42

D'Agosta volgde Margo een stoffige, slecht verlichte gang door op de eerste verdieping van het museum. De hal had ooit deel uitgemaakt van een expositie maar was jaren geleden al gesloten voor het publiek en werd nu voornamelijk gebruikt als reserve-opslagruimte voor de zoogdierencollectie. Diverse opgezette dieren in houdingen van aanval of verdediging stonden aan weerszijden van de smalle gang. D'Agosta haalde bijna zijn jasje open aan de klauw van een op zijn achterpoten staande grizzlybeer. Hij merkte dat hij onwillekeurig zijn armen strak langs zijn lichaam hield om te voorkomen dat hij tegen de rest van de half vermolmde dieren aan liep. Toen ze na een laatste bocht in een doodlopende gang terechtkwamen, zag D'Agosta een gigantische opgezette olifant voor zijn neus staan, het grijze vel vol reparatieplekken, schilferend en rafelig. Onder de geweldige buik, verborgen in de schaduw, lag de hoge metalen deur van een goederenlift.

'We moeten snel zijn,' zei hij terwijl Margo op de liftknop drukte. 'Op het hoofdkantoor worden al de hele middag alle krachten verzameld. Het ziet eruit als de voorbereidingen voor D-Day. En verder is er een of andere onaangekondigde demonstratie van Herover de stad aan het ontstaan op Fifth Avenue.' Er hing een geur in de lucht die hem deed denken aan een paar plaatsen die hij ooit in de zomer bezocht had na een misdrijf.

'Het voorbereidingslab is een eindje verderop,' zei Margo. Ze zag hoe D'Agosta zijn neus optrok. 'Ze zullen wel bezig zijn een specimen op sterk water te zetten.'

'Juist,' zei D'Agosta. Hij keek naar de gigantische olifant boven zijn hoofd. 'Waar zijn de slagtanden?'

'Dat is Jumbo, het succesnummer van circus Barnum. Hij is in Ontario geramd door een vrachttrein en daarbij zijn zijn slagtanden verbrijzeld. Barnum heeft ze vermalen, er gelatine van gemaakt en tot pudding verwerkt en die geserveerd bij Jumbo's herdenkingsmaal.' 'Kom er maar eens op.' D'Agosta stak een sigaar in zijn mond. Niemand kon klagen over een beetje rook, met die stank die hier hing. 'Sorry,' zei Margo met een schaapachtige grijns. 'Verboden te roken. Kans op methaan in de lucht.'

D'Agosta stak de sigaar weer in zijn zak terwijl de liftdeur open gleed. Methaan. Dat kon dus ook nog.

Ze stapten een broeierige ondergrondse gang binnen, met stoompijpen en enorme kratten langs de wanden. Een van de kratten was open zodat het knobbelige uiteinde van een zwart bot te zien was, dik als een boomtak. Moet wel haast een dinosaurus zijn, dacht D'Agosta. Hij probeerde een gevoel van angst te onderdrukken terwijl hij terugdacht aan de vorige keer dat hij in het souterrain van het museum gestaan had.

'We hebben de drug op verscheidene organismen getest,' zei Margo terwijl ze een vertrek binnenliep waar het felle tl-licht scherp contrasteerde met de vale gang daarbuiten. In een van de hoeken stond een laborant over een oscilloscoop gebogen. 'Proefmuizen, de bacterie E. coli, blauwgroene algen en een paar eencellige diertjes. Hier zijn de muizen.'

D'Agosta tuurde een klein hokje in en stapte snel achteruit. 'Jezus.' De witte wanden van de opeengestapelde kooien waren bevlekt met bloed. De bodems waren bezaaid met uiteengereten lichamen van dode muizen, in hun eigen darmen gewikkeld.

Margo keek naar binnen. 'U ziet dat van de vier muizen die oorspronkelijk in een hok zaten, er nog maar één in leven is.' 'Waarom heb je ze niet allemaal in een apart hokje gedaan?' vroeg D'Agosta.

Margo keek naar hem op. 'Het ging er nu juist om dat ze samen in een hok zaten. Ik wilde niet alleen fysieke veranderingen maar ook gedragsveranderingen bekijken.' 'Zo te zien zijn de zaken ietwat uit de hand gelopen.' Margo knikte. 'Al deze muizen hebben Mbwun-plant te eten gekregen, een lelie, en allemaal hebben ze een massale infectie met het reovirus opgelopen. Het is bijzonder ongebruikelijk dat een virus dat op mensen werkt, ook effect heeft op muizen. Normaal is een virus specifiek voor één soort. En let nu eens op.'

Terwijl Margo naar de bovenste kooi liep, sprong de overlevende muis naar haar op. Hij siste en klemde zich vast aan de tralies terwijl hij met zijn lange gele snijtanden wild om zich heen hapte. Margo stapte achteruit.

'Schattig,' zei D'Agosta. 'Een gevecht op leven en dood, zeker?' Margo knikte. 'Het meest verrassende is dat deze muis zwaar gewond is geraakt bij het gevecht. Maar kijk eens hoe goed zijn wonden al geheeld zijn. En als je in de andere hokken kijkt, zie je hetzelfde. De drug moet bijzonder verjongende of helende eigenschappen bezitten. Waarschijnlijk zijn ze geïrriteerd door het licht, maar we weten al dat de drug gevoelig maakt voor licht. Jen had een van de lampen aan gelaten en tegen de ochtend was de hele protozoënkolonie onder die lamp dood.'

Ze staarde even naar de kooien. 'Er is nog iets wat ik wil laten zien,' zei ze ten slotte. 'Jen, kun jij even helpen?'

Samen met de assistente plaatste Margo een tussenschot in de bovenste kooi zodat de overlevende muis aan één kant gevangenzat. Toen haalde ze snel met een lange forceps de resten van de dode muizen weg en liet die in een Pyrex-schaaltje vallen. 'Even snel kijken,' zei ze terwijl ze de stukjes naar het hoofdlab bracht en onder een groothoek-stereozoom plaatste. Ze keek door de lenzen en rommelde met een scalpel in de stukjes weefsel. D'Agosta zag hoe ze de achterkant van een kop opensneed, de huid van de schedel weghaalde en die zorgvuldig bekeek. Daarna sneed ze een stukje van de ruggengraat af en keek zorgvuldig naar de wervels. 'Zoals je kunt zien lijkt het normaal,' zei ze terwijl ze haar rug rechtte. 'Afgezien van de verjongende eigenschappen ziet het ernaar uit dat de belangrijkste veranderingen het gedrag betreffen, niet de morfologie. Althans, bij muizen. We kunnen er nog niet zeker van zijn, maar misschien is Kawakita er inderdaad in geslaagd om de drug uiteindelijk te temmen.'

'Ja,' zei D'Agosta. 'Toen het te laat was.'

'Dat vind ik zo eigenaardig. Kawakita moet het middel ingenomen hebben voordat hij dit stadium van de ontwikkeling bereikt had. Waarom nam hij zo'n risico, waarom probeerde hij het spul op zichzelf uit? Zelfs nadat hij het op andere mensen had getest, had hij niet zeker kunnen zijn. Het was niets voor hem om zo overhaast te werk te gaan.'

'Arrogantie,' zei D'Agosta.

'Arrogantie verklaart niet waarom je jezelf als proefdier gebruikt. Kawakita was een zorgvuldige wetenschapper, op het vervelende af. Het past gewoon niet bij hem.'

'Sommige van de meest onwaarschijnlijke mensen raken verslaafd,' zei D'Agosta. 'Dat zie ik aan de lopende band. Artsen. Verpleegsters. Politiemensen zelfs.'

'Dat kan.' Margo klonk niet overtuigd. 'Hoe dan ook, hier zijn de bacteriën en de protozoën die we met het reovirus hebben geïnjecteerd. Vreemd genoeg testen die allemaal negatief: amoeben, pantoffeldiertjes, raderdiertjes, alles. Behalve deze.' Ze schoof een verwarmde bak open zodat rijen Petrie-schaaltjes zichtbaar werden, overdekt met paarse agar. Glanzende bultjes ter grootte van een kwartje in ieder bakje met agar gaven aan dat daar koloniën van protozoën aan het groeien waren.

Ze pakte een van de schaaltjes. 'Dit is B. meresgerii, een eencellig diertje dat in zee leeft, in ondiep water aan de oppervlakte van kelp en zeewier. Meestal voedt het zich met plankton. Ik gebruik het vaak omdat het tamelijk mak is en bijzonder gevoelig voor chemicaliën.' Voorzichtig haalde ze een netje door de kolonie eencellige diertjes. Ze veegde het netje af aan een glazen plaatje en plaatste dat onder de microscoop. Ze stelde scherp en stapte achteruit zodat D'Agosta kon kijken.

Eerst zag D'Agosta niets, toen hij door de lens keek. Toen zag hij een aantal ronde, duidelijke klodders die koortsachtig met hun voelsprieten wuifden tegen een gerasterde achtergrond. 'Zei jij niet dat ze zo mak waren?' vroeg hij met zijn gezicht nog bij de lens.

'Dat zijn ze anders ook.'

Plotseling zag D'Agosta dat ze niet zomaar aan het zwaaien waren: de diertjes vielen elkaar aan, ze scheurden eikaars externe membranen door en gooiden zich in de openingen die daardoor ontstonden. 'En je zei toch ook dat ze plankton aten?'

'Ja, dat doen ze normaal ook,' antwoordde Margo. Ze keek hem aan. 'Griezelig, hè?'

'Zeg dat wel.' D'Agosta nam een stap naar achteren, innerlijk verbaasd dat het wilde gedrag van die piepkleine beestjes hem een onplezierig gevoel gaf.

'Ik dacht dat je dit wel zou willen zien.' Margo liep naar de microscoop en keek zelf nog eens. 'Want als ze van plan zijn om...' Ze stopte halverwege de zin en verstijfde, als aan de lens geplakt. 'Wat is er?' vroeg D'Agosta.

Een tijdlang reageerde Margo niet. 'Dat is gek,' mompelde ze uiteindelijk. Tegen haar assistente zei ze: 'Jen, wil jij een paar hiervan een druppeltje eosinophyl geven? En ik wil een radioactieve tracer om te kijken wat de oorspronkelijke leden van de kolonie zijn.' Margo gebaarde dat D'Agosta moest wachten en hielp de assistente bij de voorbereidingen voor de tracer. Uiteindelijk zette ze de hele behandelde kolonie onder de stereozoom. Het leek wel of ze een eeuwigheid lang in de microscoop bleef kijken, vond D'Agosta. Uiteindelijk kwam ze overeind, krabbelde een paar vergelijkingen in haar notitieboek en tuurde nogmaals door de lens. D'Agosta hoorde hoe ze iets zat te tellen.

'Deze protozoën,' zei ze na verloop van tijd, 'leven normaal gesproken een uur of zestien. Ze zitten hier al zesendertig uur. Wanneer je B. meresgerii incubeert bij zevenendertig graden Celsius, deelt hij zich iedere acht uur. Dus,' en ze wees op een differentiaalvergelijking in haar notitieboek, 'na zesendertig uur moet je een verhouding zien van zeven dode op negen levende protozoën.' 'En...?' vroeg D'Agosta.

'Ik heb net grofweg geteld en de verhouding is maar half zoveel.' 'En dat betekent?'

'Dat betekent dat B. meresgerii zich minder snel deelt, of dat...' Ze plakte haar oog weer tegen de microscoop en D'Agosta hoorde haar weer fluisterend tellen. Toen kwam ze overeind, langzamer ditmaal.

'Ze delen zich op normale snelheid,' zei ze zachtjes. D'Agosta voelde aan de sigaar in zijn borstzakje. 'En dat betekent?' 'Ze leven anderhalf maal zo lang,' zei ze op vlakke toon. D'Agosta keek haar even aan. 'Daar heb je Kawakita's motivatie,' zei hij met zachte stem.

Er werd zachtjes op de deur geklopt. Voordat Margo kon antwoorden, gleed Pendergast naar binnen. Hij knikte naar hen beiden. Hij was weer gekleed in een proper zwart pak, en zijn gezicht stond een beetje bleek en vermoeid, maar afgezien van een kleine schaafwond boven zijn linkerwenkbrauw was er niets merkbaar van zijn recente uitstapje.

'Pendergast!' zei D'Agosta. 'Dat werd tijd.'

'Inderdaad,' zei de FBI-agent. 'Ik had zo'n idee dat jij hier ook zou zitten, Vincent. Sorry dat ik zo lang niets heb laten horen. Het was een ietwat inspannender reis dan ik gedacht had. Ik had hier een halfuur geleden al kunnen zijn om te vertellen over mijn ontmoeting, maar ik vond het nogal essentieel om te douchen en me om te kleden.'

'Ontmoeting?' vroeg Margo ongelovig. 'Heb je ze gezien?' Pendergast knikte. 'Gezien, en dat niet alleen. Maar breng me alsjeblieft eerst op de hoogte van de gebeurtenissen boven de grond. Ik heb uiteraard gehoord van de metrotragedie, en ik heb de troepen in het blauw gezien, rennend alsof de duvel ze op de hielen zat. Maar ik blijk nogal wat gemist te hebben.'

Hij luisterde gespannen toen Margo en D'Agosta hem uitlegden over wat glaze deed, over Whittlesey en Kawakita en over het plan om de Astor Tunnels onder water te zetten. Hij onderbrak hen alleen om een paar vragen te stellen terwijl Margo de resultaten van haar proefnemingen uiteenzette.

'Dit is fascinerend,' zei hij ten slotte. 'Fascinerend en bijzonder verontrustend.' Hij ging aan een laboratoriumtafel zitten en sloeg een mager been over het andere. 'Ik zie een aantal onrustbarende parallellen met mijn eigen onderzoek. Kijk, er is een plek van samenkomst, diep in de Astor Tunnels. Die ligt in wat ooit het Kristallen Paviljoen was, het particuliere treinstation van het verdwenen Knickerbocker Hotel. Midden in het Paviljoen trof ik een eigenaardige hut aan, helemaal gemaakt van menselijke schedels. Naar die hut toe liepen talloze voetsporen. Niet ver daarvandaan stond iets wat eruitzag als een offertafel, samen met een aantal voorwerpen. Terwijl ik daarnaar stond te kijken, kwam een van die schepsels uit het donker te voorschijn.'

'Hoe zag hij eruit?' vroeg Margo bijna onwillig. Pendergast fronste. 'Moeilijk te zeggen. Zo dicht ben ik er niet bij geweest, en de nachtbril die ik bij me had, geeft geen goed beeld op afstand. Het leek een mens, of iets in die buurt. Maar de manier van lopen was... tja, op een of andere manier fóút.' Tegen zijn gewoonte in leek de FBI-agent geen woorden te kunnen vinden. 'Hij holde op een onnatuurlijk gehurkte manier en droeg iets bij zich dat volgens mij bedoeld was als een zoveelste bouwsteen voor de hut. Ik heb hem met een flits verblind en op hem geschoten, maar de bril kon het plotselinge licht niet aan en tegen de tijd dat ik weer kon zien, was hij weg.'

'Heb je hem geraakt?' vroeg D'Agosta.

'Volgens mij wel. Ik zag een bloedspoor. Maar tegen die tijd was ik eigenlijk wel gemotiveerd om weer naar boven af te reizen.' Hij keek naar Margo, één wenkbrauw geheven. 'Ik denk dat sommige van die schepsels ernstiger misvormd zijn dan andere. Hoe dan ook, drie dingen staan vast. Ze zijn snel. Ze kunnen in het donker zien. En ze zijn door en door slecht.'

'En ze leven in de Astor Tunnels.' Margo huiverde. 'Allemaal onder de invloed van glaze. Nu Kawakita dood is en de planten weg, zijn ze waarschijnlijk razend.' 'Daar ziet het wel naar uit,' zei Pendergast.

'En die hut die jij gezien hebt, was waarschijnlijk de plek waar Kawakita het spul uitdeelde,' vervolgde Margo. 'Tenminste tegen het eind, toen de dingen uit de hand begonnen te lopen. Maar het klinkt allemaal bijna ceremonieel.'

Pendergast knikte. 'Precies. Boven de ingang van de hut zag ik Japanse tekens staan, die ruwweg vertaald kunnen worden met "Woonplaats van de Asymmetrischen". Dat is een van de namen waarmee een Japans theehuis wordt omschreven.'

D'Agosta fronste zijn voorhoofd. 'Een theehuis? Dat snap ik niet.' 'Ik eerst ook niet. Maar hoe meer ik erover nadacht, des te meer besefte ik wat Kawakita gedaan moet hebben. De roji, de rij treden op regelmatige afstanden voor de hut. Het gebrek aan versieringen. Het simpele, onafgemaakte heiligdom. Dat zijn allemaal elementen van de theeceremonie.'

'Hij moet de plant gedistribueerd hebben door hem in water te laten trekken, net als thee,' zei Margo. 'Maar waarom zou hij al die moeite doen, tenzij...' Ze zweeg. 'Tenzij het ritueel zelf...' 'Precies wat ik ook dacht,' zei Pendergast. 'Na verloop van tijd moet Kawakita steeds meer moeite hebben gehad om de schepsels onder controle te houden. Op een gegeven moment verkocht hij de drug niet langer maar besefte hij dat hij hem gewoon moest leveren. Kawakita was toch ook antropoloog, nietwaar? Hij moet de kalmerende, de temmende invloed begrepen hebben van rituelen en ceremonieel.'

'Dus creërde hij een uitdelingsritueel,' zei Margo. 'Sjamanen in primitieve samenlevingen gebruiken dergelijke ceremoniën vaak om orde in te stellen en hun macht te behouden.'

'En hij nam de theeceremonie als basis,' zei Pendergast. 'Of dat eerbiedig of juist oneerbiedig bedoeld was, zullen we nooit weten. Hoewel ik zou denken dat het een cynische toevoeging van zijn kant was, gezien wat hij verder geleend heeft. Weet je nog van die verbrande aantekeningen die je in Kawakita's lab gevonden hebt?' 'Hier heb ik ze,' zei D'Agosta terwijl hij zijn notitieboek te voorschijn haalde en de blaadjes omsloeg voordat hij het aan Pendergast gaf. 'Ah, ja. Groene wolk, buskruit, lotushart. Groene thee in verschillende maten van zeldzaamheid.' Pendergast wees op D'Agosta's notitieboek. 'En die mestminnende blauwvoet. Zegt dat je iets, dr. Green?'

'Het zou wel moeten, maar helaas.'

Pendergasts lippen bewogen in een zwakke glimlach. 'Dat is niet één stof, maar twee. Wat leden van de Route 666-gemeenschap ongetwijfeld "paddo's" zouden noemen.'

'Natuurlijk!' Margo knipte met haar vingers. 'Caerulipes en coprop-hila:

'Ik volg het even niet meer,' zei D'Agosta.

'De blauwvoetige psilocybe en de mestminnende psilocybe,' zei Margo tegen de inspecteur. 'Twee van de meest hallucinogene paddestoelen die er zijn.'

'En dat andere spul, wysoccan,' mompelde Pendergast. 'Als ik het me goed herinner, was dat een rituele drank die de Algonquin-indianen gebruikten bij de ceremonie rond het volwassen worden van jongeren. Er zaten grote hoeveelheden scopolamine in. Een akelig hallucinogeen, dat een diepe verdoving oplevert.' 'Dus volgens jou is dit een boodschappenlijst?' vroeg D'Agosta.

'Misschien. Misschien wilde Kawakita zijn brouwsel op een of andere manier bijstellen, zodat de gebruikers handelbaarder werden.' 'Als je gelijk hebt, en als Kawakita de glaze-gebruikers onder controle wilde houden, waartoe diende dan die hut van schedels?' vroeg Margo. 'Ik zou denken dat zoiets juist een omgekeerd, opruiend effect zou hebben.'

'Dat is zo,' zei Pendergast. 'Er ontbreekt nog een groot stuk aan deze puzzel.'

'Een hut, helemaal gebouwd van mensenschedels,' mijmerde Margo. 'Weet je, daar heb ik al eens eerder van gehoord. Volgens mij stond er zoiets in Whittleseys dagboek.'

Pendergast keek haar schattend aan. 'O ja? Interessant.'

'Laten we in het archief kijken. We kunnen de computer op mijn kantoor gebruiken.'

De stralen van de namiddagzon schenen door het ene raam van Margo's overvolle kantoortje en hulde papieren en boeken in een mantel van goud. Terwijl Pendergast en D'Agosta toekeken, ging Margo aan haar bureau zitten, trok het toetsenbord naar zich toe en begon te typen.

'Het museum heeft vorig jaar subsidie gekregen om alle veldnotitie-boeken en dat soort documenten in een database te zetten,' zei ze. 'Als het een beetje meezit, vinden we het dagboek hier.' Ze liet zoeken op drie trefwoorden: Whittlesey, hut en schedels. Op het scherm verscheen de naam van één document. Margo haalde het snel op en bladerde door naar de op een na laatste dag. Bij het lezen van de woorden, die kil en onpersoonlijk op het computerscherm stonden, werd ze onweerstaanbaar herinnerd aan de gebeurtenissen van anderhalf jaar geleden, toen ze samen met Bill Smithback in een verduisterd museumkantoor zat en over de schouder van de journalist meekeek hoe hij gretig door het beschimmelde dagboek bladerde.


 

... Crocker, Carlos en ik gaan verder. Bijna meteen gestopt om krat opnieuw in te pakken. Specimenfles was gebroken. Ik pakte in en Carlos slenterde van het pad af, kwam bij de ruïne van een hut midden in een open plek. De hut bleek geheel en al van menselijke schedels gebouwd te zijn, vastgezet met menselijke pijpbeenderen die als schuttingpalen in de grond stonden. In de achterkant van iedere schedel was een splinterend gat geslagen. Midden in de hut een kleine offertafel, gemaakt van pijpbeenderen bijeengehouden met pezen. Beeldje gevonden op tafel, samen met een paar eigenaardig gevormde stukken hout.


 

Maar ik loop op de zaken vooruit. We haalden spul op voor onderzoek, maakten het krat weer open en haalden gereedschapstas eruit. Voordat we hut konden onderzoeken kwam oude Indiaanse vrouw uit de bosjes. Ze strompelde, ziek of dronken, dat viel niet te zeggen, wees op krat, luid huilend...


 

'Zo is het wel genoeg,' zei Margo, abrupter dan ze bedoeld had, en ze haalde de tekst van het scherm. Het laatste waaraan ze nu nog behoefte had, was een zoveelste herinnering aan de nachtmerrie die dat krat bevat had.

'Heel eigenaardig,' zei Pendergast. 'Misschien moeten we eens opsommen wat we tot nu toe weten.' Hij zweeg even en begon toen de diverse elementen op zijn slanke vingers af te tellen. 'Kawakita maakte een drug die glaze genoemd wordt, testte die uit op anderen en gebruikte toen zelf een verbeterde versie. De ongelukkige gebruikers, misvormd door de drug en steeds lichtschuwer, gingen onder de grond. Ze werden wild en begonnen de ondergrondse daklozen te vermoorden. In het kielzog van Kawakita's dood en het verlies van de glaze-toevoer, worden ze steeds stoutmoediger in hun zoektocht naar prooi.'

'En we weten waarom Kawakita zelf de drug gebruikt heeft,' zei Margo. 'Het spul schijnt verjongend te werken en iemands leven te kunnen verlengen. De wezens onder de grond hadden een vroegere versie gekregen van de drug die hij zelf gebruikt had. En het schijnt dat hij het spul nog verder verbeterde nadat hij het zelf was gaan gebruiken. De dieren in mijn lab vertonen geen enkele fysieke afwijking. Maar zelfs de meest verfijnde versie heeft negatieve bijwerkingen: kijk maar eens hoe agressief en moordlustig de muizen en zelfs de protozoën ervan werden.'

'Maar dan zitten we nog met drie vragen,' zei D'Agosta plotseling. Ze draaiden zich om en keken hem aan.

'Ten eerste, waarom hebben die dingen hem vermoord? Want het lijkt me duidelijk dat het zo gegaan is.'

'Misschien waren ze niet meer in de hand te houden,' zei Pendergast. 'Of misschien werden ze vijandig, omdat ze hem zagen als de oorzaak van hun ellende,' voegde Margo daaraan toe. 'Of misschien was het een machtsstrijd tussen hem en een van de wezens. Weet je nog wat hij in zijn notitieboek schreef: "Die ander wordt met de dag gretiger." '

'Ten tweede, hoe zit dat met die andere opmerking in zijn notitieboek: over dat onkruidbestrijdingsmiddel, thyoxine? Dat lijkt nergens in te passen. Of die vitamine D die hij volgens jou aan het maken was?'

'En vergeet niet dat Kawakita ook het woord "onherstelbaar" had genoteerd,' zei Pendergast. 'Misschien had hij uiteindelijk beseft dat hij niet meer ongedaan kon maken wat hij gedaan had.' 'En dat zou dan die wroeging verklaren waarover hij in zijn notitieboek schrijft,' zei Margo. 'Kennelijk had hij zich geconcentreerd op een manier om de drug vrij te maken van fysieke veranderingen. Maar daarbij had hij uit het oog verloren wat voor psychische bijwerkingen die nieuwe versie had.'

'Ten derde en laatste,' ging D'Agosta verder, 'waarom moest hij in hemelsnaam die hut van schedels bouwen waarover Whittlesey het in zijn dagboek heeft?' Na die vraag bleef iedereen zwijgen.

Uiteindelijk zuchtte Pendergast. 'Je hebt gelijk, Vincent. Ik zie het nut van die hut ook absoluut niet in. Evenmin als die vreemde stukjes metaal die ik op de offertafel vond.' Pendergast haalde de voorwerpjes uit de zak van zijn jasje en legde ze op Margo's werktafel. D'Agosta pakte ze meteen op en bekeek ze zorgvuldig. 'Kunnen het niet gewoon stukjes afval zijn?' vroeg hij. Pendergast schudde zijn hoofd. 'Ze waren zorgvuldig, zorgzaam zelfs, neergelegd,' zei hij. 'Als relieken in een reliekschrijn.' 'Een wat?'

'Een reliekschrijn. Een ding waarin heilige voorwerpen worden uitgestald of bewaard.'

'Nou, zo heilig zien ze er in mijn ogen niet uit. Het lijken wel stukken van een dashboard. Of van een of ander apparaat of zo.' D'Agosta wendde zich tot Margo. 'Enig idee?'

Margo stond op van haar computer en liep naar de werktafel. Ze pakte een stukje, bekeek het even en legde het weer weg. 'Dit kan van alles zijn,' zei ze en ze pakte een ander brokje op, een metalen buis waarvan een uiteinde een rubber omhulsel had. 'Van alles,' stemde Pendergast in. 'Maar ik heb het gevoel, dr. Green, dat als we weten wat dit zijn, en waarom die dingen keurig op een stenen tafel honderd meter onder New York liggen, dat we dan de oplossing van het raadsel hebben.'