37

‘Ik heb het gevoel alsof we bij elke stap vooruit twee stappen terug doen,’ zei Alec terwijl Damian de auto startte en de parkeerplaats af draaide.

‘We zijn inderdaad nog niets opgeschoten. Mijn hoop is op Simon gevestigd. Heeft hij nog verteld waarom hij je wilde spreken?’

‘Nee, ik kon hem niet eens gedag zeggen, hij hing meteen op.’

‘Weet hij dat ik met je mee kom?’

‘Nee, dat merkt hij wel. Ik wilde het nog zeggen maar hij deed zo kortaf.’

‘Had je Simon op de begrafenis eigenlijk nog gesproken?’

‘Nee, hij zal mij wel gecondoleerd hebben, maar dat weet ik niet eens meer. Het ging allemaal nogal langs me heen. De laatste keer dat ik hem heb ontmoet, was zeker twaalf jaar geleden, als het niet meer is.’

‘Frank ging toch veel met hem om?’

‘Ja, maar ze spraken altijd in Nederland af.’

‘Of aan het Comomeer.’

‘Blijkbaar.’

Damian reed de snelweg op en ze sloten zich aan bij de lange rij auto’s die zich traag over de weg bewoog.

*

Vanuit de auto keken ze naar het statige pand. Het was witgepleisterd en deels overwoekerd door klimop. De planten hadden zich om de pilaren geslingerd die de voordeurluifel ondersteunden en vielen als lianen van het afdak naar beneden.

‘Ik denk dat hij niet thuis is,’ zei Damian terwijl hij naar de ramen tuurde aan weerszijden van de voordeur. Ze waren donker, net als die op de eerste verdieping.

‘Ja, vreemd. Waarom staat het hek dan open? Ik bel wel even aan.’

Alec stapte uit. ‘Als er niemand is laat ik een briefje achter. Ik kom je halen als er open wordt gedaan.’

‘Prima, ik ga daar even staan,’ zei Damian die naar een parkeerplaats een stuk verderop in de straat wees.

Alec liet het portier dichtvallen en liep over de oprijlaan naar de voordeur. Op het moment dat hij zijn vinger uitstak om op de bel te drukken ging de deur open. Voordat hij wist wat er gebeurde, schoot een hand naar voren en greep hem bij zijn mouw. Met een ruk werd hij het huis in getrokken.

Het was aardedonker in de hal. Hij zag geen hand voor ogen. Al zijn zintuigen stonden op scherp. Terwijl hij licht door zijn knieën boog strekte hij zijn armen uit, klaar om iemand af te weren. Plotseling voelde hij een hand op zijn arm. Razendsnel draaide hij zich om, greep de pols beet en kneep er hard in.

Hij hoorde een kreet van pijn. Geschrokken trok hij zijn hand terug. Hij stond zo dicht bij haar dat hij haar onregelmatige ademhaling op zijn gezicht voelde.

‘Ben je gevolgd, hebben ze je gezien?’ fluisterde ze.

‘Gevolgd?’ vroeg hij. ‘Gezien? Waar heb je het over? Ik kom hier voor...’

‘Ik weet voor wie je komt,’ zei ze. Er klonk een snik in haar stem en ze gaf een paar korte rukken aan zijn jas.

‘Heb je opgelet toen je hierheen reed, toen je aanbelde? Heb je goed om je heen gekeken?’

‘Natuurlijk niet. Waarom zou ik?’

‘Kom mee.’ Ze pakte hem weer bij zijn mouw en trok hem verder de hal in.

‘Wacht even, wat...?’

Ze draaide zich naar hem toe. ‘Je moet me helpen.’

Hij hoorde dat ze huilde. Nu zijn ogen aan het donker waren gewend kon hij haar ogen zien glanzen.

‘Kom mee naar boven, ik moet je iets laten zien.’

Hij greep haar bij haar schouders. ‘Stop, wacht even, wat is er aan de hand? Wie ben jij? Ik ben trouwens niet alleen gekomen, ik heb een vriend meegenomen. Die...’

Ze verstarde. ‘Wat?’

‘Hij zit in de auto, hier vlakbij.’

‘Weet hij ervan?’

‘Ervan? Waarvan? Ik heb geen flauw idee waar je het over hebt.’

‘Straks, oké? Kom mee, alsjeblieft, er is geen tijd te verliezen. Ik moet je iets laten zien, dan zul je het wel begrijpen.’

‘Nee, ik verzet geen stap voordat je me hebt verteld wie je bent.’

Ze zuchtte. ‘Ik ben Tara, de stiefdochter van Simon, weet je nog? Kom je nu mee of niet?’

Verrek ja, zo heette ze, dacht Alec.

Ze snelde de trap op en hij liep achter haar aan. Halverwege stond ze stil en draaide zich naar hem toe. Ze torende boven hem uit.

‘Ik logeer hier. Vanmiddag was ik even weg, maar een paar uurtjes. Simon ging tussen de middag altijd even slapen, dus toen ik niets hoorde toen ik thuiskwam, dacht ik dat hij nog sliep. Maar om vijf uur ben ik naar boven gegaan om hem wakker te maken.’

‘Je moet niet schrikken,’ zei ze zacht. ‘Ik ben zo blij dat jij het bent. Toen je aanbelde dacht ik even... Ik weet gewoon niet wat ik moet doen. Je moet me helpen.’

Ze greep hem bij de kraag van zijn jas en trok hem naar zich toe. Door de onverwachte beweging gleed zijn voet van de trede. Hij kon zich nog net aan de trapleuning vastgrijpen.

‘Tara, pas op.’

Ze pakte zijn gezicht met twee handen beet, trok het naar zich toe en legde haar lippen tegen zijn oor: ‘Misschien is dit je kans, Alec, de kans om voor het eerst in je mooie leventje, je met iets zinvols bezig te houden.’

Voordat hij kon reageren liet ze hem los, zo plotseling dat hij weer bijna achteroverviel. Vloekend greep hij zich vast aan de leuning terwijl zij zich omdraaide en de trap opliep.

Op de overloop bleef ze voor een van de dichte deuren staan. Toen hij vlak achter haar stond duwde ze de klink naar beneden. Ze liep de kamer in en stond zo plotseling stil dat hij bijna tegen haar aanbotste.

De gordijnen waren dichtgetrokken. Er hing een vreemde lucht in de kamer. Het was een geur die Alec niet kon thuisbrengen. Hij trok zijn neus even op en keek naar de vage contouren van het bed waar Tara naast stond. Ze leunde iets voorover en knipte het bedlampje aan.

Met open mond staarde hij naar het bed. Vanaf de plek waar hij stond zag hij alleen een bloederige massa. Tara keek naar het lichaam en haalde schokkend adem. Langzaam liep hij naar haar toe.

De man lag op zijn rug. De armen lagen langs zijn lichaam, zijn handpalmen waren, in een gebaar van overgave, naar boven gericht. Zijn gezicht was hard ingeslagen, zo hard, dat het leek alsof het op het kussen uitgelopen was. De rest van het lichaam leek op het eerste gezicht ongeschonden. Alecs ogen gleden erlangs. Even verstarde zijn blik. Ter hoogte van de heupen stond links en rechts een voetafdruk op het onderlaken. Iemand was boven de man gaan staan en had hem een doodsklap gegeven. Alec keek omhoog. Bloedspetters zaten op het plafond en op de muur achter de houten toog zaten rode vegen. Hij keek naar Tara. Haar arm lag over het hoofdeinde van het bed. Haar gezicht leunde ertegen.

‘Simon?’ vroeg hij zacht.

Ze knikte.

‘Zo heb ik hem gevonden.’

Ze strekte haar hand uit en streek over de bebloede schedel. Een traan gleed uit haar ooghoek. ‘Toen ik hem zo vond durfde ik eerst nauwelijks te kijken, maar ik ben bij hem gebleven, ik kon hem niet alleen laten’.

Ze veegde de traan weg en smeerde daarmee Simons bloed uit over haar wang. Plotseling begon ze over haar hele lichaam te trillen.

Alec streek haar over haar rug. ‘Rustig maar, rustig,’ zei hij.

Haar trillen werd langzaam minder en ze begon regelmatiger adem te halen.

‘Dank je, het gaat wel weer,’ zei ze. Toen wees ze naar de muur achter het hoofdeinde van het bed. ‘Had je dat al gezien?’

Het was alsof een kind drie vingers in een pot met vingerverf had gedoopt. Toen het tot Alec doordrong wat het moest voorstellen stokte zijn adem. Hij keek naar Tara. Haar hoofd ging langzaam op en neer en ze zei: ‘Zie je wat het is?’

‘Een tulp.’ Alecs stem klonk opgewonden. ‘Had hij daar iets mee te maken, met tulpen?’ Toen ze haar schouders ophaalde zei hij: ‘Tara, hij had mij gevraagd contact met hem op te nemen. Heb jij enig idee wat er aan de hand was en waarom hij mij zo dringend moest spreken? Het had met de moord op Frank te maken, dat weet ik bijna zeker.’

Ze knikte. ‘Ja, nog gecondoleerd.’

Het kwam plichtmatig uit haar mond. Alec bedacht zich dat zelfs Wainwright er meer gevoel in had weten te leggen. Toen zei ze: ‘Zo te horen weet je er helemaal niets van.’

‘Waarvan?’

Ze gaf geen antwoord en liep de kamer uit. Voordat ze bij de deur was greep hij haar bij haar arm en draaide haar naar zich toe.

‘Tara, wáárvan vroeg ik je.’

Ze keek kil en afstandelijk. Plotseling, van de ene op de andere seconde, was er angst in haar blik te zien.

‘Neem me mee, weg van hier. We moeten hier weg.’

‘Niet voordat je me hebt verteld waar ik meer van moet weten.’

Haar gezicht vertrok door zijn stevige greep. Ze rukte zich los. ‘Ik vertel het je zo. We moeten nu weg hier. Wat denk je? Frank is vermoord, en nu Simon. Denk je nou echt dat wij hier veilig zijn?’

Ze draaide zich om en rende de kamer uit. Alec snelde achter haar aan. Beneden rukte ze haar jas van de kapstok en pakte een weekendtas op. Behoedzaam deed ze de voordeur open en keek naar buiten. Ze reikte naar achteren en pakte zijn hand. Toen trok ze hem mee.

‘Waar staat de auto?’ vroeg ze toen ze bij het hek stonden.

‘Daar, naar links.’

Ze renden ernaartoe. Tara rukte het portier open en boog zich voorover.

‘We moeten snel weg hier.’

Damian keek haar stomverbaasd aan en staarde naar de rode veeg op haar wang.

‘Schiet op, start de auto, we moeten weg, nú.’

‘Alec? Waar is Simon? Heb je hem gesproken?’

Alec stapte achterin. ‘Doe maar wat ze vraagt, Damian. Simon is dood.’

Hij draaide om. ‘Wat?! Wat is er gebeurd?’

‘Ga rijden, schiet nou op,’ gilde Tara.

Damian keek opzij. Haar samengeknepen handen lagen in haar schoot. Ze haalde hijgerig adem en keek schichtig om zich heen. Hij startte de auto.

Alkmaar, 1665

Hij hoorde iets in de verte. Iemand riep iets. Was dat zijn naam?
Langzaam opende hij zijn ogen. Als een messteek sneed het licht door zijn hoofd. In een reflex kneep hij zijn ogen dicht. Hij hoorde gemompel. Iemand liep door de kamer. Het licht dat door zijn oogleden naar binnen had geschenen werd gedempt. Langzaam vloeide de scherpe pijn in zijn hoofd weg. Hij had het zo warm. Met zijn tong gleed hij langs zijn gebarsten lippen.

‘Water.’

Was hij dat? Was dat zijn stem die daar klonk? Zo iel en zacht, als van een vrouw? In zijn hoofd klonk zijn stem heel anders, krachtig en hard.

Een hand werd onder zijn nek gelegd. Zijn hoofd werd opgetild. Iets kouds en hards duwde tegen zijn lippen. Vocht gleed zijn mond in en druppelde kriebelend over zijn kin. Iemand veegde het met een doek weg.

Hij probeerde iets te zeggen. Hij wist zeker dat hij zijn lippen bewoog en dat hij zijn stembanden aanspande, maar het enige geluid dat hij voortbracht was een zacht gekreun. De hand die op zijn voorhoofd werd gelegd voelde koel aan.

‘Stil maar, doe maar kalm aan, het is goed zo.’

Goed zo? Hij kon niet meer spreken. Het was helemaal niet goed. Wie was die gek? Voorzichtig deed hij zijn ogen open. Er hing iemand boven hem. Hij probeerde te focussen. Langzaam werd het beeld helder. Toen hij zag wie het was ontspande hij zich. Even hief hij zijn hand op.

‘Ik ben het, vader. We zijn hier allemaal.’

Langzaam drong het tot hem door wat er was gebeurd. Die helse pijn die door zijn linkerarm was gesneden, als een dolkstoot in de richting van zijn hart. De val van zijn lichaam voor zijn huis. Hij was bij zinnen geweest, echter reddeloos verloren. Hij kon niets meer. Geen beweging was mogelijk, geen woord kwam er over zijn lippen. Hij kon alleen kijken en luisteren. Stemmen had hij gehoord. Ze hadden geschreeuwd en iemand begon aan hem te trekken. Zijn onderlichaam werd warm en hij rook zijn urine. De tranen die uit zijn ogen gleden waren niet van pijn maar van schaamte. Dat anderen toekeken hoe hij zichzelf bezoedelde. Wat er daarna was gebeurd kon hij zich niet meer herinneren.

Willem Winckel keek naar het gezicht van zijn oudste zoon. Hij wilde naar hem glimlachen, hem geruststellen, maar het ging niet. Met het moment werd hij zwakker en voelde hij het leven langzaam wegsijpelen.

Misschien is het inderdaad goed zo, dacht hij. Het werk waar mijn vader mee is begonnen, het was allemaal niet voor niets geweest.

Willem had het in het diepste geheim voortgezet en had het al die jaren voor zijn gezin verborgen weten te houden. Hij was bang geweest, jarenlang. Ja, nu hij erop terugkeek, bijna zijn hele leven had hij in angst geleefd. Die angst had hij met niemand kunnen delen.

Zijn hart vulde zich met trots toen hij naar zijn zoon keek, naar Wouter, die zo veel op zijn grootvader Wouter Winckel leek dat het beangstigend was. Alsof door hem naar zijn grootvader te vernoemen diens kenmerken waren overgedragen. Hij had hetzelfde postuur, dezelfde helderblauwe ogen die optimistisch en vol levenslust de wereld in keken. Ook hun karakters toonden een treffende gelijkenis.

Hij keek langs Wouter heen. De bewegende contouren op de achtergrond werden langzaam helder en hij zag zijn vier dochters tegen de muur staan. Ze hielden elkaar vast. Angstig en bedroefd keken ze naar hem.

Hij gebaarde naar zijn zoon, die zich direct over hem heen boog en zijn oor tegen zijn mond aan legde. Willem voelde de haren van de jongen over zijn gezicht strijken. Zacht waren ze, als donsveren. Ze roken naar de buitenlucht, naar bos.

‘Ik wil jou spreken, alleen.’ Zijn stem kraakte en klonk onvast. ‘Ik wil de meisjes gedag zeggen. Het is tijd.’

Wouter wenkte zijn zussen dichterbij te komen. Een voor een zoenden ze hun vader op zijn wang. Snikkend verlieten ze de kamer.

Wouter ging op het bed zitten en keek hem fronsend aan.

‘Vader, wat is er?’

‘Ik heb iets voor je wat ik je al enige tijd wil schenken. Gelukkig kan ik het nog doen, is het niet te laat. Mijn buidel?’

‘Hier,’ zei Wouter en pakte hem van de stoel die naast het bed stond.

‘Gelukkig, ik was even bang... Maak hem eens open.’

Met veel moeite peuterde Wouter de strakke knoop in het leren koord los. Willem klopte met zijn hand op het matras en Wouter leegde de buidel op het bed. Met zijn vingers woelde Willem tussen de muntstukken tot hij de sleutel voelde. Hij pakte hem op en zei: ‘Deze is van onze kluis. Er ligt iets in wat van jouw grootvader is geweest en wat hij ons heeft nagelaten. Namens jouw ooms en tantes heb ik het altijd in bewaring gehad. Nu is het van jou. Ik hoop dat jij het op jouw beurt aan jouw oudste zult geven. Dat het aan alle toekomstige generaties zal worden overgedragen, van oudste op oudste. Bij elke overdracht moet het verhaal van mijn vader en jouw grootvader, van Wouter Winckel, worden verteld.’

Hij begon te hoesten. Wouter pakte de beker, tilde zijn vaders hoofd weer op en gaf hem een slok water.

‘Rustig maar vader, ik weet wat grootvader heeft gedaan, wat hij heeft betekend.’

‘Stil jongen,’ zei Willem buiten adem. ‘Stil. Laat me dit vertellen. Iedereen van de familie moet weten dat hij om het leven is gebracht omdat hij geloofde dat de vrijheid van geest, iets waar we allemaal over beschikken en wat niemand ons kan afpakken, moet worden omgezet in de vrijheid van handelen, en dat we onze vrije gedachten mogen uiten. Onze nazaten moeten altijd begrijpen dat vrijheid het grootste goed is dat de mens bezit.’ Hij drukte de sleutel in de hand van zijn zoon.

‘Maar vader, wat...?’

‘Dat zul je wel zien.’ Hij sloot zijn ogen.

Wouter stond op van het bed. ‘Vader?’

Moeizaam trok Willem zijn oogleden op en zei: ‘Nog één ding: wees voorzichtig en gebruik het ten goede. De verleiding is groot en kan je te gronde richten. Als het je besluipt, als je de verleiding ternauwernood kunt weerstaan, denk dan aan mij en aan je grootvader.’

Hij ademde diep uit en sloot zijn ogen.

Het tulpenvirus
titlepage.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_0.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_1.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_2.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_3.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_4.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_5.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_6.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_7.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_8.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_9.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_10.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_11.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_12.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_13.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_14.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_15.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_16.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_17.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_18.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_19.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_20.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_21.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_22.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_23.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_24.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_25.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_26.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_27.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_28.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_29.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_30.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_31.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_32.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_33.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_34.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_35.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_36.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_37.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_38.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_39.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_40.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_41.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_42.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_43.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_44.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_45.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_46.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_47.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_48.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_49.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_50.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_51.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_52.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_53.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_54.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_55.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_56.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_57.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_58.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_59.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_60.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_61.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_62.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_63.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_64.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_65.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_66.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_67.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_68.xhtml