32
Ze kende Wainwright goed genoeg om te weten dat ze niet met lege handen aan hoefde komen. Maar als er niets op stond, was er niets. Zo simpel als wat. Ze legde haar benen over de stoelleuning en drukte op de afstandsbediening. De monitor flikkerde aan.
Twee uur later zuchtte ze diep. Nog steeds had ze niets bijzonders gezien. Ze zette de film op pauze. Het laatste stukje zou ze zo bekijken, maar eerst moest ze wat eten. Nadat ze in de kantine een beker noedelsoep had gehaald, bekeek ze het einde van de opname. Ze zag de laatste gasten naar buiten gaan. Nu liep er een man in de aula rond die naar de plek liep waar de kist had gestaan. Hij tilde de foto van Frank met twee handen van de ezel en zette hem tegen de muur. Toen hij de voorste rij stoelen recht begon te zetten pakte Dawn haar eetstokjes. Met één oog keek ze toe hoe de medewerker de ruimte weer op orde bracht, en ze trok voorzichtig de deksel van de soep. De hitte steeg op en ze wapperde met haar hand voor haar gezicht. Ze stak haar eetstokjes in de dampende soep, bracht haar mond naar de rand van de plastic beker en slurpte een hap naar binnen. Een gloeiend hete sliert viel op haar kin. Vloekend zette ze de beker neer en wreef over de brandende plek. Toen ze voorover leunde om haar soep weer te pakken zag ze uit haar ooghoek iets bewegen.
Ze gooide haar benen van de leuning en rolde haar stoel naar voren. Gespannen keek ze naar het linkerdeel van het scherm waar ze net de hal in kon kijken.
‘Shit.’
Ze drukte op stop en het beeld bevroor. Naast de tafel met het condoleanceregister stond iemand. Ze drukte op play . Een hand pakte de pen op. Toen de man iets in het register schreef, kon ze hem duidelijk zien. Ze zette het beeld stil en keek naar zijn profiel.
‘Wat moet die daar? Iedereen is allang weg,’ mompelde ze.
Ze pakte de opname van de binnenkomst van de gasten en legde de dvd in de speler. De tweede monitor ging aan.
De camera hing boven de tafel waar alle gasten zich hadden moeten melden. Nadat ze hadden gezegd wie ze waren, zette het meisje achter de tafel een vinkje achter hun naam op de lange lijst die ze voor zich had liggen. Niet alleen hadden ze iedereen op beeld, ze hadden ook de microfoon aangezet. Bij elk gezicht hadden ze een naam.
De ogen van Dawn flitsten constant van links naar rechts, van het bevroren beeld van de man naar het bewegende op het andere scherm. Plotseling schoot ze naar voren en drukte op stop.
‘Ik heb je.’
Hij liep licht gekromd en leek overmand door verdriet. Toen hem zijn naam werd gevraagd sprak hij zo zacht dat het nauwelijks te verstaan was.
Ze stopte de dvd, klikte op rewind en duwde de volumeschuif omhoog.
‘Versteegen, Simon Versteegen.’
Ze duwde de knop in. Terwijl de prints eruit kwamen rollen klikte ze op play. Ze pakte haar soep en leunde achterover. Deze keer volgde ze elke beweging die Versteegen maakte. Hij had tijdens de plechtigheid in het midden van de zaal gezeten en hield zijn blik constant naar beneden, als in gebed verzonken. Pas toen Alec achter het katheder kwam staan hief hij zijn hoofd op. Zijn ogen bleven tijdens zijn hele toespraak strak op hem gericht. Ze zag hem in de rij staan om Alec te condoleren, terwijl hij met een paar mensen praatte en handen schudde. Toen schreef hij iets in het condoleanceregister en liep naar buiten. Maar de hal stond nog vol met mensen.
Dawn sloot alle apparatuur af en tikte met haar eetstokjes op de prints. ‘Waarom ben je teruggekomen? Dat wil ik weleens weten.’
Londen, 13 juni 1663
Waarde heer Winckel,
Met groot genoegen ontving ik Uw brief waarin U vermeldt dat U de intentie hebt een grote som geld aan onze sociëteit te schenken. Mijn ontsteltenis was groot toen ik las hoeveel U aan ons wenst te doneren. U weet dat wij, wat onze financiën betreft, van giften afhankelijk zijn, en zult daarom begrijpen dat wij zeer verheugd zijn met het bedrag.
U schreef dat Uw vader zaliger tijdens zijn leven vele donaties heeft gedaan aan de wetenschap. Dat U heden ten dage de erfenis, die U van hem hebt ontvangen en gedurende de jaren hebt gekoesterd, aan ons wilt overdragen, doet mij een groot genoegen.
Ik hoop dat U mij deze gedachtegang zoudt willen vergeven, maar toen ik vernam waar Uw vader zijn fortuin mee had verdiend, kon ik niet anders dan concluderen dat er toch nog iets moois uit de tulpenhandel is voortgekomen en niet iedereen ten tijde van de ineenstorting van de tulpenhandel berooid is achtergebleven. Blijkbaar beschikte Uw vader over het juiste zakeninstinct en heeft hij zijn tulpen tijdig van de hand gedaan.
Ik garandeer U dat het geld bij ons in goede handen is. Tevens kan ik U verzekeren dat het geld ten goede zal worden gebruikt. Ondanks al onze inspanningen gedurende de afgelopen decennia, staat de wetenschap nog in de kinderschoenen. Er zijn zo veel vragen die nog beantwoord moeten worden, zoveel vragen die nog moeten worden gesteld.
Dankzij Uw genereuze gift kunnen wij verder op zoek naar de antwoorden die wij ontberen om onze prachtige en wonderlijke natuur te doorgronden.
Ook Uw medelander en gewaardeerd lid van ons Genootschap, de heer Christiaan Huygens, uitte zich vreugdevol toen hij dit nieuws van ons vernam. Hij heeft mij toegezegd U in Uw woonplaats te bezoeken, om langs die weg, namens al onze leden, een persoonlijk dankwoord uit te spreken.
Nog meer goed nieuws bereikte ons een maand geleden. Onze Koning heeft toegezegd dat wij vanaf heden de naam The Royal Society mogen voeren. Twintig jaar geleden kwam een groep wetenschappers bijeen om van gedachten te wisselen. Destijds konden zij niet bevroeden dat zij twee decennia later zouden uitgroeien tot een gerespecteerd wetenschappelijk instituut met Koninklijke status.
Wij voelen ons vereerd in het vertrouwen dat U in ons stelt. Wij zullen U niet teleurstellen en willen U langs deze weg verzoeken of U een erelidmaatschap wilt accepteren.
Uw trouwe dienaar,
Sir Robert Moray
President
The Royal Society
Londen, 1663