22

Margo opende de deur naar het laboratorium voor forensische pathologie en zag tot haar tevredenheid dat er nog niemand in het donkere vertrek was. Deze ochtend had ze voor het eerst kans gezien om eerder op het werk te zijn dan dr. Brambell. Meestal zat hij al op een kruk wanneer zij aankwam, met een kop museumkoffie, en trok hij bij wijze van begroeting zijn smalle wenkbrauwen op. Dan merkte hij op dat het museum zijn koffie waarschijnlijk zette met tweedehands formaldehyde, geleend van de afdeling waar dierlijkjes bewaard werden. Op andere ochtenden was Frock ook al aanwezig en zaten de twee geleerden, over een tafel of een rapport heen gebogen hun gebruikelijke, beleefd geformuleerde ruzie voort te zetten.

Ze slingerde haar tas in een la en trok haar labkleding aan terwijl ze naar het venster liep. De zon was opgekomen boven de gebouwen van Fifth Avenue en de schitterende gevelrij baadde in tinten goud en koper. Onder het venster was het park wakker aan het worden: moeders met kinderen op weg naar de dierentuin, joggers die over de lange ovale baan rond het grote meer liepen. Haar blik gleed naar het zuiden en kwam uiteindelijk uit bij de purperen massa van Belvedere Castle. Ze huiverde even toen ze naar het donkere, beboste gebied daarachter keek waar Nicholas Bitterman op gewelddadige wijze aan zijn einde gekomen was. Later die ochtend, wist ze, zou zijn onthoofde lijk in het lab aankomen.

De deur ging open en dr. Frock reed naar binnen, een groot silhouet tegen het halfduister van het lab. Toen hij het zonlicht inkwam, draaide Margo zich om om hem te begroeten. Maar haar woorden verstomden toen ze de uitdrukking op zijn gezicht zag. 'Dr. Frock?' vroeg ze. 'Is er iets?'

Hij kwam langzaam naar haar toe, zijn normaal roodgekleurde gezicht betrokken en bleek.

'Ik heb tragisch nieuws,' zei hij op zachte toon. 'Vanochtend heel vroeg kreeg ik een telefoontje. Simon Brambell is gisteravond op weg van het museum naar huis vermoord.'

Margo fronste en hield haar adem even in. 'Simon Brambell?' herhaalde ze niet-begrijpend.

Frock reed dichterbij en pakte haar hand. 'Ik vind het naar dat ik het je moet vertellen, meiske,' zei hij. 'Het is allemaal zo verschrikkelijk plotseling.' 'Maar hoe dan?' vroeg Margo.

'Het schijnt dat iemand hem is aangevallen op 81st Street,' zei Frock. 'Zijn hals was afgesneden. Maar verder...' Frock spreidde zijn handen, en Margo zag dat die trilden van emotie. Het leek onwerkelijk, een soort droom; ze kon niet geloven dat de man die de vorige middag nog voor dat gigantische scherm had gestaan, de afstandsbediening rondzwaaiend als een samoeraizwaard, nu dood was.

Frock zuchtte. 'Misschien wist jij het niet, Margo, maar Simon en ik waren het niet altijd met elkaar eens. We hadden weleens professionele meningsverschillen. Maar ik had een groot respect voor hem. Dit is een zwaar verlies voor de anatomisch-pathologische dienst. En voor ons werk, nu dat in een kritieke fase verkeert.' 'Ons werk,' echode Margo automatisch. Ze zweeg even. 'Maar wie heeft het gedaan?' 'Er zijn geen getuigen.'

Even bleven ze roerloos staan, Frocks hand warm en geruststellend op de hare. Toen gleed hij langzaam weg. 'Ik weet niet wie we als vervanger zullen krijgen, als we al een vervanger krijgen,' zei hij. 'Maar ik denk dat Simon had gewild dat we verder zouden gaan in de geest waarin hij begonnen was.' Hij reed naar de andere kant van het vertrek en knipte de hoofdverlichting aan zodat het midden van de zaal in licht gebaad werd. 'Ik heb werk altijd de beste remedie gevonden tegen verdriet.' Langdurig bleef het stil. Toen zuchtte hij, alsof hij zich ertoe moest zetten om verder te gaan. 'Zou jij kadaver A uit de koeling willen halen? Ik heb een theorie over een mogelijke aangeboren afwijking die voor die vergroeiingen gezorgd kan hebben. Tenzij jij vandaag vrij wilt?' Hij trok zijn wenkbrauwen op. 'Nee,' zei Margo hoofdschuddend. Frock had gelijk. Brambell zou gewild hebben dat ze doorgingen. Langzaam kwam ze overeind en stak ze het vertrek over. Ze knielde, opende een kastdeur en trok de lange metalen bak eruit. Het ongeïdentificeerde lijk dat erop lag was teruggebracht tot niet meer dan een reeks onregelmatige hobbels onder het blauwe laken. Ze plaatste het op een brancard en reed die onder het licht.

Frock trok voorzichtig het laken weg en begon aan het minutieuze karwei van het opmeten van de handbeentjes van het vervormde skelet met een elektronische schuifmaat. Met een griezelig gevoel van onwerkelijkheid ging Margo een zoveelste set MRI-scans zitten bekijken. Er viel een lange stilte in het lab. 'Heb jij enig idee waar Simon het gisteren over had, die aanwijzing?' vroeg Frock uiteindelijk.

'Wat zegt u?' zei Margo terwijl ze opkeek. 'O, dat. Nee, geen idee. Hij heeft er nooit iets over gezegd. Ik was even verbaasd als u.' 'Jammer,' zei Frock. 'Voor zover ik weet, heeft hij er ook geen aantekeningen van gemaakt.' Weer bleef hij een tijdlang zwijgen. 'Dit is een verschrikkelijke klap, Margo,' zei hij ten slotte zachtjes. 'Misschien komen we er wel nooit achter wat hij ontdekt had.' 'Niemand maakt ooit plannen terwijl hij er rekening mee houdt dat hij de volgende dag dood zal zijn.' Frock schudde zijn hoofd. 'Simon was geen haar anders dan de meeste andere patholoog-anatomen die ik gekend heb. Spannende zaken die in de publieke belangstelling staan, zoals deze, komen zelden voor, en als het al eens gebeurt... tja, dan willen ze weleens toegeven aan hun gevoel voor dramatiek.' Plotseling keek hij op zijn horloge. 'O, jee. Ik was bijna vergeten dat ik een afspraak heb bij Osteologie. Margo, zou jij misschien even willen ophouden met je werk en hier verdergaan. Misschien komt het door het tragische nieuws, of misschien heb ik gewoon te lang naar die botten zitten staren, maar volgens mij kan dit hier wel een frisse blik gebruiken.'

'Natuurlijk,' zei Margo. 'Waar bent u precies naar op zoek?' 'Wist ik dat maar. Ik weet heel zeker dat deze persoon een aangeboren ziekte had. Ik wil de morfologische veranderingen in kaart brengen om te zien of er een genetische verschuiving is. Helaas betekent dat dat bijna ieder botje in het lichaam moet worden opgemeten. Ik wilde maar beginnen met de pols- en vingerbotten, want zoals je weet zijn die het meest onderhevig aan genetische afwijkingen.' Margo keek naar de onderzoekstafel. 'Dat kan dagen in beslag nemen,' zei ze.

Frock haalde geïrriteerd zijn schouders op. 'Dat weet ik maar al te goed, meiske.' Hij greep de armleuningen van zijn rolstoel en duwde zichzelf met een ferme beweging richting deur. Vermoeid begon Margo ieder botje met de elektronische schuifmaat op te meten en de maten in te voeren op het toetsenbord van de computer. Zelfs voor de kleinste botjes waren wel tien metingen nodig en al gauw liep er een lange rij cijfers over het scherm. Ze probeerde haar geduld te bewaren bij het saaie werk in de grafachtige stilte van het lab. Als Frock gelijk had en de afwijking aangeboren was, zou dat hun zoektocht naar de identiteit van het lichaam in hoge mate vergemakkelijken. En in het huidige stadium konden ze alle aanwijzingen gebruiken die ze vinden konden: de skeletten uit het lab voor fysische antropologie hadden niets opgeleverd. Terwijl ze aan het werk was, betrapte ze zich op de vraag wat Brambell hiervan gevonden zou hebben. Maar de gedachte aan Brambell was te verschrikkelijk. Te bedenken dat hij overvallen en vermoord was... Ze schudde haar hoofd en dwong zich aan andere dingen te denken. Het plotselinge geluid van de telefoon deed haar opschrikken uit een uitzonderlijk gecompliceerde meting. Weer klonk het geluid, twee korte pieptonen, en ze besefte dat het een buitenlijn was. Waarschijnlijk D'Agosta, die belde over dr. Brambell. Ze nam op. 'Forensisch.'

'Is dr. Brambell daar?' vroeg een jong klinkende, afgemeten stem. 'Dr. Brambell?' Margo's gedachten raceten door haar hoofd. Kon het een familielid zijn? Wat moest ze zeggen? 'Hallo?' kwam de stem.

'Ja, ja,' zei Margo. 'Dr. Brambell kan niet aan de telefoon komen. Kan ik u helpen?'

'Dat weet ik niet zeker. Het is vertrouwelijk. Mag ik vragen met wie ik spreek?'

'Mijn naam is dr. Green,' zei Margo. 'Ik assisteer hem.' 'Aha! Dan is het goed. Ik ben dr. Cavalieri van St-Luke's in Baltimore. Ik heb de patiënt gevonden waarnaar hij op zoek is.' 'Patiënt?'

'Ja, die man met spondylolisthese.' Margo hoorde het geblader van papier aan de andere kant van de lijn. 'Dat zijn wel een paar heel bizarre röntgenfoto's die jullie me gestuurd hebben. Ik dacht eerst dat het een grap was. Ik had er bijna overheen gekeken.' Margo grabbelde naar potlood en papier. 'U kunt maar beter met het begin beginnen.'

'Prima,' kwam de stem. 'Ik ben orthopedisch chirurg in Baltimore. Er zijn maar drie van ons die corrigerende operaties uitvoeren om spondylolisthese te verminderen. Dat wist dr. Brambell uiteraard.' 'Spondylolisthese?'

Er viel een stilte. 'U bent geen arts?' vroeg Cavalieri met plotseling afkeurende stem.

Margo haalde diep adem. 'Dr. Cavalieri, ik denk dat ik het maar moet zeggen. Dr. Brambell is... eh, hij is gisteravond overleden. Ik ben evolutionair bioloog en ik help hem bij de analyse van een aantal stoffelijke overschotten van moordslachtoffers. Nu dr. Brambell niet langer hier is, zult u mij alles moeten vertellen.' 'Overleden? En ik heb hem gisteren nog gesproken?' 'Het was bijzonder plotseling,' zei Margo. Ze wilde niet verder in details treden.

'Maar dat is verschrikkelijk. Dr. Brambell was in het hele land bekend, om nog maar te zwijgen van Engeland...' De stem stierf weg. Margo hield de zwijgende telefoon aan haar oor en dacht aan de laatste keer dat ze de patholoog-anatoom gezien had: voor in de Linnaeus Hall, met een duivelse glimlach, zijn ogen flitsend achter de hoornen bril.

Aan de andere kant van de lijn klonk een zucht. 'Een spondylolisthese is een breuk met afglijding van een van de lumbale wervels. Die corrigeren we door een metalen plaatje op de ruggengraat te bevestigen door middel van verstelbare schroefjes. Wanneer de schroeven in de plaat worden aangedraaid, wordt de gebroken wervel weer op zijn plaats getrokken.'

'Ik geloof niet dat ik het verband zie,' zei Margo.

'Weet u nog van die vier witte driehoekjes op de röntgenfoto's die dr. Brambell mij gestuurd heeft? Dat zijn de aanhechtpunten voor de schroeven. Deze man is geopereerd wegens spondylolisthese. Er zijn maar heel weinig chirurgen die die operatie uitvoeren, en daardoor is de patiënt gemakkelijk te traceren.'

'Aha,' zei Margo.

'Ik weet dat de persoon op deze röntgenfoto een patiënt van mij is, en wel hierom,' vervolgde Cavalieri. 'Het is te zien dat deze moeren gemaakt zijn bij Steel-Med Products in Minneapolis, die er in 1989 mee opgehouden zijn. Ik heb een stuk of dertig operaties uitgevoerd met schroeven van Steel-Med. Daarbij heb ik mijn eigen techniek gebruikt: ik plaats de schroeven op een speciale manier achter het processus transversalis van de tweede lumbale wervel. Ik mag wel zeggen, een tamelijk briljante techniek. U kunt er alles over lezen in het najaarsnummer van het Journal of American Orthopedics uit 1987, als het u interesseert. Daarmee bleef het bot beter op zijn plaats, ziet u, en was minder botvergroeiing nodig. Uiteraard raakte de methode achterhaald toen de Steinmann-procedure ontwikkeld was. Uiteindelijk was ik de enige die nog op deze manier werkte.' Margo hoorde de trots in de stem van de arts.

'Maar nu komt het raadsel: ik ken niet één chirurg die het corrigerende plaatje bij dit soort spondylolisthese zou verwijderen. Dat gebeurt gewoonweg niet. Maar op deze röntgenfoto's is duidelijk te zien dat mijn patiënt het plaatje en de schroeven had laten verwijderen, god weet waarom, zodat alleen de aanhechtpunten overbleven. Die kun je uiteraard niet weghalen, die zitten vast in het bot. Maar waarom die vent de zaak had laten weghalen...' Zijn stem stierf weg. Margo maakte driftig aantekeningen. 'Gaat u verder.' 'Zoals ik al zei, toen ik die foto's zag wist ik meteen dat het een patiënt van mij was. Ik was echter verbijsterd over de toestand van het skelet. Die woekerende botgroei. Ik wist dat ik nooit iemand geopereerd had die er zo aan toe was.' 'De botgroei heeft dus naderhand plaatsgevonden?' 'Absoluut. Hoe dan ook, ik heb mijn dossiers erop nageslagen en op basis van de röntgenfoto's kon ik de patiënt identificeren. Ik heb de operatie uitgevoerd in de ochtend van 2 oktober 1988.' 'En wie was de patiënt?' vroeg Margo, potlood in de aanslag. Uit haar ooghoek zag ze dat Frock weer binnengekomen was en met gespitste oren op haar toe reed.

'Dat staat hier ergens.' Ze hoorde weer het geritsel van papier. 'Ik zal u de gegevens doorfaxen, uiteraard, maar u zult beslist willen... ah, hier heb ik hem. De naam van de patiënt was Gregory S. Kawakita.'

Margo voelde haar bloed bevriezen. 'Greg Kawakita?' bracht ze uit. 'Ja, Gregory S. Kawakita. Dr. Geen twijfel mogelijk. Grappig, hier staat dat hij ook evolutionair bioloog was. Kende u hem misschien?' Margo hing de telefoon op, niet in staat een woord uit te brengen. Eerst dr. Brambell, en nu... Ze wierp een blik op Frock en zag tot haar schrik dat zijn gezicht asgrauw was geworden. Hij hing scheef naar één kant in zijn rolstoel, een hand tegen zijn borst geklemd, zwaar ademend.

'Gregory Kawakita?' hijgde hij. 'Dit is Gregory? O, mijn heer.' Zijn ademhaling werd rustiger. Hij deed zijn ogen dicht en liet langzaam zijn hoofd op zijn borst zakken. Margo draaide zich snel om en holde naar het raam terwijl ze haar tranen inslikte. Automatisch keerden haar gedachten terug naar die vreselijke week, anderhalf jaar geleden, toen de moorden in het museum begonnen waren. Daarna de opening van de Superstition-tentoonstelling, de slachtpartij en uiteindelijk het doden van Mbwun. Greg Kawakita was assistent-curator geweest bij het museum, een collega van haar, een student van Frock. Meer dan wie ook had Greg bijgedragen aan het identificeren en tegenhouden van het monster. Dankzij zijn programma voor genetische extrapolatie hadden ze de sleutel gevonden die hun had verteld wat Mbwun was en hoe hij kon worden gedood. Maar de dodelijke angst die daarop gevolgd was, had op niemand zijn uitwerking gemist, vooral Greg was hevig aangedaan geweest. Korte tijd later was hij weggegaan bij het museum en had een briljante loopbaan afgebroken. Sindsdien had niemand iets van hem gehoord.

Alleen zij. Hij had geprobeerd haar te bereiken, had een aantal maanden geleden een bericht achtergelaten op haar antwoordapparaat. Hij had gezegd dat hij iets nodig had, dat zij hem moest helpen. Ze had niet eens de moeite genomen om terug te bellen. En nu kon ze wel raden waarom hij het museum verlaten had: hij had geleden aan een vreselijke ziekte die zijn botten misvormde en hem langzaam aan veranderd had in het verwrongen skelet op de brancard. Hij moest zich geschaamd hebben, bang geweest zijn. Misschien was hij op zoek geweest naar genezing. Misschien was hij tegen het einde wel dakloos geworden. En toen was dan de ultieme vernedering gekomen, die een eind gemaakt had aan een leven dat zo veelbelovend geleken had: moord, onthoofding, het koortsachtig kluiven op botten in het donker.

Ze staarde het raam uit, huiverend in de warme zon. Hoe hij ook aan zijn einde gekomen was, het moest afgrijselijk zijn geweest. Misschien had ze hem kunnen helpen, als ze het geweten had. Maar ze was veel te druk geweest met pogingen om alles zelf te vergeten, ze had zich op de fitness en op haar werk gestort. En ze had niets gedaan.

'Dr. Frock?' riep ze.

Achter zich hoorde ze het gestommel van de rolstoel. 'Dr. Frock...' fluisterde ze, niet in staat om verder te spreken. Ze voelde een vriendelijke hand op haar elleboog, trillend van emotie.

'Laat me even nadenken,' zei Frock. 'Even maar. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? De gedachte dat die zielige hoop botten... die we hebben bekeken, waar we aan hebben zitten plukken, die we uit elkaar gehaald hebben... dat dat Gregory kon zijn...' Zijn stem brak. Een lichtstraal scheen door het venster en verlichtte de hand die van haar elleboog gleed.

Margo stond roerloos en sloot haar ogen tegen het licht. Ze voelde de zuurstof haar longen in en uit stromen. Na verloop van tijd voelde ze zich in staat om zich van het raam af te keren. Maar niet naar de onderzoekstafel; ze wist niet of ze wat op die tafel lag ooit nog onder ogen zou kunnen zien. In plaats daarvan wendde ze zich tot Frock. Die zat achter haar, zijn ogen droog, zijn blik veraf. 'We moesten D'Agosta maar bellen,' zei ze.

Lange tijd bleef Frock zwijgen. Toen knikte hij zwijgend en instemmend.