64
Nadat Damian de boot van Sytse had aangemeerd liep hij naar binnen. Voorzichtig draaide hij de kurk van de champagnefles en schonk de glazen vol.
‘Zo. Het zal nog wel even duren voordat Sytse weer kan varen, maar ik ben blij dat hij zo goed herstelt van die klap. Ik hoop dat we hier deze keer geen onverwacht bezoek krijgen.’
‘En ik hoop dat het nu echt voorbij is,’ zei Emma. ‘Alec, wilde die vent de Semper Augustus nou alleen om het geld hebben?’
‘Ja. Degenen over wie Dick het met Damian had, die bij de denktank betrokken zijn, schijnen niets met de dood van Frank en Simon te maken te hebben. Tenminste, dat heb ik van Wainwright begrepen. Coetzer was ingehuurd om bij Frank te achterhalen waar de bol was. Toen die niets losliet heeft Coetzer hem vermoord en bedachten ze zich dat ik misschien zou weten waar Frank de Semper Augustus had verstopt.’
‘Nu weet ik waarom Simon dat liet vallen, dat als er iemand iets wist, jij wel de aangewezen persoon zou zijn,’ zei Tara. ‘Ik ben er gewoon ingetrapt. Hij wilde er via mij achter komen waar de Semper was.’
‘Tara, Simon was wanhopig,’ zei Damian. ‘Hij heeft jou nooit in gevaar willen brengen, dat weet ik zeker. Bovendien had hij spijt van wat hij gedaan had. Anders hadden ze hem niet vermoord.’
‘Misschien heb je gelijk. Ik ben in elk geval blij dat de Semper Augustus door Karl Peterson veilig achter slot en grendel is geplaatst. De bol is nu waar hij hoort.’
‘Nog een geluk dat die het er levend vanaf heeft gebracht. Was hij er eigenlijk nog wel blij mee?’
Tara glimlachte. ‘Natuurlijk. Die bol is zo’n unieke vondst voor het instituut.
Hij heeft hem meteen naar Wakehurst Place over laten brengen.’
‘Over tulpen gesproken. Wat ik niet begrijp is dat Coetzer die tulp op de borstkas van Frank en op de muur bij Simon heeft aangebracht. Waarom zou hij dat hebben gedaan?’ vroeg Emma.
‘Dat heb ik me ook af zitten vragen,’ zei Damian. ‘Wainwright denkt dat hij de politie op een dwaalspoor heeft willen brengen, dat zij zouden denken dat er een seriemoordenaar rondliep die de tulp als handtekening voerde.’
Alec rekte zich uit. ‘Ik hoop één ding: dat de Semper Augustus altijd in Wakehurst Place zal blijven.’
Tara knikte. ‘En deze keer niet in een zielenhuis van zilver, maar van ondoordringbaar staal.’
Wakehurst Place, West Sussex, 2009
Een voor een verlieten zijn collega’s hun werkplek en lieten hem alleen achter in het zwaar beveiligde deel van het complex. De laatste weken ging hij altijd als laatste naar huis, dus ze keken er niet van op dat hij bleef.
Zodra hij zeker wist dat iedereen weg was, opende hij de deur van het laboratorium en liep naar de brede gang waar de kluisdeuren op uitkwamen. Bij de tweede stond hij stil. Hij tikte de code in die alleen bekend was bij een klein groepje medewerkers van het Millennium Seedbank Project. Toen het lampje groen werd, duwde hij de zware hendel naar beneden en liep naar binnen.
In alle wanden waren metalen laden aangebracht. Op elke lade zat een etiket met een nummer. Hij liep naar de rechterwand en zakte door zijn knieën. Hij wist precies welke la hij moest hebben en trok deze naar zich toe. Terwijl hij ermee naar de tafel liep die in het midden van de ruimte stond, streek hij met zijn vinger over het etiketplaatje en fluisterde: ‘Jij bent mijn toekomst.’
Voorzichtig zette hij de lade neer. Even hield hij zijn adem in. Daar lag hij. Het was haast onvoorstelbaar dat dit onooglijke bruine ding zoveel goddelijks in zich verborgen hield. Zo waardevol was. Hij glimlachte. Dat ze hem hadden gevraagd ervoor te zorgen dat de bol bij hen terechtkwam, vervulde hem met trots. Ze vertelden dat ze er zo lang op hadden moeten wachten, dat ze er al twee jaar achteraan zaten en ze nooit hadden gedacht dat ze de bol ooit nog in handen zouden krijgen. Ze hadden hem ervan overtuigd dat hij de enige was die hen kon helpen.
De risico’s kende hij, en hij wist dat hij zijn baan op het spel zette, maar de uitdaging van het werk en het enorme geldbedrag dat hem in het vooruitzicht was gesteld, trokken hem over de streep. Hij realiseerde zich dat hij maar één keer in zijn carrière zo’n kans zou krijgen.
Hij klopte op de zak van zijn laboratoriumjas en liet zijn hand naar binnen glijden. Zijn vingers omvatten de gedroogde bol die hij daar eerder die dag in had gestopt. Op het eerste gezicht was er geen onderscheid tussen deze en de Semper Augustus. Nee, het zou jaren duren voordat ze erachter kwamen dat de waardevolle bol vervangen was door een onbeduidend exemplaar.
Nadat hij ze had verwisseld liep hij terug naar de wand. Hij knielde neer en schoof de la terug op zijn plek. Hij dacht aan het bedrag dat morgen op zijn geheime bankrekening zou worden gestort. Vanaf dat moment zou hij vrij zijn. Dan kon hij zijn eigen laboratorium opzetten, zijn eigen onderzoek doen en kopen wat zijn hart begeerde.
De deur was loodzwaar en hij moest kracht zetten om de kluis af te sluiten. Hij speurde de verlaten gang af. Snel liep hij terug naar het laboratorium.
‘Zo jongen, nog zo laat aan het werk?’
‘Man, je laat me schrikken.’
De bewaker keek hem vriendelijk aan. ‘Ik zie het aan je. Sorry, maar ik ben mijn ronde aan het lopen. Zeg, wordt het niet eens tijd om naar huis te gaan? Om je in het nachtleven te storten? Het is vrijdagavond. Iemand van jouw leeftijd moet niet de hele tijd aan het werk zijn, toch? Je moet het leven omhelzen.’
De bewaker spreidde zijn armen en liet ze weer neerkomen. Hij stak zijn vinger op. ‘Want voor je het weet is het voorbij. Neem het maar aan van een wijze oude man. Je moet ervan genieten, met volle teugen.’
Hij knikte vriendelijk naar de bewaker en stak zijn hand in zijn jaszak. Zijn vingers streelden de bol en hij zei:‘Ik begrijp wat je bedoelt en ik ga er zeker van genieten. Maak je maar geen zorgen.’
Dankwoord
Zonder de steun, motiverende woorden en het vertrouwen van mijn lieve man, ouders, schoonmoeder, familie en vrienden had ik het nooit gered. Ik ben hen erg dankbaar. Dat geldt ook voor mijn meelezers Godelieve en Liliane, die met hun kritiek op mijn manuscript blijk gaven van echte vriendschap. Verder ben ik onnoemelijk veel dank verschuldigd aan mijn agent Paul Sebes en aan mijn redacteur Juliette van Wersch, voor haar aanmoedigingen, verbeterpunten en geduld.
Het fantastische boek van Mike Dash, Tulpengekte , heeft mij enorm geïnspireerd. Naast de schriftelijke en digitale bronnen die ik heb geraadpleegd, heeft een aantal personen de tijd genomen mijn vragen te beantwoorden. Mijn dank gaat uit naar Bert Stoopendaal en Simon de Waal van Politiebureau Amsterdam Amstelland, Harry de Raad van het Regionaal Archief Alkmaar en Jan Pelsdonk van het Geldmuseum.
Het tulpenvirus is fictie. De personages en gebeurtenissen zijn deels gebaseerd op historische en hedendaagse feiten, maar ik heb ze naar eigen inzicht in dit boek verwerkt. Op mijn site www.daniellehermans.nl is informatie te vinden over deze feiten en de bronnen die ik voor dit boek geraadpleegd heb.