5

John Puller wist dat er iets mis was zodra hij op de verdieping van zijn vader uit de lift stapte.

Het was veel te stil.

Waar waren zijn vaders zware kreten die als ontploffende mortierkogels door de hal vlogen en geüniformeerde mannen van staal tot een hoopje ellende reduceerden? Het enige wat hij hoorde waren de normale ziekenhuisgeluiden: rubberzolen op linoleum, het gepiep van karretjes en brancards, het gefluister van medisch personeel in hoeken, het geroezemoes van bezoekers die kwamen en gingen, en een enkele keer het alarmsignaal van de hartbewakingsapparatuur.

Hij liep de gang in en versnelde zijn pas toen hij drie mannen uit de kamer van zijn vader zag komen. Het waren geen artsen: twee mannen droegen het gebruikelijke uniform van hun eenheid en de derde man droeg een pak. Een van de mannen in uniform zat in het leger, de andere bij de luchtmacht, en allebei waren ze generaal. De man van de luchtmacht was een eensterrengeneraal. Puller ging sneller lopen en toen hij vlak bij hen was, kon hij het naamplaatje van de man van de luchtmacht lezen: daughtrey. De man van het leger had drie sterren op zijn epauletten, en op zijn naambordje stond rinehart. Puller herkende de naam, maar kon die niet plaatsen. De verzameling decoraties op zijn borst bestond uit negen rijen. Hij was een grote man met kortgeschoren haar. En zijn neus was gebroken, ten minste één keer.

‘Neem me niet kwalijk, heren?’ zei Puller om hun aandacht te trekken. Hij salueerde niet, omdat ze binnenshuis waren en geen van hen undercover was, wat betekende dat ze hun pet niet op hadden.

Ze draaiden zich alle drie naar hem om.

Puller keek de generaals aan en zei: ‘Ik ben Chief Warrant Officer John Puller junior, van de 701ste cid uit Quantico. Neem me niet kwalijk dat ik niet in uniform ben, maar ik ben net terug van een missie in Oklahoma en kreeg toen nieuws waarover ik met mijn vader moet praten.’

‘Op de plaats rust, Puller,’ zei Rinehart, waarop Puller zich ontspande. ‘U bent niet de enige bezoeker van uw vader vandaag.’

‘Ik zag jullie uit zijn kamer komen,’ zei Puller.

De man in het pak knikte en liet zijn ID zien. Puller keek er aandachtig naar, want hij wilde graag weten met wie hij te maken had: James Schindler, van de nsc, de National Security Council.

Puller had nooit eerder met iemand van die organisatie te maken gehad. De nsc was een beleidsorganisatie en de leden daarvan gingen niet op onderzoek uit. Maar deze lui stonden ook rechtstreeks in verbinding met het Witte Huis. Dat was indrukwekkend voor een eenvoudige hoofdadjudant. Maar toch, als iemand hem echt wilde intimideren moest hij de loop van een vuurwapen tegen zijn schedel zetten. En zelfs dat zou niet genoeg zijn.

Rinehart zei: ‘U hebt “nieuws” gekregen? Ik neem aan dat dit hetzelfde nieuws is waardoor wij hier vandaag op bezoek zijn gekomen.’

‘Mijn broer.’

Daughtrey knikte. ‘Uw vader was niet bepaald behulpzaam.’

‘Dat komt doordat hij hier niets van weet. En hij is ziek.’

‘Dement, is ons verteld,’ zei Schindler.

Puller zei: ‘Hij heeft zichzelf niet meer in de hand. En sinds mijn broer in de gevangenis zit, heeft hij geen contact meer met hem gehad.’

‘Toch heeft iemand die dement is af en toe wel heldere momenten, Puller,’ zei Daughtrey. ‘En met deze zaak is geen enkele aanwijzing te klein om niet na te trekken. En omdat u als volgende op onze lijst staat, stel ik voor dat we een rustig plekje zoeken waar we kunnen praten.’

‘Met alle respect, meneer, ik ben bereid waar en wanneer dan ook met u te praten, maar pas nadat ik mijn vader heb gezien. Het is belangrijk voor me om hem nú te zien,’ voegde hij eraan toe, hoewel hij zich terdege realiseerde dat deze mannen stuk voor stuk veel hoger in rang waren dan hij.

De eensterrengeneraal was hier zichtbaar niet blij mee, maar Rinehart zei: ‘Natuurlijk kan dat, Puller. Er is tegenwoordig geen soldaat in uniform die Fighting John Puller niet respecteert.’ Bij deze woorden keek hij met een scherpe blik naar Daughtrey. ‘Aan het einde van deze gang is een bezoekersruimte. Zodra u klaar bent, kunt u ons daar vinden.’

‘Dank u wel, meneer.’

Puller stapte zijn vaders kamer binnen en deed de deur achter zich dicht. Hij hield niet van ziekenhuizen; hij had er genoeg vanbinnen gezien toen hij gewond was. Ze roken veel te schoon, maar feitelijk waren er meer bacteriën te vinden dan op een wc-bril.

Zijn vader zat in een stoel bij het raam. John Puller senior was ooit bijna even lang geweest als zijn jongste zoon, maar de tijd had bijna vijf centimeter van hem afgepakt. Toch was hij met zijn een meter tweeëntachtig nog altijd een lange man. Tegenwoordig droeg hij zijn gebruikelijke uniform: een wit T-shirt, een blauwe ziekenhuisbroek en ziekenhuisslippers. Zijn haar, wat ervan over was, was spierwit en groeide als een halo rondom zijn kruin. Hij was fit en in goede conditie, en zijn spieren, hoewel niet even getraind als in zijn beste jaren, waren nog steeds substantieel.

‘Hallo, generaal,’ zei Puller.

Meestal deed zijn vader net alsof Puller zijn adjudant was die hiernaartoe was gekomen om orders in ontvangst te nemen. Puller was in zijn vaders waanidee meegegaan, hoewel hij dat eigenlijk niet wilde, dat voelde alsof hij zijn vader verraadde. Maar zijn vader keek niet eens naar hem en zei niets. Hij bleef gewoon door het raam naar buiten kijken.

Puller ging op de rand van het bed zitten. ‘Wat hebben die mannen je gevraagd?’

Zijn vader ging rechtop zitten en tikte tegen het raam, waardoor een spreeuw opvloog, en leunde weer achterover in de kunstleren stoel.

Puller stond op, liep naar hem toe en keek over het hoofd van zijn vader heen naar de binnenplaats. Hij kon zich niet herinneren wanneer zijn vader voor het laatst buiten was geweest. Hij had het grootste deel van zijn militaire carrière buiten doorgebracht en zichzelf verdedigd tegen vijanden die probeerden hem en zijn mannen te verslaan. Daar waren ze praktisch geen van allen in geslaagd. Wie had kunnen voorspellen dat een defect in zijn eigen hersenen hem uiteindelijk op de knieën zou krijgen?

‘Onlangs nog iets van Bobby gehoord?’ vroeg Puller, bewust provocerend.

Meestal werd zijn vader woedend als de naam van zijn broer ter sprake kwam.

Nu was de enige reactie een grom, maar dat was tenminste iets.

Puller ging voor zijn vader staan en blokkeerde het uitzicht op de binnenplaats. ‘Wat hebben die mannen je gevraagd?’

Zijn vader hief zijn hoofd zodat hij zijn jongste zoon recht aankeek. ‘Weg,’ zei zijn vader.

‘Wie, Bobby?’

‘Weg,’ zei zijn vader weer. ‘awol.’

Puller knikte. Ongeoorloofd afwezig, dat was technisch niet juist, maar dat zei hij niet. ‘Hij is inderdáád weg. Ontsnapt uit de DB, zeggen ze.’

‘Onzin,’ zei zijn vader. Hij zei het niet woedend en verhief zijn stem niet, maar hij zei het op een nuchtere toon, alsof de waarheid achter dit woord vanzelfsprekend was.

Puller knielde naast hem, zodat zijn vader zijn hoofd weer kon laten zakken. ‘Waarom is dat onzin?’

‘Dat zei ik tegen hen. Onzin.’

‘Oké, maar waarom?’

Hij had wel vaker meegemaakt dat zijn vader een helder ogenblik had, hoewel het steeds minder vaak voorkwam. Het was precies zoals de eensterrengeneraal had gezegd: heldere momenten waren nog steeds mogelijk.

Zijn vader keek zijn zoon aan alsof het hem verbaasde dat hij niet in zichzelf zat te praten.

Pullers optimisme verdween onmiddellijk toen hij die blik zag. Was dat alles wat zijn vader vandaag te bieden had? Onzin? ‘Heb je dat tegen hen gezegd?’ vroeg hij. Hij wachtte zwijgend, nog een minuut of zo.

Zijn vader deed zijn ogen dicht en haalde regelmatig adem.

Puller deed de deur achter zich dicht en liep door de gang naar de sterren en het pak die in de verder lege bezoekersruimte zaten.

Hij ging naast Rinehart zitten, de driesterrengeneraal van het leger. Hij nam aan dat de band binnen hetzelfde krijgsmachtonderdeel sterker werd door de fysieke nabijheid.

‘Was het een prettig bezoek aan uw vader?’ vroeg Schindler.

‘In zijn toestand is een bezoek zelden prettig, meneer,’ zei Puller. ‘En hij was niet helder.’

‘We kunnen dit niet hier met u bespreken,’ zei Rinehart. ‘U kunt met ons meerijden naar het Pentagon. Na de bespreking zullen we u laten terugbrengen naar uw auto.’

 

De rit duurde ongeveer een halfuur. Ze stopten op een van de parkeerplaatsen van het grootste kantoorgebouw ter wereld, hoewel het maar zeven verdiepingen had, waarvan twee onder de grond.

Puller was tijdens zijn carrière ontelbare keren in het Pentagon geweest en kende nog steeds de weg niet goed. Hij was meer dan eens verdwaald als hij van zijn vaste route afweek. Maar iedereen die er ooit was geweest, was minstens één keer verdwaald. Iemand die dat ontkende, loog.

Ze liepen door een brede gang en moesten snel opzij stappen toen er een gemotoriseerde kar aankwam die vol stond met wat eruitzag als grote zuurstofflessen. Puller wist dat het Pentagon zijn eigen noodvoorraad zuurstof had, mocht er zich een vijandelijke aanval of sabotagepoging voordoen. De aanval op het Pentagon op 11 september had de beveiliging hier tot ongekende hoogten gestuwd, en die zou waarschijnlijk nooit meer worden verlaagd.

Rinehart struikelde een beetje toen hij opzij sprong voor de kar, en Puller pakte hem instinctief bij zijn arm om zijn militaire superieur te steunen. Ze keken allebei naar de gemotoriseerde kar die langsreed.

Puller zei: ‘Het Pentagon kan een beetje gevaarlijk worden, meneer. Zelfs voor driesterrengeneraals.’

Rinehart glimlachte. ‘Net als een schuttersputje. Hoe groot het hier ook is, toch lijkt het weleens verdomde klein om alles en iedereen te kunnen huisvesten.’

Ze kwamen bij een grote kantoorsuite. Op de deur stond: luitenant-generaal aaron rinehart. De driesterrengeneraal nam hen mee naar binnen, langs zijn personeel en naar een vergaderzaal. Ze gingen zitten en iemand schonk water voor hen in. Daarna werd de deur gesloten en waren ze alleen.

Puller zat tegenover de mannen aan de vergadertafel en wachtte. Onderweg hadden ze over koetjes en kalfjes gepraat, dus wist hij nog steeds niet wat ze wilden.

Generaal Daughtrey leunde naar voren en leek de anderen mee te trekken, want ze deden allemaal hetzelfde als hij. ‘Wat we van uw vader hebben gehoord was één woord: “onzin”.’

‘Dan is hij behoorlijk consequent,’ zei Puller. ‘Dat zei hij namelijk ook tegen mij.’

‘Heeft dat iets te betekenen volgens u?’ vroeg Schindler.

Puller staarde hem aan. ‘Ik ben geen zielenknijper, meneer. Ik weet niet wat mijn vader daarmee bedoelde, of hij er iets mee bedoelde.’

‘Wanneer was de laatste keer dat u uw broer in DB hebt opgezocht?’ vroeg Daughtrey.

‘Ongeveer zes weken geleden. Ik probeer hem zo vaak mogelijk te zien. Maar soms kan dat niet door mijn werk.’

‘Wat zei hij tijdens uw laatste bezoek?’

‘Niets over ontsnappen, dat kan ik u verzekeren.’

‘Oké, maar wat zei hij dan wél?’ drong Daughtrey aan.

‘We hebben over onze vader gepraat. Hij vroeg hoe het ging met mijn werk bij de cid. Ik heb met hem gepraat over hoe het was in DB, vroeg hem hoe het ging.’

‘Heeft hij het over zijn zaak gehad?’ vroeg Schindler. ‘Waardoor hij in DB is terechtgekomen?’

‘Het is geen zaak meer, meneer. Het is een vonnis. En nee, daar hebben we het niet over gehad. Wat valt daar nog over te zeggen?’

Rinehart vroeg: ‘Hebt u een theorie over wat er tijdens de ontsnapping van uw broer kan zijn gebeurd?’

‘Nee, daar heb ik nog geen mening over, omdat ik niet alle feiten ken.’

‘Er komen steeds nieuwe feiten boven water. Het is voldoende als ik zeg dat de situatie uiterst ongewoon was.’

‘Het lijkt onmogelijk dat hij zonder hulp heeft kunnen ontsnappen. De back-upgenerator die uitviel? Hoe groot is de kans daarop? En wie was die dode man in zijn cel?’

‘U kent de feiten dus wel!’ zei Schindler beschuldigend.

‘Een paar, maar niet allemaal. Maar wie in DB zou zoiets kunnen regelen?’

‘Het is zorgwekkend,’ zei Rinehart, volkomen overbodig.

‘Heeft uw broer geprobeerd contact met u op te nemen?’ vroeg Schindler.

‘Nee.’

‘Als hij dat doet, neemt u natuurlijk onmiddellijk contact met uw superieuren op.’

‘Ik denk dat dat inderdaad mijn plicht zou zijn.’

‘Dat zei ik niet, Puller.’

‘Dan neem ik contact op met mijn superieuren, ja.’

Schindler gaf hem een kaartje. ‘Eerlijk gezegd heb ik liever dat u eerst contact met mij opneemt.’

Zwijgend stopte Puller het kaartje in zijn zak.

Daughtrey vroeg: ‘Ik neem aan dat u duidelijk is gemaakt dat u zich niet met deze zaak mag bemoeien?’

‘Dat heeft mijn CO me heel duidelijk gemaakt.’

‘Maar omdat u onderzoeker bent, ben ik ervan overtuigd dat u heel graag bij deze zaak betrokken zou willen zijn. Klopt dat?’

Puller keek de man verbaasd aan. Dat is een interessant idee, dacht hij. ‘Ik ging er niet van uit dat ik een keus had,’ antwoordde hij. ‘Een direct bevel is een direct bevel. Ik zit al te veel jaren in het leger om mijn carrière hiervoor op het spel te zetten.’

‘Voor uw broer, bedoelt u,’ zei Daughtrey.

Puller keek de man aan. ‘Wílt u dat ik bij dit onderzoek betrokken ben?’

‘Dat zou tegen alle van toepassing zijnde militaire voorschriften ingaan,’ merkte Rinehart gedecideerd op.

‘Dat is niet echt een antwoord op mijn vraag, meneer.’

‘Ik ben bang dat dit het enige antwoord is dat u krijgt, Puller,’ zei Schindler en hij stond op. Ze stonden allemaal op.

‘Ik heb nu verlof,’ zei Puller.

Schindler glimlachte. ‘Nou, als ik u was, zou ik daar op een goede manier gebruik van maken.’ Hij tikte op Pullers zak waar hij het kaartje in had gestopt. ‘En vergeet niet me te bellen als u iets hoort. De belangstelling voor deze zaak reikt tot dusdanige hoogtes dat je een zuurstoffles nodig hebt om adem te halen.’

Daughtrey zei: ‘Nog één vraag, Puller.’

‘Ja, meneer?’

‘Hebt u uw broer ooit gevraagd of hij schuldig was?’

Die vraag verraste Puller en hij hield er niet van om verrast te worden. ‘Dat heb ik inderdaad gedaan, één keer.’

‘En wat zei hij?’

‘Niets.’

Daughtrey vroeg: ‘En wat denkt u? Wás hij schuldig?’

Puller gaf niet meteen antwoord. Het was niet echt belangrijk wat hij dacht over de schuld of onschuld van zijn broer, want dat veranderde niets aan de realiteit. Toch leek het alsof de drie mannen zijn antwoord heel graag wilden horen.

‘Ik wil niet geloven dat mijn broer een verrader was,’ zei hij ten slotte. Dat was het beste wat hij kon doen en meer wilde hij er niet over zeggen, ook al was hij dan laagste in rang.

Daughtrey zei: ‘Hij wás schuldig, Puller. Omdat de krijgsraad dat heeft gezegd. Het bewijs was overweldigend. U was er misschien niet bij betrokken, maar wij allemaal waren dat wel.’

Rinehart zei: ‘Dat is alles, Chief Puller. U kunt gaan.’

Puller verliet het vertrek en vroeg zich af wat er zojuist in vredesnaam was gebeurd.

De ontsnapping
546a7df21469d6.html
546a7df21469d7.html
546a7df21469d8.html
546a7df21469d9.html
546a7df21469d10.html
546a7df21469d11.html
546a7df21469d12.html
546a7df21469d13.html
546a7df21469d14.html
546a7df21469d15.html
546a7df21469d16.html
546a7df21469d17.html
546a7df21469d18.html
546a7df21469d19.html
546a7df21469d20.html
546a7df21469d21.html
546a7df21469d22.html
546a7df21469d23.html
546a7df21469d24.html
546a7df21469d25.html
546a7df21469d26.html
546a7df21469d27.html
546a7df21469d28.html
546a7df21469d29.html
546a7df21469d30.html
546a7df21469d31.html
546a7df21469d32.html
546a7df21469d33.html
546a7df21469d34.html
546a7df21469d35.html
546a7df21469d36.html
546a7df21469d37.html
546a7df21469d38.html
546a7df21469d39.html
546a7df21469d40.html
546a7df21469d41.html
546a7df21469d42.html
546a7df21469d43.html
546a7df21469d44.html
546a7df21469d45.html
546a7df21469d46.html
546a7df21469d47.html
546a7df21469d48.html
546a7df21469d49.html
546a7df21469d50.html
546a7df21469d51.html
546a7df21469d52.html
546a7df21469d53.html
546a7df21469d54.html
546a7df21469d55.html
546a7df21469d56.html
546a7df21469d57.html
546a7df21469d58.html
546a7df21469d59.html
546a7df21469d60.html
546a7df21469d61.html
546a7df21469d62.html
546a7df21469d63.html
546a7df21469d64.html
546a7df21469d65.html
546a7df21469d66.html
546a7df21469d67.html
546a7df21469d68.html
546a7df21469d69.html
546a7df21469d70.html
546a7df21469d71.html
546a7df21469d72.html
546a7df21469d73.html
546a7df21469d74.html
546a7df21469d75.html
546a7df21469d76.html
546a7df21469d77.html
546a7df21469d78.html
546a7df21469d79.html
546a7df21469d80.html
546a7df21469d81.html
546a7df21469d82.html
546a7df21469d83.html
546a7df21469d84.html
546a7df21469d85.html
546a7df21469d86.html
546a7df21469d87.html
546a7df21469d88.xhtml