53
Ze hoorden de voordeur dichtvallen, en even later liep Damian de kamer in.
‘Wolters is langs geweest, en Tara was zo vriendelijk hem te ontvangen en aan te horen wat hij te zeggen had,’ zei Alec tegen hem. De cynische ondertoon ontging Damian niet. Zijn ogen schoten even haar kant op. Nadat Alec hem uit de doeken had gedaan wat ze gezegd had, zei Damian: ‘Het codewoord klopte dus.’
‘Hier, lees maar, dit hebben ze ontcijferd.’
Na een paar seconden keek hij op. Zijn blik stond gespannen. ‘De Semper Augustus. Daar heeft Dick mij net over verteld. Dan is het dus waar en klopt het dat Frank die in zijn bezit had. Toen Dick het vertelde, geloofde ik er eerlijk gezegd weinig van.’
‘Wilde Dick je daar over spreken?’ vroeg Emma.
‘Over nog een paar dingen, maar dat vertel ik zo wel. Alec, Frank had toch een zilvercollectie?’
‘Collectie is eigenlijk een te groot woord, het zijn een stuk of twintig voorwerpen. Er zitten een paar mooie stukken bij.’
‘Uit de zeventiende eeuw?’ Tara keek hem gespannen aan.
‘Ja, ik geloof van wel.’
Met een paar passen stond ze naast hem. Ze greep hem zo hard bij zijn arm dat Alec haar nagels door de stof van zijn jasje voelde prikken. ‘We moeten naar Londen, kijken of we iets kunnen vinden.’ Ze rukte aan zijn mouw. ‘Of er inderdaad ergens iets in verstopt zit.’
Alec lachte schamper. ‘Je denkt toch niet echt dat in een van die voorwerpen een tulpenbol verstopt zit?’
De manier waarop ze naar hem keek zette zijn ongeloof om in twijfel.
‘Wat ben je toch een eigenwijze klootzak,’ schreeuwde ze hem toe. ‘Het staat daar, op dat briefje, zwart op wit.’
‘Wil je een glas water in je gezicht of hou je op met dat hysterische gekrijs?’ Met een koele blik keek Emma haar aan. Toen keek ze naar Damian. ‘Halen we de collectie hierheen?’
Hij knikte. ‘Alec, bel Tibbens en vraag of hij het zilver naar het vliegveld brengt en aan onze piloot meegeeft. Het kan binnen een paar uur hier zijn.’
‘En als we hem vinden, als die bol ergens in zit, wat dan?’ vroeg Emma aan Alec.
‘Dat weet ik nog niet.’
‘Dat weet ik wel,’ zei Tara.
Alecs gezicht vertrok. ‘Vergeet het maar. Jij bent de laatste die de bol in handen krijgt. Frank en Simon zijn erom vermoord. Volgens mij raakt het je niet eens. Het doet je helemaal niets. Je bent alleen op die bol uit. Ik dacht dat je ons wilde helpen, dat je erachter wilde komen wie de dood van Frank en Simon op zijn geweten heeft. Heb je weleens over jezelf nagedacht, weleens goed in de spiegel gekeken? Ik walg van je.’
Woedend keek Tara hem aan. Ze spuugde haar woorden uit. ‘Dat ik dat niet laat zien, zegt niets over wat ik voel. Denk je echt dat ik een gevoelloos monster ben? Het doet mij heel veel, alleen heb ik nu andere prioriteiten.’ Ze stak haar handen uit en zei vertwijfeld: ‘Je kunt je toch voorstellen wat dit voor mij betekent? Het gaat mij helemaal niet om het geld, het gaat mij om de Semper Augustus.’
‘Als dat zo zou zijn zou ik er tenminste nog iets van begrijpen. Maar dat is het helemaal niet. Het gaat jou alleen om jezelf, om je ego.’
Tara schudde langzaam haar hoofd en sloeg haar ogen neer.
Haar stem trilde toen ze zei: ‘Ik kon hem helpen met het bereiken van zijn doel.’
Alec lachte schamper. ‘Helpen? Doe alsjeblieft niet zo nobel.’ Hij keerde zich van haar af. ‘Je maakt me kotsmisselijk.’
Ze beende de kamer uit. De deur knalde achter haar dicht.
*
Damian nam de koffer van de chauffeur aan. In de woonkamer zette hij hem op de grond. Op zijn hurken ging Alec ervoor zitten en deed de deksel omhoog. Er lagen zo’n twintig pakjes in, omwikkeld met bubbeltjesplastic en met tape dichtgeplakt. Na een kwartier stonden de zilveren voorwerpen op de grond uitgestald.
‘Waar zou in hemelsnaam een bloembol in verstopt kunnen zitten?’ Alec keek naar het zilverwerk. ‘Zo’n bol is toch veel te groot om in een van deze dingen kwijt te kunnen.’
Ze keken op toen Tara de kamer binnenkwam. Met rooddoorlopen ogen liep ze schuchter op Alec af en zei: ‘Wat je net allemaal tegen me hebt gezegd. Het klopt. Je hebt gelijk. Ik moest even wakker geschud worden. Ik heb me afschuwelijk gedragen.’ Haar handen waren in elkaar gewrongen en ze hield ze beschermend voor haar borst. ‘Het gaat er inderdaad om dat de dader van de moorden wordt gepakt, en nergens anders om. Ik, ik zou niet eens meer met de bol kunnen werken. Er kleeft bloed aan.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Ik wil hem niet eens meer hebben.’
‘Kom maar,’ zei Emma. ‘Help even mee. Als het goed is moet hij in een van deze voorwerpen zitten.’
Ze pakten allemaal iets op. Tara greep naar een kandelaar, draaide hem om en begon het vilt, dat ter bescherming aan de onderkant van de voet was aangebracht, los te pulken. Ze rukte het vilt eraf en keek de holte in. Ze schudde haar hoofd. ‘Hier zit niets, maar hij moet ergens in zitten.’
Na een tijdje zei Emma: ‘Volgens mij heb ik hier iets. Hier, moeten jullie kijken.’
Ze hield de gesp omhoog en wees met haar vinger op het breedste deel. ‘Er staat een tulp op.’
‘Geef eens hier,’ zei Damian.
Hij pakte de gesp aan en hield hem vlak bij zijn ogen. Op het breedste deel was een kleine tulp in het zilver gegraveerd. Met zijn vinger gleed hij over de versiering en drukte erop. Tot zijn stomme verbazing sprong de bovenkant van de gesp omhoog.
‘Dus toch,’ zei Tara zacht.
Ze staarden ernaar terwijl hij het klepje verder omhoog duwde. Hij keek de kleine opening in en schudde zijn hoofd.
‘Niets, het is leeg.’
‘En die dan? Het zijn er twee.’ Alec pakte
hem op en herhaalde de handeling. Ook hier sprong de gesp open. Hij
stak zijn vingers in de opening. Toen hij zijn hand terugtrok hield
hij een
minuscuul bruin zakje tussen zijn duim en wijsvinger.
‘Mijn god,’ zei Tara.
Alec friemelde het zakje open, hield zijn handpalm eronder en schudde het uit. Op zijn hand lag iets donkerbruins. Het was niet groter dan een centimeter en zag eruit als een krent.
‘Hij is helemaal uitgedroogd,’ zei Alec zacht. ‘Daar zit geen leven meer in.’
Op opgewonden toon zei Tara: ‘Je moest eens weten hoeveel leven ik daar nog uit kan halen.’
‘En die andere gesp, waarom is die leeg?’ Emma’s stem klonk bedachtzaam.
‘Ik denk dat daar het briefje in heeft gezeten. Er stond “In dit zielenhuis van zilver”,’ citeerde Alec.
‘Dus dan heeft Frank het briefje eruit gehaald en in het tulpenboek verstopt.’
Londen, 2001
‘Blijf hier maar even wachten,’ zei Frank
Schoeller tegen zijn chauffeur nadat hij was uitgestapt. ‘Ik ben zo
terug.’
De laatste paar dagen was het ’s ochtends nog redelijk fris.
Naarmate de dag vorderde werd het bloedheet. Het asfalt van Kings
Road had de hitte opgezogen. Frank voelde de warmte via zijn
broekspijpen naar binnen glijden.
Met een zakdoek streek hij over zijn gezicht. Voor het winkelraam van de antiekzaak stond hij stil en keek vol bewondering naar het dressoir in de etalage. Het was bekleed met roggehuid en het muisgrijze, licht gestippelde leer glansde. De ivoren handgrepen op de deuren en lades leken als nieuw. Hij belde aan. In de zoem duwde hij de deur open.
‘Meneer Schoeller, hoe gaat het met u?’ zei de man die op hem af kwam lopen.
‘Prima. En hier? Hoe gaan de zaken?’
‘Goed, kan niet beter. Waar kan ik u vandaag mee verblijden? Op zoek naar iets speciaals?’
‘Nee, niet echt, ik kom even rondneuzen.’
‘Ga uw gang, u weet me te vinden.’
Terwijl Frank langs de vitrines schuifelde bekeek hij elk object. Ivoren Matsuke, besneden in de vorm van aapjes, bloemen en krijgers. Minuscule klokjes, met verfijnde afbeeldingen op de emaillen wijzerplaten. In een enorme Chinese bloempot naast de tafel midden in de ruimte, zwommen goudvissen. Hij liep door naar achteren, waar de meubelen stonden. Daar snoof hij de geur van boenwas diep in. Plotseling stond de eigenaar naast hem.
‘Meneer Schoeller, ik heb iets wat misschien... ik bedoel... u komt toch uit Nederland?’
‘Dat klopt ja.’
‘Ik weet natuurlijk niet of u het iets vindt, maar het is Hollands, zeventiende-eeuws, dus misschien... Wacht, ik haal ze wel even.’
Hij hoorde geritsel uit de achterkamer.
‘Kijk,’ zei de eigenaar die naar hem toe liep met iets in zijn hand. Hij opende zijn vingers en vouwde het vloeipapier open.
‘Die heb ik laatst in Nederland op een veiling gekocht. Ze zijn subliem.’
‘Gesigneerd?’
‘Ja, loopt u maar even mee.’
Bij zijn bureau knipte hij de vergrootlamp aan en legde de gespen eronder. Frank boog zich voorover en keek door het vergrootglas. Ze waren prachtig in hun eenvoud, strak vormgegeven. Alleen de bovenkant van de gespen was versierd met een enkele tulp.
‘Hier zit het merk. Ziet u wel.’
De vinger van de antiquair verscheen uitvergroot. Zijn nagel raakte een haast onzichtbaar merkteken dat in de zijkant was gestanst.
‘Ik heb het uitgezocht. Ze zijn zeventiende-eeuws, exact kan ik het niet zeggen maar ik denk zo rond 1630, misschien iets later. Gemaakt door een zilversmid uit Alkmaar. Kent u die plaats?’
‘Jazeker. Een prachtige eeuwenoude stad, in het noorden van Nederland.’
‘Ah.’
‘Mag ik even?’
‘Natuurlijk, bekijkt u ze op uw gemak.’
Frank ging zitten. Hij pakte de gespen een voor een op en bekeek ze nauwkeurig onder het vergrootglas. Toen hij de tulpversiering op de gesp nog eens goed bekeek, zag hij dat er iets onder was geschreven. De letters waren zo klein, zo minuscuul, dat het woord zelfs onder het vergrootglas nauwelijks te lezen was.
‘Tulipa,’ zei hij zacht.
Terwijl hij met zijn vinger over het zilver gleed, stelde hij het zich voor. Eeuwen geleden had een rijke koopman deze gespen vol trots gedragen. Het zou hem niet door iedereen in dank zijn afgenomen. In die tijd liep je niet met je rijkdom te koop.
‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Bwah, stelletje calvinisten,’ mompelde hij terwijl hij opstond.
‘Die gespen, ik vind ze mooi, maar echt speciaal zijn ze niet. En hier, zie je, hier zit een buts. Maar ik ben een oude man en sentimenteel aan het worden. Maak er gebruik van. Wat is je beste prijs?’
*
Aan de keukentafel pakte Frank zijn glas op en goot het bodempje cognac achterover. Hij stak zijn hand in een met zilverpoets geïmpregneerde want en gleed ermee over de gesp. Bij de versiering zette hij wat extra kracht om de zwarte aanslag weg te poetsen. Plotseling voelde hij een beweging onder zijn hand. Hij legde hem neer, trok de want uit en keek verbaasd naar de geopende gesp. Hij pakte hem op en hield hem voor zijn neus. Zijn vingers pasten ternauwernood in de smalle opening. Toen hij zijn hand terugtrok klemde hij een sepiakleurig rolletje papier tussen zijn vingertoppen.