19
Het was halfeen en het restaurant zat bomvol. Mannen in pakken bezetten de tafels. Hun donkere kostuums zogen het schaarse licht op. De gedempte conversaties werden af en toe onderbroken door een schaterlach. Het was lunchtijd in de City, het zakendistrict van Londen.
Coetzer zat in de hoek van het restaurant. Zijn jasje hing over de rugleuning van zijn stoel. De krant, opengevouwen op het financiële nieuws, lag naast zijn lege bord. Hij viel niet op tussen de anderen. Uit ervaring wist hij dat het van levensbelang was zich altijd, waar hij ook was, met wie hij ook te maken had, tot in de kleinste details aan te passen aan de omgeving. Het maakte hem onzichtbaar.
Hij schoof zijn bord van zich af en vouwde de krant dicht. Op het moment dat de ober een espresso voor hem neerzette ging zijn telefoon. De ober schudde zijn hoofd, hield een vinger voor zijn lippen en wees naar het bordje aan de muur boven zijn hoofd. Er stond een mobiele telefoon op met een vette rode streep erdoor. Coetzer knikte. Hij nam op en liep naar buiten.
‘Ja?’
‘Met mij. Ik had eerlijk gezegd al eerder een telefoontje verwacht,’ zei de nasale stem. ‘Aangezien ik niets hoorde en nota bene uit de krant moest vernemen wat er met Schoeller is gebeurd en hoe je het hebt aangepakt, dacht ik dat je ’m gesmeerd was.’
‘Ik was net van plan contact op te nemen, om te overleggen wat...’
‘Ik neem aan dat je geen informatie voor me hebt, anders had je al gebeld. Vreemd. Ik dacht dat ik een professional had ingehuurd. Als ik hem simpelweg om het leven had willen brengen, had ik net zo goed iemand anders kunnen regelen. Je bent betaald voor je expertise in ondervragingstechnieken, niet om iemand, zonder de informatie los te krijgen waar ik om gevraagd heb, de hersens in te slaan. De helft van het bedrag heb je al, maar denk maar niet dat je...’
‘Wacht even,’ zei Coetzer. Hij liep een paar meter van de pui van het restaurant vandaan, buiten gehoorsafstand van de klanten die daar stonden te roken.
‘Ik had me er ook een iets andere voorstelling van gemaakt,’ zei hij op gedempte toon. ‘Hij zou mij nooit iets hebben verteld, wat ik ook had gedaan. Hij was taai. Ik hoef geen uren met iemand bezig te zijn om dat te weten.’
‘Dus heb je hem maar om het leven gebracht.’
‘Wat had je dan gewild?’
‘Dat hij je had verteld waar hij is, idioot. Waar hij hem verstopt heeft.’
Pas nu de man kwaad was bespeurde Coetzer een licht accent. De man gebruikte net zomin als hij zijn echte naam, maar om de een of andere reden was Coetzer er altijd van uitgegaan dat hij met een Engelsman te maken had. Even bleef het stil. Toen zei de man: ‘Je hebt gefaald.’
Coetzer slikte zijn woede in. Opgekropt kwam het hem altijd wel van pas en kon hij er net dat beetje extra lichaamskracht uit putten dat hij soms nodig had, als een adrenalineshot.
‘Sommigen laten nooit iets los,’ zei hij.
‘Hij was de spil. Alles draaide om Schoeller. Nu staan we met lege handen. Hoe denk je dit op te gaan lossen?’
‘Via zijn neef.’
‘Wat? Je bedoelt die vent die hem gevonden heeft? Dan heb je de krant niet goed gelezen. Hij heeft zijn oom pas gevonden toen die dood was. Die heeft door jouw briljante handelwijze echt niets meer tegen zijn neef kunnen zeggen.’
‘Dat bedoel ik niet. Het kan zijn dat hij iets voor zijn neef heeft achtergelaten. Hij was toch het enige familielid dat hij had? Zijn enige erfgenaam?’
Even bleef het stil. ‘Dat is een mogelijkheid.’
‘Ik ga het in elk geval uitzoeken.’
‘Zodat we straks met nog een lijk opgescheept zitten?’
‘Dat hangt ervan af wat voor opdracht je mij geeft.’
‘Even voor alle duidelijkheid. Je zult begrijpen dat je het afgesproken bedrag op je buik kunt schrijven. Dat je achter die neef aangaat zie ik als onderdeel van je eerste opdracht, dus denk maar niet dat ik je een nieuwe geef. Dat krijg je ervan als je je eigen plan trekt. Ga erachteraan en hou me op de hoogte. Ik verwacht dat je het deze keer slimmer aanpakt en dat je er verdomme achter komt waar Schoeller dat ding heeft gelaten. Kom niet met lege handen bij me aan, anders kun je fluiten naar de rest van het bedrag.’
Coetzer klapte zijn telefoon dicht. Nog even en hij had genoeg geld. Dan hoefde hij zich nooit meer door dit soort klootzakken te laten koeioneren en kon hij zich voor altijd terugtrekken op zijn boerderij in de buurt van Kaapstad. Met een glimlach liep hij het restaurant weer in.
*
Dawn stapte de kleine multimediaruimte binnen.
‘Jezus. Tim, wat heb je gegeten?’ Terwijl ze haar neus dichtkneep tegen de knoflookwalm die zwaar in de benauwde ruimte hing, greep ze naar de stoel die naast hem stond en schoof die zo ver mogelijk bij hem vandaan.
Geamuseerd keek hij opzij. ‘Overdrijf niet zo. Ik neem aan dat je tijdens je loopbaan wel ergere dingen hebt geroken. Je gaat me toch niet vertellen dat je aversie tegen een lichte knoflookgeur groter is dan de lucht die om een lijk heen hangt?’
‘Hangt ervan af wat ze hebben gegeten.’
Hij hield zijn hoofd scheef en keek haar aan. Zijn bril zat vol met vetvlekken. Op het moment dat Dawn zich afvroeg of hij wel iets kon zien, boog hij zich voorover en blies in haar gezicht. ‘Meen je dat nou?’
Ze trok haar neus op: ‘Heb je ze al bekeken?’
Schuin boven hen hingen twee monitoren waarop stilstaande beelden van de begrafenis van Schoeller te zien waren.
‘Nee, tenminste, ik ben er alleen even snel doorheen gegaan om te kijken of de opnames volledig zijn. Het staat er van begin tot eind op.’
‘Mooi zo. Laat maar lopen.’
Tim drukte een paar toetsen in. Op de ene monitor verschenen beelden van de hal van Zorgvlied. De ander liet de opnames zien die in de aula waren genomen.
‘Kun je even helemaal terug naar het begin, en heb je er geluid bij?’
‘Mens, wat ben je ongeduldig, je ziet toch dat ik ermee bezig ben?’
Hij raakte weer een paar knoppen aan en duwde een schuif omhoog. Het gemurmel van stemmen vulde de ruimte.
Hij wreef in zijn handen. ‘Goed, ik ben er klaar voor. Waar zijn we naar op zoek?’
‘Weet ik nog niet.’
‘Dat weet je nog niet.’
‘Nee, dat weet ik nog niet, nee. Laat nou maar gewoon lopen.’
De camera’s hadden de hele begrafenis geregistreerd, vanaf het moment van binnenkomst van de gasten tot aan hun vertrek na de condoleance. Na twee uur zagen ze de laatste gasten de deur uit lopen, even later gevolgd door Alec, Damian en Emma.
Tim stopte de film. ‘En?’ Hij legde zijn handen in zijn nek en leunde achterover. ‘Is je iets opgevallen?’
Dawn schudde haar hoofd. ‘Nee, helemaal niets. Iedereen lijkt zich normaal te gedragen.’
‘Wainwright denkt toch niet echt dat zijn moordenaar daar ergens rondhangt. Het is echt een fabel, dat moordenaars altijd teruggaan naar de plaats delict, of dat ze de begrafenis van hun slachtoffer bij willen wonen. Dat is aperte onzin. Hij heeft te veel politieseries gezien, hij kent het verschil niet meer tussen fictie en realiteit.’
Dawn keek op. ‘Vergeet niet dat hij aan de basis van veel van die series staat. Er gebeuren dingen in die hij precies zo heeft meegemaakt. Hij is hun inspiratiebron. Je moest eens weten hoeveel scriptschrijvers hier langs zijn geweest om met hem te praten.’
Tim haalde zijn schouders op. ‘Wil je de banden mee of moet ik ze archiveren?’
‘Kun je ze op een dvd branden? Dan neem ik ze mee. Ik wil er nog een keer op mijn gemak naar kijken.’
Alkmaar, 4 februari 1637
Een ijzige windvlaag sloeg de zware deur achter hen dicht. Het meisje dat had opengedaan, liep met snelle passen voor hen uit. Halverwege de hal bleef ze staan. ‘Als u hier even wacht, dan laat ik de weesmeester weten dat u er bent.’
Kleumend
stonden Lauris Bartelmiesz. en Philip de Klerck in de ijskoude hal
van het weeshuis. Zwijgend deden ze hun doorweekte hoeden af en
schudden ze uit. Smeltende sneeuw drupte van hun hoed-
randen en mantels op de vloer.
Lauris keek naar beneden, dipte even met de neus van zijn schoen in het plasje gesmolten sneeuw en zei op zachte toon: ‘Hoe zou het met ze zijn?’
Philip keek opzij en trok even zijn schouders op.
Lauris knikte en kneep hard in de rand van zijn hoed. Hij vond het vreselijk dat de kinderen van Wouter Winckel uiteindelijk toch hier terecht waren gekomen. Toen Wouter hem en Philip had verzocht het voogdijschap van de kinderen op zich te nemen, was dit absoluut niet hetgeen Wouter voor ogen had gehad. Helaas had het niet anders gekund.
Hij probeerde zijn schuldgevoel van zich af te schudden toen hij uit de verte haastige voetstappen dichterbij hoorde komen. De deur, waar het meisje eerder door verdwenen was, werd opengegooid en Adriaen Koorn, de weesmeester van het Alkmaarder Weeshuis, stapte de hal in.
‘Heren, u bent er reeds,’ zei hij, terwijl hij naar hen toe liep. Hij was klein, en zijn dunne benen staken als stokjes uit zijn bolvormige lichaam. Zijn onderkaak stond ver naar voren, waardoor de kleine gele ondertanden over zijn voortanden vielen. Hij had een ongezonde gelaatskleur en zijn bolle ogen schoten van links naar rechts.
‘Wees welkom.’
De hand die ze kregen was slap en vochtig. Lauris veegde zijn hand af aan zijn jas en deed instinctief een pas naar achteren.
‘Volgt u mij?’ Met een halve draai op zijn kleine voeten liep Adriaen naar de achterkamer en deed de deur open.
De geur van turf hing zwaar in de ruimte. Aan de tafel midden in de sober ingerichte kamer zat Willem, de oudste zoon van Wouter. Zodra hij hen zag verscheen er een glimlach op zijn sombere gezicht. Hij stond op.
‘Oom Lauris, oom Philip, wat goed u te zien!’ Hij liep naar hen toe. Ze omhelsden elkaar.
‘Dag jongen, hoe is het met je? En met de anderen? Is iedereen wel?’ vroeg Lauris en hij keek hem recht in de ogen. Het was koud geweest en de gezondheid van de wezen liet vaak te wensen over.
‘Het is goed met iedereen,’ zei Willem.
‘Uiteraard is het met iedereen goed.’ Adriaen was naast Willem gaan staan en sloeg hem op zijn schouder. ‘Wij zorgen zeer goed voor onze kinderen, dat weet u toch? En na morgen kunnen we nog beter voor ze zorgen.’
De weesmeester wreef in zijn handen. De uitdrukking op zijn gezicht was zo zelfgenoegzaam dat Lauris en Philip elkaar veelbetekenend aankeken. Zij begrepen maar al te goed dat deze veiling de weesmeester de kans bood een grote som geld te incasseren. Het weeshuis moest zijn eigen broek ophouden en was volkomen afhankelijk van giften van particulieren.
De manier waarop de weesmeester reageerde getuigde van weinig fijngevoeligheid. Niet in de laatste plaats omdat Willem erbij stond, want het ging uiteindelijk om de erfenis van zijn vader, Wouter Winckel. Lauris geneerde zich.
‘Kom,’ zei Adriaen, ‘gaat u zitten, dan kunnen we beginnen.’
Ze liepen naar de tafel en schoven aan.
‘Willem heeft mij verzocht u uit te leggen hoe de veiling in zijn werk gaat. Ik begreep van hem dat u er geen ervaring mee hebt. Hij wil dit graag uitgelegd hebben zodat u, in zijn woorden, erop kunt toezien dat alles volgens de regels verloopt. Uiteraard kunt u ervan op aan dat ik daar zeer goed op zal letten, maar u bent de voogden en in die hoedanigheid uiteindelijk verantwoordelijk voor het welzijn van de kinderen.’
Geërgerd door de arrogante houding van de man en zich bewust van zijn eigen schuldgevoel, zei Lauris: ‘Zo is het, wij zijn verantwoordelijk en bovendien hebben wij de heer Winckel een belofte gedaan die wij zullen nakomen.’
Philip en hij hadden zich na de dood van Wouter door de weesmeester laten overhalen de kinderen niet in huis te nemen. Zeven kinderen. Het waren er echt te veel. Philip had de meisjes wel willen nemen en hij de jongens. Maar de weesmeester had benadrukt dat het beter zou zijn als de kinderen bij elkaar in het weeshuis bleven. ‘Ze hebben slechts elkander nog,’ had de man gezegd. Na een paar maanden besloten Philip en hij de kinderen toch uit het weeshuis te halen. Nadat de weesmeester hun had verteld dat de veiling in februari zou gaan plaatsvinden, wat betekende dat de kinderen binnen afzienbare tijd in hun eigen onderhoud zouden kunnen voorzien, zagen ze ervan af. In de tussentijd waren er zeven maanden verstreken.
‘Belofte?’ vroeg Adriaen. Lauris zag dat het linkerooglid van de weesmeester begon te trillen. Zijn puntige adamsappel bewoog onrustig op en neer.
‘Ja,’ antwoordde Lauris, ‘de belofte erop toe te zien dat het zijn kinderen aan niets zou ontbreken als de heer Winckel kwam te overlijden, en dat zijn nalatenschap op een eerlijke en rechtvaardige manier zou worden verdeeld.’
‘Ah, die belofte doelt u op.’ Lauris zag een flikkering van woede in de bolle ogen.
‘Wel, dan kunt u beiden gerust zijn. Oprechtheid en rechtvaardigheid staan bij mij hoog in het vaandel; iedere persoon die mij kent zal dit beamen. Ik zal het u allemaal verklaren, zodat u met een gerust hart huiswaarts kunt keren.’
De cynische ondertoon ontging Lauris niet. Hij deed zijn mond open om iets te zeggen maar voelde een lichte duw tegen zijn arm. Hij keek naar Philip die haast onmerkbaar met zijn hoofd schudde en zei: ‘Als u dat zou willen doen, heel graag.’
Een uur later liepen Philip en Lauris de weeshuispoort uit. In de luwte van de westelijke gevel van de Grote Kerk sloegen ze hun vochtige mantels stevig om zich heen en zetten hun hoeden op.
‘En? Wat zijn je gedachten?’ vroeg Philip.
‘Ik vertrouw hem niet. We moeten bij de veiling aanwezig zijn en strikt bijhouden hoeveel er wordt geboden en op welk kavel. Zoals de weesmeester al zei, de erfenis van Wouter is nu van het weeshuis. Pas als het geld binnen is, ontvangen zijn kinderen hun bedrag.’
‘Hoeveel gaat er naar het weeshuis, zei hij?’
‘Een tiende deel.’
‘Dus hoe meer er wordt opgehaald, hoe meer er naar het weeshuis gaat,’ zei Philip.
‘Daarom zullen ze alles op alles zetten om ervoor te zorgen dat de veiling voorspoedig verloopt. Dat is tevens in het voordeel van de kinderen. Aangezien de weesmeester de stapels florijnen al binnen ziet stromen, zal hij iedere geïnteresseerde op de hoogte stellen van de veiling.’
‘Dus het pakt uiteindelijk voor eenieder gunstig uit?’
Lauris knikte, maar zijn gezicht stond bedachtzaam.‘We moeten alert zijn, Philip. Het is niet voor niets dat Willem ons heeft gevraagd met de weesmeester te spreken. Als Willem hem niet vertrouwt, vertrouw ik hem ook niet.’
Ze liepen de hoek om. De kerk had hen uit de wind gehouden. Nu sloeg die hen hard in het gezicht. De sneeuw prikte als bijensteken op hun huid.
Terwijl Lauris en Philip zich vooroverbogen om de wind te trotseren en de Gasthuisstraat in liepen, spoedde Adriaen Koorn zich door de lange kale gangen naar de noordzijde van het weeshuis. Voor de deur van zijn kamer stond hij stil en hief zijn vuist op. Toen bedacht hij zich en deed zonder te kloppen de deur open.
De bezoeker stond op precies dezelfde plek als waar hij hem een uur geleden had achtergelaten; naast de schouw met de rug naar hem toegekeerd. Hij had zijn mantel niet uitgetrokken. Ook de kap zat nog op zijn hoofd. Langzaam draaide de man zich om.
Onbewust wreef Adriaen zich over zijn bovenarmen. Toen hij het vertrek had verlaten voor zijn bespreking met de voogden, was de kamer warm geweest, met een oplaaiend vuur in de haard. Het vuur stond nog steeds hoog, maar toch was het kil in de ruimte. Het leek alsof zijn gast alle warmte naar zich toetrok.
‘Excuses, ik wist niet dat het zo lang zou duren. Als ik van tevoren had geweten dat u nu zou komen, dan had ik...’
‘Is alles in gereedheid gebracht?’ De stem die onder de kap vandaan kwam klonk zacht en hees.
‘Ja, wat mij betreft is alles klaar voor wat er komen gaat.’
De man stak zijn hand in de plooien van zijn mantel. Toen hij zijn hand terugtrok hield hij een boek vast. Adriaen liep naar hem toe en pakte het aan.
‘Is dit het?’
‘Ja.’
‘De omschrijvingen waren afdoende?’ vroeg Adriaen en staarde naar het boek. Plotseling keek hij vertwijfeld op. De kille ogen van zijn gast lieten hem geen moment los. Ze klauwden zich door zijn hersenen, de blik was zo intens dat het bijna pijn deed. Hij sloeg zijn ogen neer.
‘U twijfelt?’
‘Neen, neen, zeker niet.’ Adriaen hoorde dat zijn stem oversloeg.
‘U twijfelt.’
De man rukte het boek uit zijn handen en bladerde er met zijn lange knokige vingers doorheen. Om de zoveel bladzijden bracht hij zijn wijsvinger naar zijn mond, likte aan zijn vingertop en sloeg weer een bladzijde om. Minachtend keek hij naar de felgekleurde aquarellen. Toen sloeg hij het boek dicht en gaf het terug.
‘Dus deze afbeeldingen moeten het aanwakkeren?’
Adriaen knikte.
‘Hebzucht en domheid gaan goed samen.’ De man richtte zijn hoofd iets op, keek Adriaen aan en zei: ‘Van mijn kant is alles gedaan wat is afgesproken. Het is druk in de stad. De herbergen zijn allemaal bezet, dus de brieven en pamfletten hebben effect gesorteerd.’
Vol verbazing had Adriaen aanschouwd dat de handelaren waren toegestroomd. Hij wist dat het animo groot zou zijn, maar dat ze met honderdtallen voor deze veiling naar Alkmaar zouden afreizen, in deze weersomstandigheden, dat had hij niet verwacht. Er was in heel de stad geen leeg bed meer te vinden. Sommige burgers hadden zelfs hun eigen slaapplaats voor veel geld afgestaan.
‘Ik zie u morgenochtend in De Nieuwe Schuttersdoelen,’ zei de man. Hij trok zijn kap verder over zijn hoofd en liep met grote passen de kamer uit.
De ruimte vulde zich meteen met licht en warmte. Met een zucht liep Adriaen naar de stoel naast de haard en ging zitten. Hij staarde naar het boek op zijn schoot. De vlammen schenen op het bladgoud waar de bestempeling mee was aangebracht. De schittering weerkaatste in zijn ogen. Hij strekte zijn hand uit en wreef glimlachend over het zachte rode leer.