52
Ze schrok op van het schelle geluid van de deurbel die door het lege huis galmde. Tara liep naar de voorkamer en keek voorzichtig uit het raam.
De man die voor de deur stond was zo klein dat ze even dacht dat het een kind was. De zwarte jas kwam tot zijn enkels. Hij droeg glimmende zwarte schoenen, en een gebreide rode sjaal die onder zijn rechtopstaande kraag gewikkeld zat. Het koffertje dat hij bij zich droeg had betere tijden gekend. Toen ze zag dat hij zijn vinger naar de bel uitstak besloot ze dat hij er ongevaarlijk genoeg uitzag om het risico te nemen. Ze liep naar de voordeur en deed open.
Een moment lichtten zijn ogen verbaasd op.
‘Goedendag mevrouw,’ Hij stak zijn hand uit. ‘Wolters is de naam. Ik ben op zoek naar de heer Vanlint.’
‘Die is niet aanwezig. Wolters zei u?’
‘Ja.’
‘Ik ben Tara, de vriendin van Alec Schoeller. U bent toch van het veilinghuis?’
Langzaam bewoog hij zijn hoofd op en neer.
‘Komt u binnen, ik weet er alles van.’
‘Ik, eh, hebt u enig idee hoe laat de heer Vanlint terug is? Ik had natuurlijk even van tevoren moeten bellen, maar ik moest hier toch in de buurt zijn. Vandaar.’
‘Het duurt nog wel even voordat hij er weer is, maar komt u gerust verder, ik neem aan dat u iets te vertellen hebt over het geschrift dat in het tulpenboek verborgen zat?’
Hij keek opgelucht. ‘Inderdaad, daar gaat het over.’
‘Tulipa, dat was het codewoord toch?’
Hij knikte.
‘Loopt u mee?’
Terwijl hij achter haar liep keek ze even om.
‘Koffie?’
‘Heel graag.’
Wolters trok zijn jas uit en ging aan de keukentafel zitten. De mok die Tara even later voor hem neerzette pakte hij met twee handen beet en hij nam een grote slok. Toen ze tegenover hem was gaan zitten zei hij: ‘Jullie hadden gelijk. Het codewoord is inderdaad Tulipa.’
‘Dat dachten wij al. Het kon haast niet anders.’
‘Excuses dat ik mijn nieuwsgierigheid niet kan bedwingen, maar hoe bent u daar achter gekomen?’
‘U hebt het dus kunnen ontcijferen?’ vroeg Tara.
Wolters stak zijn hand in zijn binnenzak en haalde er een stuk papier uit.
‘Zal ik het voorlezen?’
‘Heel graag.’
Even keek hij haar bedachtzaam aan. ‘U geeft dit straks aan de heer Vanlint?’
‘Zodra hij hier binnenstapt druk ik het in zijn handen, daar kunt u zeker van zijn.’
Hij vouwde het briefje open. ‘Goed, dit is wat wij hebben kunnen ontcijferen.’
Haar Goddelijke schoonheid
Is slechts voor een enkeling draaglijk
Verborgen zal zij blijven
In dit zielenhuis van zilver
Tot ze tot leven wordt gewekt
De Semper Augustus
Hij keek op. ‘Zegt dit u iets?’
Tara probeerde haar gezicht in de plooi te houden. Haar hart klopte zo hard, dat ze bang was dat Wolters het kon horen. Ze was blij dat ze naar haar intuïtie had geluisterd, dat ze goed had aangevoeld dat ze bij Alec in de buurt moest blijven om te weten waar de bol verstopt zat. Maar ze was er nog niet. Nog lang niet.
‘We schieten er in zoverre iets mee op dat
we nu weten wat er staat en dat het geen abracadabra meer is. Heel
erg bedankt.
Damian en Alec zullen hier blij mee zijn.’
Ze schoof haar stoel naar achteren en stond op.
Wolters keek haar aan. ‘De Semper Augustus, dat is toch een tulpensoort?’
‘Nogmaals bedankt, meneer Wolters. Zodra ze thuis zijn laat ik het aan ze zien,’ zei ze ontwijkend. Ze stak haar hand uit om het briefje in ontvangst te nemen.
‘Wat wil je ons laten zien?’
Ze draaide zich verschrikt om naar Alec en Emma die in de deuropening stonden. Ze vermande zich en zei: ‘Meneer Wolters was zo vriendelijk even langs te komen om te vertellen wat ze hebben ontdekt. Hier staat het.’
Alec knikte naar Wolters. Terwijl hij haar aan bleef kijken nam hij het briefje van hem aan.
‘Meneer Schoeller.’ Wolters stond op en graaide met een onrustig gebaar naar zijn jas. ‘Ik ga er maar weer vandoor. Ik hoop dat u het niet erg vindt dat ik uw vriendin heb verteld wat er staat.’
Alec keek naar Tara en opende zijn mond om iets te zeggen maar sloot hem weer toen hij de blik in haar ogen zag. ‘Helemaal niet,’ zei hij tegen Wolters. ‘Ik laat u wel even uit.’
Toen hij terugkwam liep hij recht op Tara af. Ze deinsde achteruit en kwam met een smak op de stoel terecht die achter haar stond.
‘Wat probeer je ons te flikken? Hoezo mijn vriendin? Waar ben je op uit?’
‘Snap je dat dan niet? Het gaat om de Semper Augustus. De bol is verstopt in iets van zilver,’ zei Tara. Haar ogen stonden wijd open, en ze had een ongezonde blos op haar wangen.
‘Ga je me verdomme nog antwoord geven? Je kende Frank veel beter dan je ons hebt doen geloven. Je kende hem zelfs heel erg goed. Hier, lees maar.’
Hij trok het e-mailbericht uit zijn broekzak en smeet het in haar gezicht. Het viel op haar schoot. Ze frummelde het open. Een moment later keek ze onbewogen op.
‘Nu weten jullie meteen hoe dichtbij we waren, nu begrijpen jullie waarom het zo belangrijk is. Heeft Frank zilver in huis, of in een kluis ergens?’
‘Hou alsjeblieft op met dat gezeik over zilver. Ik wil dat je me nu uitlegt hoe het zit, wat jij hier allemaal mee te maken hebt.’
Ze haalde haar schouders op en bleef zwijgend voor zich uitkijken.
Alec hurkte voor haar neer en legde zijn handen op haar knieën. ‘Oké, ik wil wel een deal met je sluiten. Jij vertelt mij alles over jouw betrokkenheid en alles wat je weet. Daarna vertel ik jou over de zilvercollectie van Frank. Goed?’
Haar ogen lichtten op. ‘Dus die heeft hij? Zitten er ook stukken uit de zeventiende eeuw bij dat je weet?’
Alec vouwde zijn armen over elkaar en keek haar zwijgend aan.
‘Oké, goed dan. De Semper Augustus. Ooit van gehoord?’
‘Ja, vandaag nog. De meest waardevolle tulp op aarde,’ zei Emma. ‘Het is de vraag of die ooit echt heeft bestaan.’
‘Hij bestaat wel degelijk. Jullie moeten weten dat Frank mij opdracht heeft gegeven alle voorbereidingen te treffen om de Semper Augustus te ontwikkelen.’
‘Ontwikkelen? Je bedoelt kweken?’
‘Nee, Em, ik weet precies wat ze bedoelt,’ zei Alec. ‘Ze ging haar klonen.’
‘Klonen?’ zei Emma verbaasd. ‘Dat kan toch niet? Dat kan toch alleen met levende cellen?’
Glimlachend keek Tara haar aan. ‘Ik kan het dus wel. Ik kan er een exacte genetische kopie van maken. Toen Frank bij mij kwam met de vraag of ik het wilde proberen, heeft hij mij geld gegeven om alle mogelijkheden op dat gebied te kunnen onderzoeken. Dat is me gelukt.’
‘En die bol zit verstopt in een zielenhuis van zilver,’ zei Emma.
‘Vandaar mijn vraag over zijn zilvercollectie. Kun je daar misschien dan nu antwoord op geven?’
‘Straks,’ zei Alec. ‘Ik ben nog niet klaar. Waarom wilde Frank die tulp klonen?’
‘Om er geld mee te verdienen.’
‘Dat had hij meer dan voldoende.’
‘Maar niet genoeg. Je kunt er tientallen miljoenen mee verdienen. Door jarenlang kweken hebben ze het voor elkaar gekregen dat je nu voor een paar euro tulpen kunt kopen met een gevlamde tekening op hun blaadjes, tulpen die sprekend op de Semper lijken. Maar die hebben niets met de echte Semper Augustus te maken. Ze zijn nep, nagemaakt. Wat als de echte Semper op de markt zou komen? Een tulp met zo’n bloemrijke geschiedenis. In de zeventiende eeuw was er bijna niemand die hem in het echt had gezien. Met het klonen kunnen we dit voor elkaar krijgen. Geen slap aftreksel van de Semper, maar een directe nazaat. Een echte Semper Augustus.’
Emma keek haar aan. ‘Wat zat er voor jou in?’
‘Respect. Waardering. Maar vooral aanzien. Misschien zelfs een prestigieuze prijs. Eindelijk zou ik naam maken. Jullie moesten eens weten hoe mijn wereld in elkaar zit. Niemand is te vertrouwen, ideeën en onderzoeksresultaten worden gejat. En je wordt met de grond gelijkgemaakt als je niet kunt bewijzen waar je toe in staat bent.’ Haar stem brak. ‘Ik had alles uitgezocht, alles op papier staan, proeven gedaan, uitkomsten geanalyseerd. Het was allemaal klaar, alleen de bol had ik niet,’ vervolgde ze op zachte toon. ‘Die had Frank. Toen ging hij dood. Hij was de enige die wist waar de bol was. Hij had mij verteld dat hij hem ergens verstopt had, op een plek waar niemand hem zou vinden. Dus toen ik jou zag, toen jij bij Simon het pad op kwam lopen, bedacht ik me dat jij mij, zonder dat je er het fijne van wist, naar de Semper Augustus kon leiden.’
‘Dat heb je dan goed ingeschat,’ zei Alec.
‘Ja,’ antwoordde ze bedachtzaam.
‘Wie zit er achter je aan?’
Vragend keek ze op.
‘Achter mij aan? O, dat bedoel je. Voor zover ik weet niemand.’
‘Niemand?’ Alec vloekte. ‘Door wie zijn we dan achtervolgd toen we je ophaalden?’
‘Wie zegt dat we achtervolgd zijn?’ Ze trok haar schouders op. ‘Als ik niet had gedaan alsof, had Damian mij niet gevraagd bij jullie te blijven.’
*
In gedachten verzonken liep Dick de trap af. De wind perste zich door de ondergrondse doorgangen van het metrostation, en duwde hem het verlaten perron op. Een verdwaald boomblad knisperde onder zijn voeten. Een plastic tasje zweefde sierlijk voorbij.
Hij keek op zijn horloge en staarde voor zich uit naar de smerige zwarte muur aan de overkant. De handgreep van zijn tas plakte aan zijn handen. De tape waarmee hij het kapotte hengsel had gemaakt was losgeraakt. Hij zette zijn tas tussen zijn benen en krabde aan de lijmresten die op zijn handpalm waren achtergebleven.
Hij hoorde iemand het perron op lopen. Vlak achter hem hielden de voetstappen stil. Plotseling werd zijn tas tussen zijn benen weggeschopt. Met open mond volgde hij de boog van zijn tas die, zodra hij de rails raakte, opensprong. A4’tjes fladderden boven de sporen en werden de tunnel ingezogen.
‘Wat...’
Verbijsterd draaide hij zich om. Een hand werd plat op zijn gezicht gelegd. Het geluid van een metro, die geen vaart minderde, kwam steeds dichterbij. Het laatste wat hij hoorde was een ijselijke kreet. Het laatste wat hij zich afvroeg was of die kreet van hem was.