33
Simon legde de telefoon neer. Hij voelde zich beroerd. Het ging niet goed, hij had het gevoel dat zijn lichaam de hele situatie waarin hij verzeild was geraakt probeerde af te stoten, als een orgaan na een mislukte transplantatie. Het leek alsof de pijn steeds sterker werd en meegroeide met elk stap die hij zette en elke handeling die hij verrichtte. Het had hem mentaal misvormd, maar nu kreeg het hem ook lichamelijk te pakken.
Hij trok de gordijnen dicht om het daglicht buiten te sluiten en stapte zijn bed in. Met één hand draaide hij de dop van het bruine plastic potje los. Pillen rolden in zijn hand. Hij pakte er twee en stak ze in zijn mond. Toen sloot hij zijn ogen en liet zijn hoofd in het kussen zakken. Hij voelde dat de haren op zijn armen overeind gingen staan. Een siddering ging door zijn lichaam. Hij trok het dekbed over zich heen en concentreerde zich, probeerde het voor zich te zien. De pillen gleden zijn maag in, werden bedolven onder het maagzuur en vielen uiteen in moleculaire deeltjes die in zijn bloedbaan terechtkwamen. Hij probeerde langzaam en regelmatig adem te halen. Vlak voor hij in slaap viel hoorde hij de echo van zijn ademhaling in de kamer.
*
Alec klapte zijn telefoon dicht. Simon Versteegen wilde er telefonisch niets over zeggen. Nadat ze hadden afgesproken elkaar vanmiddag te zien en Simon hem zijn adres had gegeven had Simon, zelfs zonder gedag te zeggen, opgehangen.
Hij keek naar buiten, naar hetzelfde weer als gisteren, alsof er geen nacht tussen had gezeten. Toen liep hij naar de tafel. Naast de gesorteerde stapeltjes lag een berg correspondentie die nog moest worden uitgezocht. Hij boog zich eroverheen. Op datzelfde moment sloeg de voordeur dicht en hoorde hij Damian de gang in lopen.
Na hun uitbarsting van gisteravond vond hij het moeilijk hem onder ogen te komen. Natuurlijk had de wijn invloed gehad op zijn reactie, maar drank was geen excuus. Bovendien kon hij zich het gesprek nog letterlijk herinneren, dus zo dronken was hij niet geweest.
‘Zo, ben je weer begonnen? Ook een koffie?’
Alec knikte. Damian liep naar het espressoapparaat en zette er twee kopjes onder.
‘Jij bent al vroeg in de weer,’ zei Alec.
‘Ze kwamen vanochtend de spullen voor de antiekbeurs halen. Ik wilde even controleren of alles wel goed werd ingeladen. Het zal niet de eerste keer zijn dat dingen beschadigd uit de wagen komen terwijl ze er toch echt onbeschadigd in zijn gezet.’
Hij zette een espresso voor Alec neer en zei: ‘Ik heb trouwens nog wat telefoontjes gepleegd over het tulpenboek. We hebben zo een afspraak bij Jacob Wolters van het veilinghuis. Hij is taxateur van antiquarische uitgaven, en weet precies hoe je daar mee om moet gaan.’
‘Dat is perfect. Hoe laat? Ik heb namelijk vanmiddag met Simon afgesproken.’
‘Waar?’
‘Hij woont in Den Haag.’
‘Geen probleem, we moeten over een halfuur bij Wolters zijn.’ Toen keek hij Alec aan. ‘Ik hoop dat je het nu met me eens bent dat het beter is dat we hebben gewacht. Die paar uurtjes die we nu verder zijn hebben echt niets uitgemaakt.’
Ergernis klonk door in zijn stem toen Alec zei: ‘Ik ben blij te horen dat jij weet dat het niets uitmaakt. Dan weet je meer dan ik.’ Toen hij zag hoe Damian keek, zei hij: ‘Sorry, ik wil echt niet van voren af aan beginnen, dat is niet mijn bedoeling. Maar soms...’
Damian zuchtte. ‘Nee, je hebt gelijk, ik weet dat ik onhebbelijk kan zijn.’
‘Je moet mij meer vertrouwen. Ik kan op eigen benen staan, dat doe ik al jaren, dat weet je.’
‘Jawel, maar ik was bang dat de dood van Frank iets bij je los zou maken waardoor je weer naar die troep zou grijpen.’
Alec schudde zijn hoofd. ‘Ik moet je bekennen dat het me moeite heeft gekost me in te houden, maar ik heb niets gebruikt. Als ik in deze situatie zonder kan...’
‘... dan red je het altijd.’ Damian gaf hem een klap op zijn schouder. ‘Ik hou erover op.’