer aan. ‘Het gaat. We worden allemaal oud immers.’
‘Als we zo lang leven.’ Ze keek naar het litteken dat vanaf de linkerkant van zijn hals helemaal doorliep naar zijn rug. ‘Fallujah?’ vroeg ze, naar zijn litteken wijzend.
‘Mosul. Mijn Fallujah-aandenken zit op mijn enkel.’
‘Ik ben daar ook geweest. Niet in de frontlinies.’ Ze voegde eraan toe: ‘Had niets met mij te maken en alles met het leger.’
‘Dat heb ik eerder gehoord,’ zei Puller. ‘Geen onderscheiding als zij je niet aan het front wilden laten vechten.’
‘Toch een onderscheiding, Puller.’
‘Maar dingen veranderen. En snel ook.’
‘Dingen móésten wel veranderen. Eenentwintigste eeuw: niet te vermijden.’
Hij hief zijn flesje Coors, als een saluut. ‘Mee eens. Enkelen van de moedigste soldaten met wie ik ooit heb gediend waren vrouwen.’
Ze zwegen tot hun eten werd gebracht en zwegen terwijl ze alles opaten. Zodra de borden waren weggehaald kwam Puller terug op waarom ze hier echt waren. ‘Heb je gezien wat ik zag tijdens de interviews en in het papieren spoor?’ vroeg hij.
‘Vertel me maar wat jij zag, dan geef ik wel antwoord.’
‘Stel dat het bezoekersregister accuraat is en ik de enige ben die mijn broer in de afgelopen maanden heeft bezocht.’
‘Oké.’
‘Als hij verder met niemand van buiten heeft gepraat, dan moeten we naar binnen kijken.’
‘Iemand van DB?’
Puller knikte. ‘Het zou niet de eerste keer zijn dat een gevangene werd geholpen door iemand aan de andere kant van de celdeur.’
‘Ik weet vrij zeker dat het de eerste keer in DB zou zijn.’
‘En het computersysteem is gehackt, waardoor de deuren opengingen zodra de stroom uitviel. Tja, daar is dus zéker iemand van binnen voor nodig.’ Dat was de andere optie waar Puller aan had gedacht toen Macri hem had verteld over het vermoeden dat er gehackt was.
‘Klinkt logisch,’ zei Knox.
‘We moeten met iedere bewaker praten die die nacht dienst had.’
‘Dat zijn heel veel bewakers.’
Hij leunde naar achteren, teleurgesteld. ‘Heb je iets anders te doen?’
‘Nee. Waar gaan we dan naar op zoek?’
‘Naar een onlogisch antwoord, een blik, een aarzeling. En we moeten hun achtergrond en verleden napluizen, kijken of ons iets opvalt.’
‘Dat zou weleens heel veel tijd kunnen kosten.’
Puller sloeg met zijn vlakke hand op het tafelblad. ‘Het kan me niets schelen hoe lang het duurt, Knox. Het enige wat ik belangrijk vind is dat dit wordt opgelost.’
‘Wat bedoel je daar precies mee? Je broer gevangennemen en veilig terugbrengen naar de gevangenis?’
‘Wat zou ik anders kunnen bedoelen?’ vroeg hij langzaam.
Ze keek hem onderzoekend aan. ‘Dat vraag ik me af. Maar als dit door iemand van binnenuit is geregeld, zijn er misschien meer bewakers bij betrokken. En dat vind ik wel heel vergezocht.’
‘Het is niet vergezocht als het waar blijkt te zijn. Misschien is het plaatje wel veel groter dan we denken.’
‘En misschien ook niet.’
‘Ben je gebrieft over mijn broer?’
‘stratcom.’
Puller knikte. ‘En je weet wat dat inhoudt. Daar zou het motief kunnen liggen. Onze vijanden ontvoeren hem vanwege zijn intelligentie en gebruiken zijn kennis tegen ons.’
‘Dus nu denk je ook al aan spionnen?’ zei ze sceptisch. ‘Een mol bij DB?’
‘Heb jij een andere verklaring?’ vroeg hij gespannen.
‘Nee,’ bekende ze. ‘Dat niet.’
‘En we hebben nog altijd geen idee wie die dode man is en wat hij daar deed. Ik heb geregeld dat we morgenochtend zijn lichaam kunnen bekijken.’
‘Dat is een lastig probleem,’ zei ze. ‘Ik bedoel, hoe kom je een gevangenis binnen en laat je jezelf vermoorden zonder dat iemand iets ziet of hoort?’
‘Dat zou weleens gemakkelijker kunnen zijn dan je denkt,’ zei Puller.
Knox keek hem afwachtend aan, maar hij ging er niet verder op in. In plaats daarvan vroeg hij: ‘En wie heeft jou opdracht gegeven op mij te passen?’
‘Ik heb niet de opdracht om op jou te passen!’ zei ze fel.
Puller negeerde dit. ‘Was het Schindler... Daughtrey... of Rinehart?’
Haar gezicht vertrok bij de laatste naam.
‘Luitenant-generaal Rinehart dus. Drie sterren trekken meestal wel de aandacht van een kapitein. Vooral als je hogerop wilt en een hogere rang wilt dan je vader. Zou weleens een leuke carrièresprong kunnen betekenen.’
Ze wendde haar blik af. ‘Puller, je hebt geen idee waar je het over hebt. Je zit er echt helemaal naast.’
Hij legde wat geld neer voor zijn deel van de maaltijd. ‘Ik weet zeker dat Rinehart jouw maaltijd zal betalen. Je was immers nog steeds aan het werk.’
Hij stond op. ‘Hou je haaks.’
‘Waar ga je naartoe?’
‘Naar bed.’
Ze zei niet meteen iets, maar bleef hem strak aankijken. Ten slotte vroeg ze: ‘Waarom geloof ik dat niet?’
Ze namen afscheid. Puller had niet eens gevraagd waar Knox logeerde. Hij betwijfelde dat ze hetzelfde motel had als hij. Er waren niet erg veel gasten, dus dan had hij haar wel gezien. Hij zette zijn auto op de parkeerplaats van het motel, deed de motor uit, stapte uit de auto en keek om zich heen. Er stonden twee andere auto’s op de parkeerplaats die er nog niet waren toen hij vanochtend vertrok. Het waren oude bakken en aan het kenteken te zien kwamen ze allebei uit een andere staat. Dat vond hij geen probleem, dat gold ook voor zijn auto. Kansas lag in het midden van het land, dus was dit waarschijnlijk een motel waar mensen die op doorreis waren zouden overnachten.
Hij rende de buitentrap op naar zijn kamer op de eerste verdieping en liep over de galerij naar zijn deur.
Even later had hij zijn M11 getrokken en zijn vinger om de trekkerbeugel gelegd.
Zijn deur stond open, niet ver, maar genoeg. Hij wist zeker dat hij hem die ochtend op slot had gedaan en het licht voor zijn kat had aangelaten.
En dit motel had geen dagelijkse schoonmaakservice. Je zag nooit een schoonmaakster, omdat ze pas naar je kamer kwamen nadat je was vertrokken.
Hij ging naast de deur staan en keek door de kier naar binnen, maar die was niet groot genoeg om iets te kunnen zien. Met zijn voet duwde hij de deur iets verder open. Hij had zijn beide handen op zijn wapen en was even later in de kamer, gehurkt. Hij zwaaide de M11 defensief heen en weer, en zocht een doelwit.
Dat vond hij niet. Maar hij zag twee dingen.
Ten eerste lag awol opgerold op het bed. Aan haar langzame ademhaling en de sloom zwaaiende staart zag hij dat zijn kat in orde was.
Datzelfde kon niet worden gezegd van de persoon die naast haar op het bed lag.
Puller keek naar de deur van de badkamer, checkte dit vertrek en de ondiepe kast. Daarna liep hij naar het bed.
Brigadegeneraal Daughtrey van de luchtmacht was heel erg dood.