21
Alec keek op.
‘1637 zei je?’
‘Ja, 1637. Hoezo?’
‘Niets,’ zei Alec terwijl hij Damian aankeek. ‘Ik wist niet of ik het wel goed had verstaan.’
De opties maalden door zijn hoofd. Had Frank met het wijzen op dat jaartal dus toch willen zeggen dat hij iets dergelijks had meegemaakt? Of zat het anders? Was het iets waar hij nauwelijks aan durfde te denken? Zou Frank de kwade genius zijn achter een of andere constructie waardoor mensen veel geld waren kwijtgeraakt en dat dat hem de kop had gekost? Dat kon gewoon niet kloppen.
Alec stond op en liep naar het raam. Peinzend keek hij naar buiten. Hij was het zat. Hij was bekaf en had het gevoel dat ze nog geen stap verder waren gekomen. Hoe lang moesten ze nog blijven gissen? Hij draaide zich om.
‘Sorry Dick, spijt me dat ik het moet zeggen maar het schiet helemaal niet op zo. China, Turkije, sultans, bloemen, bollen, azen, veilingen. Ik weet het nu helemaal niet meer. Tussen al deze informatie zit nog steeds niks waar we iets aan hebben.’
Hij voelde dat zijn woede de overhand kreeg, maar kon zich niet inhouden. ‘Wat heeft dit allemaal met Frank te maken? Dat moeten jullie me maar eens vertellen. Geen moer. Wat heeft die stompzinnige tulpenhandel, die hele zeventiende eeuw te maken met een vent die met beide benen in deze wereld stond, in het heden, in het nu. Geen fuck . Weet je wat, laat maar zitten allemaal, we komen er toch nooit achter. We laten het door de politie wel verder uitzoeken.’
‘Het komt wel goed, Alec. Ik weet zeker dat we erachter komen wat Frank ermee wilde zeggen,’ zei Damian sussend.
‘Het komt helemaal niet goed. Ik ben Frank kwijt, hij was mijn familie. Moet je mij zien, wat een lul. Ik ben niet eens in staat iets voor hem terug te doen.’
Dick was naast hem komen staan en klopte op Alecs schouder. ‘Waarom denk je dat Frank er iets mee van doen heeft? En waarmee heeft Frank iets willen zeggen? Hm? Als jullie me dat vertellen kan ik jullie beter helpen.’
Dick volgde de blik van Alec die Damian vragend aankeek. Toen die zijn hoofd schudde liep Dick zuchtend terug naar zijn stoel. ‘Ik moet wel zeggen dat ik het jammer vind dat jullie mij niet in vertrouwen nemen.’
‘Daar gaat het niet om Dick. Ik, eh, ik zal het je maar zeggen, ik heb Frank vlak voordat hij overleed namelijk nog gesproken.’
Dicks mond viel open. ‘Gesproken?’
‘Ja, maar heel even. Hij had veel pijn en... Maar ik heb toen iets aan hem beloofd waar ik me aan wil houden.’
Dick knikte. ‘Dan begrijp ik het jongen. Goed, weet je wat, ik maak mijn verhaal gewoon af, je weet maar nooit, toch?’
Alec knikte en ging op de vensterbank zitten.
‘De bollen van de Alkmaarder tulpenveiling werden aangeboden door het weeshuis. Het was een deel van de erfenis van zeven kinderen die daar terecht waren gekomen. Omdat de bollen namens het weeshuis geveild werden, ging een deel van de opbrengst naar hen. Dat was in die tijd de gewoonte. Na twee uren vol spanning was de veiling voorbij. De veilingmeester had zich in het zweet gewerkt. De hele collectie was verkocht. De opbrengst was gigantisch. Hebben jullie enig idee hoeveel geld er toen is opgehaald? Nee, natuurlijk niet, dat kunnen jullie ook niet weten. Wacht, waar heb ik dat ding ook alweer gelaten?’
Hij boog naar rechts, rommelde wat in zijn bureaula en haalde er een syllabus uit. Hij begon er druk in te bladeren. Bij een pagina hield hij stil en zei: ‘Hier, moet je horen wat ze opbrachten.’
*
De veilingmeester kondigde formeel het gebodene aan. Toen Willem de naam van zijn vader hoorde noemen maakte een gevoel van trots zich van hem meester. Zijn vader had dit opgebouwd. Zonder enige kennis van zaken was hij met de handel in tulpen begonnen. Hij had zich erin verdiept, volgde de markt op de voet. Hij wist exact op welk moment een tulp ondergewaardeerd of overgewaardeerd werd, en sloeg zijn slag.
Hij had de geruchten gehoord. In Alkmaar dachten ze dat Wouter Winckel om zijn tulpen om het leven was gebracht, en dat de roofmoordenaars de collectie niet hadden kunnen vinden. Willem wist beter. Hij kende de ware toedracht van de moord op zijn vader. Met de opbrengst van deze veiling kon hij zich op de moordenaars van zijn vader wreken. De opbrengst was van levensbelang, niet slechts voor hem en voor zijn broers en zusters, maar voor de hele wereld. Dat moest hij zich voor ogen houden. Ja, dat was het. Hij moest zich niet laten afleiden door de hebzucht die in de zaal hing. Het was uiteindelijk allemaal in zijn voordeel.
Het bieden begon. De eerste bol die onder de hamer kwam was een roodwitte Boterman. Met een gewicht van 563 azen werd hij afgeslagen op 263 florijnen. De tweede was een Scipio. Deze woog maar 82 azen, maar ging voor maar liefst 400 florijnen van de hand. 400 florijnen, dacht Willem. Dat kan toch niet waar zijn? Hij geloofde zijn oren niet. De volgende, een Paragon van Delft, en een van de favorieten van zijn vader, werd voor 605 florijnen verkocht.
Toen de veilingmeester het volgende kavel aankondigde, de Bruyn Purper, viel er een stilte in de zaal. Dit was er een waar velen op hadden gewacht, want zijn kleurschakering van paars en bruin was uitzonderlijk. Toen het bieden z’n aanvang nam dacht Willem dat er geen eind aan zou komen. De veilingmeester sloeg uiteindelijk af op een bod van 2.025 florijnen. Willem keek naar de weesmeester die met een gelukzalige glimlach op zijn gezicht had plaatsgenomen naast het katheder waar de veilingmeester achter stond.
Na een uur werd aangekondigd dat er zou worden gepauzeerd. De spanning die in de ruimte had gehangen, de stiltes die te snijden waren tijdens de biedingen, alles kwam los. Iedereen begon tegelijkertijd te praten. Sommige mannen waren goedgeluimd en feliciteerden elkaar, anderen hadden een bedrukte uitdrukking op hun gezicht. Willem stond op toen hij de weesmeester op zich af zag komen.
‘Het gaat goed, zoals gedacht. Is het niet fantastisch? Dit is een dag die we ons nog lang zullen heugen.’ Dat is een ding dat zeker is, dacht Willem en knikte beleefd.
Na de pauze was het de beurt aan de twee Viceroys, een met een gewicht van 658 azen en de andere van 410 azen. Willem had ze in het tulpenboek zien staan, prachtig afgebeeld met hun nachtblauw gevlamde bloemblaadjes. Tot zijn stomme verbazing werd de eerste voor 4.200 verkocht en bracht de andere 3.000 florijnen op. Het meest opzienbarend was de opbrengst van de grillig gekleurde Admirael Liefkens. De bol woog heel weinig, maar was zo schaars dat een handelaar er maar liefst 1015 florijnen voor overhad.
Twee uur nadat ze de zaal in waren gelopen was de veiling voorbij. Het onvoorstelbare was gebeurd. Nog nooit eerder in de geschiedenis van de tulpenhandel waren de opbrengsten zo hoog geweest.
*
Dick schoof zijn leesbril op zijn voorhoofd. ‘Kunnen jullie je de spanning in de zaal voorstellen? De ene na de andere bol bracht een recordprijs op.’
Hij trok zijn wenkbrauwen omhoog. Zijn bril zakte op zijn neusbrug en hij boog zich weer over de syllabus.
‘Hier staat het allemaal, het is allemaal bewaard gebleven, kijk zelf maar.’
Hij gaf Damian de syllabus aan. Het was een kopie van de opbrengstlijst. De pagina was in twee kolommen verdeeld. Met een priegelig handschrift stonden, keurig op een rij, alle bollen met hun gewicht en de prijs die ze hadden opgebracht onder elkaar.
‘Niet te geloven,’ zei Alec.
‘Het is zeker niet te geloven. Hier ging het dus mis,’ vervolgde Dick. ‘Door die hoge biedingen steeg de vraagprijs van elke volgende bol. De onrust onder de bieders werd groot. Hoe hoger de prijzen, hoe begeerlijker het bezit ervan.’
‘Wat was de uiteindelijke opbrengst?’ vroeg Damian.
‘90.000 florijnen. Daar staat het.’ Dick wees naar de bladzijde. ‘Helemaal rechts onderaan.’
‘Mijn hemel. Als je dat omrekent komt het uit op 6,3 miljoen euro,’ zei Damian.
‘Minstens. Niet te geloven toch, voor een paar bloembollen. Voor die wezen betekende dit dat zij ieder met een bedrag van 12.000 florijnen naar huis gingen. Het weeshuis was helemaal spekkoper. Dat mocht maar liefst 9.000 florijnen in ontvangst nemen. Voor de kinderen was dit natuurlijk goed nieuws. In twee uur tijd waren ze schatrijk geworden.’
Dick stond op en ging met zijn handen op zijn rug voor hen staan. ‘Een paar dagen na de veiling ging het fout met de handel. Deskundigen zijn het er nog steeds niet over eens hoe het precies is gekomen, dat het allemaal zo snel, haast van de ene op de andere dag, misging. Maar die lijst daar heeft er een belangrijke rol in gespeeld, daar ben ik van overtuigd. Dat was een van de boosdoeners.’
‘Deze lijst? Damian keek hem verbaasd aan. ‘Hoezo?’
‘Het was de gewoonte direct na een veiling een inventarisatie te maken van wat er was verkocht en voor welk bedrag. Zo bleven handelaren op de hoogte van de waarde van bollen. Een paar dagen na de Alkmaarder veiling ging die lijst van hand tot hand. Het verhaal van de gigantische opbrengst verspreidde zich als een lopend vuurtje over het land. Floristen en kwekers prezen zich rijk, want uit de opbrengst van de Alkmaarder veiling bleek dat hun bollen meer waard waren dan ze dachten.’
Langzaam schudde Dick zijn hoofd en trok zijn mondhoeken naar beneden.
‘Het pakte alleen anders uit. De bedragen op die verkooplijst werden beschouwd als de nieuwe verkoopprijzen. Daardoor steeg de gemiddelde prijs van een bol. De tulpengekte sloeg in alle hevigheid toe. Sommige bollen werden wel tien keer per dag doorverkocht, elke keer voor nog meer geld. Er zaten ook bollenbezitters tussen die aanvoelden dat het maximum bereikt was en die hun bollen zo snel ze konden voor hoge bedragen van de hand deden. Een paar dagen later, tijdens een veiling in Haarlem, werd het desastreuze effect van de Alkmaarder veiling duidelijk. In Haarlem werden zulke hoge prijzen gevraagd dat er nauwelijks een bol werd verkocht. Ook dat nieuws verspreidde zich snel. Binnen een paar dagen wist iedereen ervan.’
‘Dus iedereen wilde zo snel mogelijk van zijn bollen af, in de hoop er nog een goede prijs voor te krijgen.’
‘Exact, Alec, en dat lukte dus niet. Ze raakten hun bollen aan de straatstenen niet kwijt. In een paar dagen tijd was de handel in tulpen verdwenen, gewoon helemaal weg.’ Dick keek even peinzend voor zich uit. ‘1637 was het rampjaar voor de tulpenspeculanten. Mensen zijn kapitalen kwijtgeraakt. Echt kapitalen. Het was een vreselijke situatie. De effecten waren catastrofaal.’
Nadat de deur achter hen was dichtgevallen staarde Dick voor zich uit. Hij beet op zijn onderlip. Toen leunde hij met zijn ellebogen op het bureau en legde zijn gezicht in zijn handen.
‘Het is allemaal mijn schuld,’ zei hij zacht. Hij richtte zijn ogen naar het plafond. ‘Sorry, Frank. Als ik dit van tevoren had geweten, dat het zo zou lopen, had ik je er nooit bij betrokken.’ Met trillende vingers stak hij een sigaret op. ‘Ik zal ervoor zorgen dat het allemaal weer goed komt. Ja, daar ga ik persoonlijk voor zorgen.’