12

Nadat Alec had verteld hoe hij Frank had gevonden en hoe zwaar hij toegetakeld was, keken ze stil voor zich uit.

‘Wat moet hij veel pijn hebben gehad,’ doorbrak Emma de stilte. ‘Hoe heeft hij het vol kunnen houden?’

Alec keek op. ‘Dat weten we dus niet, of hij het wel heeft volgehouden. Misschien trok hij het niet meer en heeft hij uiteindelijk toch iets gezegd. De vraag is alleen wat?’

Hij stond op en gooide een houtblok op het vuur. Met de pook begon hij in het vuur te prikken. ‘Een paar weken geleden zijn we nog uit eten geweest. Ik merkte dat hij zich ergens zorgen over maakte, ik heb zelfs nog gevraagd of er iets was, maar hij zei van niet.’ Hij keek Damian aan. ‘Heeft hij tegen jou soms iets gezegd?’

Die schudde zijn hoofd. ‘Ik vraag me af welke gore lafbek een oude man zoiets kan aandoen. Waarom heb je ons niet meteen gebeld? Dan hadden we...’

‘Nee, ik wilde erover nadenken om alles eerst op een rij te krijgen.’ Hij ging zitten. ‘De politie en de ambulance waren er bin-
nen een paar minuten. Ze zijn nog met hem bezig geweest, maar het was te laat.’ Hij zuchtte diep. ‘Het hele circus kwam op gang. Een paar uur later hebben ze hem weggehaald. Wainwright, die van Scotland Yard, kwam op een gegeven moment binnen en begon me allerlei vragen te stellen. Of ik iets had gezien of gehoord, of ik een vermoeden had wie dit had gedaan en waarom. Ik werd er gek van, want hij bleef maar doorgaan. Rond een uur of acht kwam Tibbens, ook hij werd onderworpen aan een kruisverhoor.’

‘Wat heb je ze verteld?’ vroeg Damian.

‘Alles wat ik wist, vrij weinig dus.’

‘Op de begraafplaats vertelde je dat hij je iets had gegeven?’

Alec stond op. Hij pakte zijn weekendtas die naast de stoel stond en zette hem op de keukentafel.

‘Hij hield iets vast. Zou jij daar eens naar willen kijken?’ Hij ritste de tas open. ‘Ik moest het van Frank weghalen en mocht het niet aan de politie laten zien. Ik heb het in mijn auto gelegd. Wat Frank ermee wilde zeggen weet ik niet. Ik kan er echt geen wijs uit worden.’

Damian vouwde het krantenpapier open.

De boekbinder had er al zijn creativiteit op losgelaten. Op elke hoek van de boekband waren twee bladeren in het rode marokijnleer gedrukt en met bladgoud opgevuld. De stelen van de blaadjes raakten elkaar in het midden. Over de lengte en breedte van de band was een lichte, iets naar binnen krommende lijn uitgesneden, onderbroken door een gouden motief van kleine krullen. In het midden was met goudstempeling een bloemenkrans aangebracht. De lijnen, bogen, bloemen en guirlandes vormden een prachtige vergulde lijst op het zachte geitenleer.

‘O mijn god,’ zei Emma toen ze het bloed op de boekband zag en ze sloeg een hand voor haar mond.

‘Hij hield het zo strak tegen zich aan geklemd dat ik het uit zijn handen moest trekken,’ zei Alec moeizaam.

Damian beet op zijn lip. Hij staarde naar het omslag. Toen Emma haar hand ernaar uitstrekte, greep hij haar bij haar pols. ‘Nee, wacht even, niet aanraken, ik ben zo terug.’

Onderweg naar zijn werkkamer voelde Damian zijn hart tekeergaan. Hij wist dat het niet alleen kwam doordat hij was geschrokken van Franks bloed op de boekband, het had ook met zijn opwinding over het boek te maken. Hij wist dat het heel speciaal moest zijn. Frank had een feilloze smaak en was degene die hem de liefde voor antiek had bijgebracht toen hij, tijdens de veelvuldige logeerpartijen, Alec en hem in het holst van de nacht over de antiekmarkten van Londen had gejaagd. Hij had ze ieder een zaklamp in de handen geduwd en de jacht kon beginnen. Frank had meteen gemerkt dat Damian er een neus voor had, dat hij vaak net de mooie spullen tussen de troep uit wist te vissen. Ook in onderhandelen was Damian sterk geweest. Alec had er altijd wat nukkig en quasi-geïnteresseerd met een walkman op zijn hoofd achteraan gesukkeld.

Als hij Frank niet had gekend was hij nooit in de antiekhandel terechtgekomen, en had hij nu niet twee goedlopende antiekzaken gehad. Boeken waren niet zijn specialisme, maar hij wist er wel wat van. Genoeg in elk geval om meteen te zien dat dit boek een paar honderd jaar oud was.

Hij liep naar zijn bureau, en trok de la open. Met een paar witte katoenen handschoenen en een wigvormige boekensteun liep hij terug naar de keuken. Alec en Emma stonden over het boek gebogen.

‘Het zuur op onze vingers kan het beschadigen,’ zei hij terwijl hij de handschoenen aantrok. Behoedzaam pakte hij het boek op.

‘Denk je niet dat het sowieso al beschadigd is,’ liet Alec weten terwijl hij naar het bloed op het omslag wees.

Damian reageerde niet en hield het boek losjes tussen zijn handen om de openingscurve te bepalen. Het boek viel open. Toen hij de afbeelding zag wist hij direct waar hij mee te maken had. Voorzichtig liet hij het op de steun zakken die hij tot de juiste maat had uitgevouwen. Hij sloeg het boek weer dicht. Met de rechterbovenhoek tussen zijn vingers tilde hij de boekband op. Het kraakte licht en de eerste pagina zat eraan vastgekleefd. Voorzichtig pakte hij een hoek van het papier beet en begon het langzaam los te trekken. Met een vloek schoot Alec naar voren, greep het boek van de steun en trok met een ruk de bladzijde los die bijna doormidden scheurde.

‘Jezus, wat doe je?’ zei Damian. ‘Hou je een keer in.’

‘Hou je een keer in? Wat interesseert mij dat boek nou? Denk je werkelijk dat ik daarmee bezig ben, met wat de waarde van dat boek is? Hier,’ zei hij terwijl hij met een vinger op de pagina tikte. ‘Hier heb je het. Dit is waar Frank naar wees, waar het volgens mij om gaat.’

Ze staarden naar de met bloed bevlekte bladzijde.

Alkmaar, 21 juli 1636

Op een teken van Cornelius schoot Jacobus naar voren, greep Wouter bij zijn sik en trok hem zo ver over de tafel dat hun neuzen elkaar bijna raakten.

‘Je hebt het gehoord Winckel. Wij weten wat je op je lever hebt. Godslasterlijke lieden zoals jij verdienen niet beter dan wat er met jou staat te gebeuren.’

Wouter greep de hoeken van de tafel beet en probeerde zich los te trekken. Zijn kin leek in brand te staan. Hij kermde. Zijn ogen gleden in de richting van Cornelius, die met een geschokte uitdrukking op zijn gezicht naast de tafel stond, maar geen aanstalten maakte hem te hulp te schieten.

‘Cornelius.’ Wouter hoorde zichzelf spreken, als een dove, nauwelijks verstaanbaar doordat zijn mond opengetrokken werd. ‘Aaargh... help me...’

De lippen van Cornelius krulden op. ‘Excuseer me, Wouter, ik versta geen woord van wat je zegt.’

Wouter keek naar Jacobus, wiens gezicht vertrokken was door de kracht waarmee hij de sik van Wouter met twee handen vasthield. Plotseling liet hij hem met één hand los, greep naar Wouters arm en trok hem met een ferme ruk naar zich toe. Met een klap kwam Wouter plat op de tafel te liggen. Op het moment dat hij met zijn vrije hand Jacobus beet wilde pakken liet die zijn sik los, en greep de andere arm van Wouter beet. Toen duwde hij Wouters polsen tegen elkaar aan en bond ze met een touw dat Cornelius hem aanreikte vast.

Wouter probeerde zich tegen de gladde vloer af te zetten. Toen zijn voeten even van de grond loskwamen, trok Jacobus hem verder over de tafel naar zich toe. Hij wikkelde het touw om de tafelpoot, liep naar de andere kant van de tafel en trok Wouters benen van elkaar. Om elke enkel wond hij een touw dat hij aan de tafelpoten vastmaakte.

Terwijl hij tegenstribbelde, voelde Wouter de touwen in zijn polsen en enkels snijden. Plotseling werd zijn hoofd met twee handen beetgepakt en met zoveel kracht opzij geduwd, dat hij een moment dacht dat dit het was, dat zijn laatste uur had geslagen, dat zijn nek werd omgedraaid. De hand van Jacobus drukte hard tegen de zijkant van zijn gezicht. Uit zijn ooghoek zag Wouter iets bewegen. Voor hij het wist gleden druppels bloedheet kaarsvet in zijn oor. Hij kneep zijn ogen dicht, sperde zijn mond open om het uit te schreeuwen. Voordat hij geluid had kunnen maken werd een doek in zijn mond geduwd, zo diep dat hij de stof achterin in zijn keel voelde. Een pathetisch gepiep kwam uit zijn keel. Hij probeerde te ontspannen, rustig door zijn neus te ademen, maar hij raakte in paniek. Zijn longen barstten haast uit zijn lijf.

Het krankzinnige gegiechel kwam van dichtbij maar klonk ver weg. Hij voelde de lippen van Jacobus op zijn oorschelp drukken.‘Wie niet horen wil, moet voelen.’

Weer werd zijn hoofd beetgepakt en woest omgedraaid. Het kaarsvet dat in zijn andere oor werd gegoten dempte elk geluid. Het ruisen van zijn bloed en het gebonk van zijn hart vulde zijn hoofd. Hij zag dat Cornelius hem met een haast verwonderde blik aankeek. Wouter hoorde het verstomde geluid dat hij voortbracht en probeerde alles wat hij wilde zeggen in zijn ogen te leggen. Langzaam schudde Cornelius zijn hoofd en keek naar Jacobus. Wouter zag zijn lippen bewegen. Hij rukte aan de koorden die zich nog strakker om zijn polsen en enkels spanden.

Jacobus greep de haren van Wouter beet, wikkelde ze om zijn hand en duwde zijn hoofd op het tafelblad. Hij hief de kandelaar hoog boven zijn hoofd en liet hem met een krachtige zwaai neerkomen.

Het tulpenvirus
titlepage.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_0.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_1.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_2.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_3.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_4.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_5.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_6.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_7.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_8.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_9.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_10.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_11.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_12.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_13.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_14.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_15.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_16.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_17.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_18.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_19.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_20.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_21.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_22.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_23.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_24.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_25.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_26.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_27.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_28.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_29.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_30.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_31.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_32.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_33.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_34.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_35.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_36.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_37.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_38.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_39.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_40.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_41.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_42.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_43.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_44.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_45.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_46.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_47.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_48.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_49.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_50.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_51.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_52.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_53.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_54.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_55.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_56.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_57.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_58.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_59.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_60.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_61.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_62.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_63.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_64.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_65.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_66.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_67.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_68.xhtml