6

Onder de luifel van Scotland Yard knoopte Alec zijn jas dicht en hield zijn hand op voor de taxi die net aan kwam rijden.

Terwijl hij achteroverleunde, werd hij plotseling overspoeld door zo’n intens gevoel van eenzaamheid dat hij het bijna uitschreeuwde. Hard duwde hij zijn nagels in zijn handpalmen en drukte zich tegen de rugleuning aan. Rustig blijven, rustig blijven. Hij haalde een paar keer diep adem. Toen leunde hij naar voren en schoof het raampje achter de chauffeur dicht.

De machteloosheid die hij voelde was bijna tastbaar. Ze hing als een dikke wolk om hem heen en was zo ondoordringbaar dat ze hem de adem benam. De woede die hij kwijt dacht te zijn, die hem vanaf zijn prilste jeugd achtervolgde, over alles wat hem was ontnomen, over de onverbiddelijke eenzaamheid waartoe hij was veroordeeld, was terug. Dat Wainwright nu toespelingen durfde te maken dat hij iets met de dood van Frank te maken had, versterkte zijn gevoel van onvermogen.

Hij drukte op het knopje. Langzaam gleed het raam naar beneden. Koude windvlagen streken over zijn gezicht en hij sloot zijn ogen.

Beelden van zijn leven met Frank flitsten door zijn hoofd. Zijn eerste illegale rijles, midden in de nacht, in de verlengde Mercedes op de lege parkeerplaats van het voetbalstadion. Hij, versuft van de slaap achter het stuur, zijn oom vol energie ernaast. Frank die in het donker voor hem uit liep op Bermondsey Market en met zijn zaklamp alle antiekstalletjes afstruinde op zoek naar ‘een krent in de pap’. Franks profiel terwijl hij hem voorlas in het zwakke schijnsel van het bedlampje. Al die keren dat Frank hem had vastgehouden, had getroost. Die momenten van geluk stonden in zijn hersenen gegrift.

Hij opende zijn ogen en voelde zijn lichaam schreeuwen om verdoving. Even alles vergeten. De behoefte maakte gebruik van zijn zwakte en dook met zo’n kracht de leegtes in die hij zelf niet wist op te vullen, dat het bijna pijn deed.

Zijn telefoon waarschuwde dat er een sms binnen was gekomen. Hij pakte zijn toestel en opende het bericht. Het was van Damian.

Bel me als ik iets kan doen en laat me weten wanneer en hoe laat je aankomt. Ik haal je op.

Alkmaar, 21 juli 1636

De Oude Schuttersdoelen was de populairste taveerne van Alkmaar. Gewoonlijk stonden de luiken van de sociëteit van het Alkmaarse Voetboog Schuttersgilde wijd open. De geur van een warme maaltijd lokte voorbijgangers naar binnen. Het was nu diep in de nacht. De herberg lag er verlaten bij.

Wouter Bartelmiesz. Winckel schrok op van het gebons op de deur. Voordat hij zijn kasboek dichtsloeg maakte hij nog een aantekening. Met een kreun bukte hij zich om de geldbuidel die naast hem op de grond lag op te pakken. Hij stopte de stapels florijnen erin en snelde de treden van de opkamer af. Door de gelagkamer liep hij naar de voorkant van zijn herberg. Hij schoof de grendel opzij en duwde het luik van het kruiskozijn open.

‘Wie daar?’ vroeg hij terwijl hij zijn hoofd naar buiten stak.

Hij zag de contouren van twee mannen, de ene lang en breed, de ander klein en gedrongen.

‘Goedenacht Wouter, Cornelius hier,’ zei de kleinste die een stap naar voren deed en zijn hoed afnam.

‘Ah, Cornelius, ik herkende je niet. Wat kom je doen op dit late uur?’

‘Ik moet je dringend spreken, ik weet dat het laat is, maar het is van groot belang.’

‘Goed, ik kom eraan, geef me een moment, ik moet nog even iets afhandelen.’

Wouter trok het luik dicht en liep naar de geopende kast die tegen de achterwand van de gelagkamer aan stond. De planken leunden tegen de muur. De bierkruiken, borden en schalen die erop hadden gestaan stonden op de plavuizen.

Hij dook de kast in, stak de sleutel in het slot van het eikenhouten luik in de achterwand en trok het open.

De ruimte was anderhalve meter hoog, anderhalve meter breed en twee meter diep. Op zijn knieën schuifelde hij naar binnen, met in zijn ene hand een nachtblaker, en in de andere een geldbuidel. De planken aan de rechterwand bogen door onder het gewicht van de muntstukken. Hij zette zijn buidel op de onderste plank en scheen naar links. De kast bestond uit tientallen laatjes met op elke la een stuk papier met een tekst en een aantal cijfers.

Hij glimlachte. Zo ver als hij kon, reikte hij zijn bovenlichaam naar voren en drukte zijn neus tegen een van de laatjes aan. Via de perforaties die in het hout waren aangebracht bereikte de geur van vochtige aarde zijn reukorgaan. Voorzichtig trok hij het open. Met een liefdevolle blik keek hij naar de kleine uivormige bol.

‘De geur van de vrijheid, de toekomst van de wereld in een lade,’ zei hij zacht. Met zijn wijsvinger schoof hij het laatje voorzichtig dicht. Achterstevoren kroop hij het gat uit.

Voordat hij het luik afsloot, leunde hij naar voren en liet de kaars zo ver mogelijk de ruimte in schijnen. Tegen de achterste wand lagen de pamfletten opgestapeld. Weer glimlachte hij.

Het tulpenvirus
titlepage.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_0.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_1.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_2.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_3.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_4.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_5.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_6.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_7.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_8.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_9.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_10.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_11.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_12.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_13.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_14.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_15.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_16.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_17.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_18.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_19.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_20.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_21.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_22.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_23.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_24.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_25.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_26.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_27.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_28.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_29.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_30.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_31.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_32.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_33.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_34.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_35.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_36.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_37.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_38.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_39.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_40.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_41.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_42.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_43.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_44.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_45.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_46.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_47.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_48.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_49.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_50.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_51.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_52.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_53.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_54.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_55.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_56.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_57.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_58.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_59.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_60.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_61.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_62.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_63.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_64.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_65.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_66.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_67.xhtml
awb_-_tulpenvirus_split_68.xhtml