58
Robert Puller zat in zijn pick-uptruck naar haar te kijken. De kentekenplaten van Kansas leken hier nogal op te vallen en daarom had hij ze vervangen door kentekenplaten van D.C. die hij had gestolen van een auto op een terrein in D.C. met in beslag genomen auto’s.
Susan Reynolds zat te dineren aan een tafeltje voor het raam van een restaurant aan de trendy H Street. Ze leek zich nergens zorgen over te maken, maar dat kon een façade zijn. En hij was niet van plan die vrouw te onderschatten. Niet weer. Hij had haar professionele verleden een paar keer doorgelezen en zich gericht op delen die hij eerder slechts vluchtig had doorgenomen. Hij had het allemaal in zijn geheugen geprent en zich daarmee een nieuw beeld gevormd dat interessante mogelijkheden leek te bieden.
Ze had zich vanavond verleidelijk gekleed, dat was duidelijk te zien. Haar rokje was knielang maar strak, en haar gesteven witte bloes met de twee bovenste knoopjes los was suggestief bloot. Ze droeg schoenen met heel hoge hakken en kousen met een naad aan de achterkant.
Hij zakte dieper weg in zijn stoel toen een patrouillewagen van de politie van D.C. langsreed. Hij wist dat de politie in de hele omgeving nu wist dat hij waarschijnlijk in de buurt was.
Puller was Reynolds vanaf haar huis hiernaartoe gevolgd. De man die bij haar was kende hij niet, maar hij was duur gekleed, als een advocaat of lobbyist. Puller had een glimp van hem op kunnen vangen toen hij hier kort na Reynolds was gearriveerd. In een Aston Martin. Dus geld had hij in elk geval. Hij keek naar hen en zag dat zij lachte om iets wat de man had gezegd.
Het leek hem fijn als je nog steeds kon lachen als je baas net was opgeblazen. Puller kon zich wel voorstellen dat de rest van het dtra-personeel waarschijnlijk om hun vermoorde baas zou treuren. En om Blair Sullivan. En om de chauffeur. Drie onschuldige mannen die geen dag langer hadden mogen leven. Maar dat gold niet voor Reynolds. Zij ging gewoon vrolijk verder zonder één enkel schrammetje.
Puller wist dat Reynolds iets met die bomaanslag te maken had, hij wist alleen niet hoe of waarom precies. Zijn broer had hem verteld dat Sullivan hem de mantel had uitgeveegd en Reynolds had verdedigd. En Donovan Carter was het eens geweest met de mening van zijn hoofd Interne veiligheid, alleen niet met de toon waarop hij die had geventileerd. Dus als Reynolds niet langer werd verdacht, waarom waren ze dan vermoord, had zijn broer willen weten. Maar Puller wist zeker dat Carter en Sullivan Reynolds wel hadden verdacht. En Reynolds had zich dat gerealiseerd of had dat ontdekt, en kort daarna waren ze gedood.
Zijn broer was een fantastische soldaat en een uitmuntende onderzoeker, maar hij was zowel een eerbare als een eerlijke man. En ook al kon hij het gewoon ruiken als een verdachte loog, was dat binnen de Intelligence Community een ander paradigma. In die wereld logen mensen niet alleen om dingen te verbergen, nee, liegen was ook hun werk! En als je iets maar vaak genoeg deed, werd je er heel goed in. Dat gold in elk geval voor degenen die in dat wereldje bleven hangen. De anderen werden uit het veld gezet of stierven daar.
Dat was zo verbazingwekkend aan Reynolds. Zijn broer had zeker geweten dat ze loog. En toen Robert Puller haar met het pistool tegen haar hoofd had verhoord, had hij datzelfde idee gehad. En ze hád gelogen. Ze had ook de waarheid verteld over één cruciaal feit, maar had geprobeerd dat te verpakken als een heel slimme leugen.
Ze zag de spiegel die ik gebruikte. Ze wist dat ik naar haar gezicht keek. Ze hield me voor de gek. Tenminste, dat probeerde ze.
Dat begreep hij nu. En die waarheid baarde hem grote zorgen.
Hij keek door zijn verrekijker naar Reynolds en haar gast. Ergens kwam de man hem bekend voor. Met de camera die hij gekocht had, maakte Puller een foto van de man, zette die op zijn laptop en liet de foto vervolgens door dezelfde databases gaan die hij had gebruikt om de foto te controleren van de man die hij in zijn gevangeniscel had gedood.
Maar in tegenstelling tot bij die foto kreeg Puller een match bij deze foto.
Malcolm Aust.
Nu koppelde hij de naam aan het gezicht. Natuurlijk.
Hij was geen advocaat en ook geen lobbyist, maar een belangrijke wapeninspecteur van de VN, die in de hele wereld werd gerespecteerd vanwege zijn kennis en zijn moed.
Hoewel Puller wel iets afwist van de man, las hij de biografie van Aust snel door. De man deed dit werk al ruim vijfentwintig jaar en was naar vrijwel elke brandhaard ter wereld gereisd. Hij werd zeer gewaardeerd, had wetenschappelijke artikelen geschreven en was vaak te gast bij nieuwsprogramma’s.
Hij was ontwikkeld, sprak verschillende talen en was rijk doordat hij een vermogen had geërfd. Daardoor maakte Puller zich geen zorgen over de Aston-Martin. Maar wel over iets anders.
Waarom had Reynolds een afspraak met hem? Ondanks haar baan bij het wmd Center en haar vele verdiensten, was haar status ook weer niet zo hoog dat het logisch was dat ze een eetafspraak had met iemand van Austs kaliber. Hun professionele werelden werden streng gecontroleerd door degenen binnen het veld die, zoals in elke goede hiërarchische omgeving, de pikorde belangrijk vonden. De verschillende statusniveaus hadden domweg geen contact met elkaar.
Aust had misschien afspraken met ministers van Buitenlandse Zaken of voorzitters van een commissie van het Congres. Hij ging misschien vriendschappelijk om met generaals, admiraals en belangrijke ceo’s of zelfs met staatshoofden. Maar dat was Reynolds allemaal niet.
En toch leek Aust zich goed te amuseren met de vrouw en Puller begon zich af te vragen of het wat Aust betrof misschien gewoon persoonlijk was. Reynolds was, ondanks wat ze volgens hem had gedaan, bijzonder aantrekkelijk en intelligent, en ze had een belangrijke functie op een terrein waar ook Aust zich voor interesseerde.
Puller zag dat ze met elkaar proostten en dat Reynolds zich over het tafeltje heen boog en Aust op de wang kuste. De blik op Austs gezicht ‒ dat Puller door zijn verrekijker kon zien ‒ maakte duidelijk dat de man veel meer wilde dan de robijnrode lippen van de dame.
Dit kon weleens interessant worden.
Op dat moment keek hij in zijn zijspiegel en zag hij de man.
Hij stond ongeveer vier autolengtes achter Pullers pick-uptruck tegen een gebouw geleund een sigaret te roken. Hij had zijn blik afgewend, maar niet snel genoeg.
De kijker wordt bekeken. Ik ben betrapt. Maar volgens mij weten ze niet dat ik dat weet. Nog niet tenminste.
Puller hield de man af en toe via de achteruitkijkspiegel in de gaten. Daarna keek hij om zich heen om te zien of er nog meer waren. Er stonden veel geparkeerde auto’s op straat. Het kon elke auto zijn. Even later zag hij een lichtflits in een zwarte Mercedes aan de overkant, drie auto’s terug.
De flitser van een camera. Iemand had net een foto van hem en zijn pick-uptruck gemaakt.
Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn en typte een gecodeerde sms aan zijn broer. Het berichtje was kort, maar stond boordevol informatie. Hij had John Pullers hulp nodig. Nu!
Hij keek naar het restaurant aan de overkant.
Aust zat niet meer aan het tafeltje, maar Reynolds wel. Ze zat te bellen. Ze knikte een paar keer, zei iets en legde de telefoon weg. Ze streek met een hand door haar haar en keek ondertussen naar buiten. Dat had ze handig gedaan, en als Puller niet had ontdekt dat hij in de gaten werd gehouden, zou hij het waarschijnlijk niet ongewoon hebben gevonden.
Maar toen ze naar buiten keek, was haar blik over hem heen gegleden. Heel even, maar het was genoeg. Het was onverklaarbaar hoe ze hem hadden gevonden, want zelfs zijn eigen broer had hem niet herkend.
De koplampen van de grote Mercedes sprongen aan en de motor werd gestart.
Puller keek weer in de achteruitkijkspiegel en zag dat de man die naar hem had staan kijken in een pikzwarte suv stapte die ook werd gestart.
Puller keek voor zich. Bij de volgende kruising stonden verkeerslichten. Op dit late tijdstip was er maar weinig verkeer, wat zowel goed als slecht voor hem was. Hij stak zijn hand uit naar het contactsleuteltje toen zijn telefoon trilde. Hij keek naar het scherm.
Zijn broer had hem een sms gestuurd.
Net als de cavalerie was John Puller al onderweg. Maar misschien was hij niet op tijd. Robert had gelukkig een idee. Zijn vingers vlogen over zijn telefoonscherm. Hij verstuurde een bestand met een gedownload programmaatje en wat extra gegevens naar zijn broer. Hij hoopte dat het werkte. Anders zou hij sterven.
Toen hij het bestand verstuurd had, telde Robert Puller tot drie, waarbij hij het verkeerslicht in de gaten hield, en draaide het contactsleuteltje om. De pick-uptruck startte en hij zette hem in de versnelling.
De Mercedes schoot uit zijn parkeerplek, maar Puller trapte het gaspedaal diep in en reed voor de Mercedes weg. Toen hij het restaurant voorbijreed, keek hij even naar rechts.
Reynolds zat nog steeds aan haar tafeltje en keek hem recht aan toen hij voorbijscheurde.
Daarna was ze verdwenen. De pick-uptruck schoot de kruising over. Het licht sprong op rood, precies zoals hij had gepland. De Mercedes haalde het toch, maar gewoon omdat hij doorreed. De suv moest wel stoppen, omdat het verkeer van links en rechts de weg blokkeerde. Maar de chauffeur gebruikte zijn voertuig als een stormram en brak door de versperring heen.
De jacht was begonnen.