6

In een rokerige uithoek van de Cat's Paw Bar perste Smithback zichzelf in een smalle telefooncabine. In een hand hield hij zijn glas in evenwicht en terwijl hij in het schemerlicht naar de toetsen tuurde, belde hij het nummer van zijn kantoor. Hij vroeg zich af hoeveel berichten er nu weer voor hem zouden zijn.

Smithback twijfelde er niet aan dat hij een van de beste journalisten van New York was. Waarschijnlijk dé beste. Anderhalf jaar geleden had hij het verhaal van de museumbeestmoorden aan het licht gebracht. En niet op de normale, slappe, afstandelijke manier: hij had aan de zijde van D'Agosta en de anderen gestaan, hij had gevochten, die nacht in april. Dankzij het boek dat al snel volgde, had hij zijn aanstelling als misdaadverslaggever bij de Post gekregen. Nu was dat gedoe met Wisher opgedoken, en geen seconde te vroeg. Grote verhalen waren schaarser dan hij had gedacht, en altijd waren er anderen die probeerden hem de loef af te steken, zoals die vlek-op-de-muur van een Bryce Harriman, misdaadreporter voor de Times. Maar als hij dit slim aanpakte, kon het even groot worden als het Mbwun-verhaal. Misschien nog wel groter.

Een groot journalist, mijmerde hij terwijl hij luisterde hoe de telefoon overging, past zich aan aan de geboden opties. Neem het Wisher-verhaal. Hij was totaal onvoorbereid geweest op de moeder. Dat was een indrukwekkende dame. Smithback was in verlegenheid gebracht en merkte dat hij diepbewogen was. Aangevuurd door die hem onbekende emoties had hij voor die ochtend een nieuw artikel geschreven, waarin Pamela Wisher werd beschreven als de Engel van Central Park South en waarin haar dood in tragische kleuren werd afgeschilderd. Maar de werkelijke geniale inval was de beloning van honderdduizend dollar geweest voor aanwijzingen die tot arrestatie van de moordenaar zouden leiden. Het idee was bij hem opgekomen terwijl hij midden in het verhaal zat; hij had het half afgeschreven stuk en zijn idee voor een beloning rechtstreeks naar het kantoor van de nieuwe Post-redacteur, Arnold Murray, gebracht. De man vond het geweldig en had het meteen goedgekeurd, zonder de uitgever te raadplegen. Ginny, de secretaresse, kwam opgewonden aan de lijn. Twintig telefoontjes over de beloning, geen van alle iets waard. 'Is dat alles?' vroeg Smithback teleurgesteld.

'Nou, er is iemand voor u geweest, een héél eigenaardig type,' ratelde de secretaresse verder. Ze was klein van stuk en mager, woonde in Ronkonkoma en was verliefd op Smithback. 'Ja?'

'Hij had alleen maar vodden aan en hij stonk. God, ik kon amper ademhalen. En hij leek wel, tja, stoned of zo.' Dit kon weieens een goede tip zijn, dacht Smithback opgewonden. 'Wat wilde hij?'

'Hij zei dat hij informatie had over de moord op Wisher. Hij vroeg of u hem wilde ontmoeten in de mannentoiletten van Penn Station...' Bijna liet Smithback zijn glas vallen. 'In de toiletten? Dat meen je niet.'

'Dat zei hij. Denk je dat hij een seksuele afwijking heeft?' In haar stem klonk onverholen genoegen door. 'Welke toiletten?'

Hij hoorde het schuiven van papieren. 'Hier heb ik het. Noordzijde, laagste verdieping, net links van de lift bij spoor twaalf. Om acht uur vanavond.'

'Wat voor informatie had hij precies?' 'Verder heeft hij niets gezegd.'

'Bedankt.' Hij hing op en keek op zijn horloge: kwart voor acht. De mannentoiletten van Penn Station? Ik moet krankzinnig of wanhopig zijn, dacht hij, om achter zo'n aanwijzing aan te gaan.


 

Smithback was nog nooit in de toiletten van Penn Station geweest. Hij kende ook niemand die daar ooit binnen zou gaan. Toen hij de deur opende naar een gigantisch, oververhit vertrek waar je bijna stikte door de stank van urine en verschaalde diarree, bedacht hij dat hij nog liever in zijn broek zou piesen dan de toiletten van Penn Station gebruiken. Hij was vijf minuten te laat. Waarschijnlijk is hij al weg, dacht Smithback dankbaar. Als hij er al ooit geweest is. Hij stond net op het punt om weer naar buiten te vluchten toen hij een rauwe stem hoorde. 'William Smithback?'

'Wat?' Smithback keek snel om zich heen door de verlaten ruimte. Toen zag hij in het verste hokje twee benen omlaag komen. De deur ging open. Een kleine, magere man stapte naar buiten en liep op onvaste benen naar hem toe. Zijn lange gezicht was smerig, zijn kleren donker van vuil en vet, zijn haar vervilt en in angstaanjagende vormen geklit. Een baard met een ondefinieerbare kleur hing in twee punten tot bijna op zijn navel, die te zien was door een lange, rafelige scheur in zijn hemd.

'William Smithback?' herhaalde de man terwijl hij met glazige ogen naar hem keek. 'Wie anders?'

Zonder iets te zeggen keerde de man zich om en liep terug naar de achterwand van de toiletruimte. Bij het laatste open hokje draaide hij zich om en bleef hij staan wachten.

'Jij had informatie voor mij?' vroeg Smithback.

'Meekomen.' Hij gebaarde weer naar het hokje.

'Had je gedacht,' zei Smithback. 'Als je met mij wilt praten, dan kan dat hier, maar ik ga daar niet met jou naar binnen, maat.'

De man gebaarde weer. 'Maar zo komen we er.'

'Waar?'

'Beneden.'

Behoedzaam liep Smithback op het hokje af. De man was naar binnen gestapt en stond achter het toilet. Hij was bezig een groot stuk geverfd metaal los te wrikken dat, zag Smithback nu, een rafelig gat in de smerige tegelwand afdekte. 'Daarin?' vroeg Smithback. De man knikte. 'Waar komen we dan uit?' 'Beneden,' herhaalde de man.

'Vergeet 't maar,' zei Smithback. Hij begon achteruit te deinzen. De man bleef hem strak aankijken. 'Ik moet jou naar Mefisto brengen,' zei hij. 'Die moet jou spreken over de moord op dat meisje. Hij weet belangrijke dingen.' 'Laat me niet lachen.'

De man bleef hem aanstaren. 'Je kunt me vertrouwen,' zei hij simpelweg.

Op een of andere manier, ondanks het vuil en de glazige blik, merkte Smithback dat hij de man geloofde. 'Wat voor dingen?' 'Je moet met Mefisto praten.' 'Wie is Mefisto?'

'Onze leider.' De man haalde zijn schouders op alsof er geen nadere uitleg nodig was.

'Onze?'

De man knikte. 'Van de gemeenschap van Route 666.' Ondanks zijn onzekerheid voelde Smithback een prikkeling van opwinding. Een ondergrondse, georganiseerde gemeenschap? Dat was op zich al een schitterend artikel. En als die Mefisto echt iets wist over de moord op Wisher... 'Waar zit die gemeenschap van Route 666?' vroeg hij.

'Dat kan ik niet zeggen. Maar ik zal het je laten zien.'

'En jij heet...?' vroeg hij.

'Ik word Staartschutter genoemd,' zei de man met even een flits van trots in zijn ogen.

'Luister,' zei Smithback, 'ik zou graag met je meegaan, maar je kunt toch niet verwachten dat ik zo'n hol binnenkruip. Ik kan wel in een hinderlaag gelokt worden, beroofd, wat dan ook.' De man schudde krachtig zijn hoofd. 'Ik bescherm je. Iedereen weet dat ik Mefisto's belangrijkste loper ben. Je bent veilig.' Smithback keek de man indringend aan: een vlies over de ogen, een lopende neus, een smerige tovenaarsbaard. Die man was helemaal naar het kantoor van de Post gekomen. Dat was heel wat voor iemand die er zowel blut als dakloos uitzag.

Toen kwam het zelfgenoegzame gezicht van Bryce Harriman voor zijn geestesoog zweven. Hij stelde zich voor hoe Bryces redacteur bij de Times hem keer op keer zou vragen hoe het kwam dat Smithback als eerste het verhaal te pakken had gekregen. Dat idee stond hem wel aan.

De man die Staartschutter genoemd werd, hield het grote stuk blik vast terwijl Smithback het gat in klom. Toen ze beiden binnen waren, plaatste hij het zorgvuldig terug en zette het vast met een paar losse bakstenen.

Smithback keek om zich heen en zag dat hij in een lange, smalle tunnel stond. Water- en stoombuizen liepen als grijze aders langs het plafond. De tunnel was laag, maar niet zo laag dat iemand van Smithbacks lengte er niet rechtop kon staan. Om de honderd meter zaten er roosters in het plafond, waardoor avondlicht naar binnen filterde. De verslaggever volgde de gebogen, kleine gestalte die in de schemering voor hem uit liep. Af en toe werd de bedompte ruimte gevuld met het gerommel van een trein boven hun hoofden. Smithback voelde het geluid eerder in zijn botten dan hij het hoorde met zijn oren. Ze liepen in noordelijke richting door wat een eindeloze tunnel leek. Na een minuut of tien, vijftien begon Smithback zich enige zorgen te maken. 'Sorry hoor,' zei hij, 'maar waarom moeten we zo ver lopen?' 'Mefisto houdt de dichtstbijzijnde ingangen naar onze gemeenschap geheim.'

Smithback knikte en liep met een wijde boog om het opgezwollen lijk van een hond heen. Het was niet verwonderlijk dat die tunnelbewoners lichtelijk paranoïde waren, maar dit was belachelijk. Ze hadden langzamerhand ver genoeg naar het noorden gelopen om onder Central Park te zitten.

Even later maakte de tunnel een flauwe bocht naar rechts. Smithback ontwaarde een rij stalen deuren in de dikke betonnen muur. Aan het plafond hing een grote buis met een isolatielaag waar water af droop. Op het isolatiemateriaal stond: GEVAAR: BEVAT ASBESTVEZELS, VOORKOM STOFVORMING. VERHOOGT DE KANS OP KANKER EN LONGZIEKTEN. Staartschutter bleef staan en groef met een hand in zijn vodden. Hij haalde een sleutel te voorschijn en plaatste die in het slot van de dichtstbijzijnde deur.

'Hoe kom jij aan die sleutel?' vroeg Smithback. 'Wij van de gemeenschap kennen een groot aantal ambachten,' antwoordde de man terwijl hij de deur opentrok en de journalist naar binnen gebaarde.

Toen de deur achter Smithbacks rug dichtsloeg, holde het nachtzwart hem tegemoet. Hij voelde een plotselinge paniek toen tot hem doordrong hoezeer hij instinctief vertrouwd had op het schemerlicht dat door de roosters omlaag gefilterd was. 'Heb je geen zaklamp?' stamelde hij.

Er klonk een schrapend geluid, toen de flakkering van een houten lucifer. In het dansende licht zag Smithback een reeks cementen traptreden die afdaalden tot waar het licht reikte. Staartschutter maakte een polsbeweging en de lucifer ging uit. 'Zo goed?' kwam de vlakke stem. 'Nee,' zei Smithback snel. 'Steek er nog een aan.' 'Als dat nodig is.'

Smithback liep op de tast de trap af, zijn handen uitgespreid op de koele gladde wanden voor evenwicht. Ze daalden af, een eeuwigheid lang naar het scheen. Plotseling gloeide er een tweede lucifer en Smithback zag dat de trap eindigde in een enorme spoortunnel. De zilveren rails glansden dof in het oranje licht. 'Waar zijn we nu?' vroeg Smithback. 'Spoor100' zei de man. 'Twee niveaus onder de grond.' 'Zijn we er al?'

De lucifer ging uit en duisternis daalde weer neer. 'Volg mij,' zei de stem. 'Als ik zeg stop, dan stop je. Meteen.' Ze begaven zich het spoor op. Smithback moest nogmaals tegen zijn paniek vechten toen hij over de ijzeren rails struikelde. 'Stop,' kwam de stem. Smithback bleef staan terwijl een derde lucifer oplichtte. 'Zie je dat?' zei Staartschutter terwijl hij op een glanzende metalen balk wees waarnaast een felgele streep was geschilderd. 'Dat is de derde rail. Die staat onder stroom. Daar moet je niet op stappen.'

De lucifer doofde. Smithback hoorde de man een paar stappen doen in het dichte, vochtige donker. 'Nog een lucifer!' riep hij uit.

Een klein lichtpuntje. Smithback nam een grote stap over de derde rail heen.

'Zijn er daar nog meer van?' vroeg hij met een gebaar naar de rail. 'Ja,' antwoordde de kleine man. 'Die zal ik je laten zien.' 'Jezus,' zei Smithback terwijl de lucifer doofde. 'Wat gebeurt er als je daarop gaat staan?'

'Door de stroom knalt je lijf uit elkaar. Je armen, benen en kop worden eraf geblazen,' zei de ontlichaamde stem. Het bleef even stil. 'Je kunt er maar beter niet op gaan staan.'

Er flitste weer een lucifer aan, zodat een tweede geelgeverfde rail zichtbaar werd. Smithback stapte er voorzichtig overheen en keek toe hoe Staartschutter op een kleine opening in de muur tegenover hen wees, zowat zestig centimeter hoog en ruim een meter breed, gekapt uit de bodem van een oud booggewelf dat was dichtgemetseld met cementblokken.

'Hier gaan we naar beneden,' zei Staartschutter.

Smithback voelde een hete luchtstroom opstijgen, waarin een gore stank hing die hem bijna deed kokhalzen. Vermengd daarmee dacht Smithback even de geur van een houtvuur te ruiken.

'Naar beneden?' vroeg hij ongelovig, zijn gezicht afwendend. 'Alweer?

Bedoel je dat ik daar op mijn buik in moet kruipen?'

Maar zijn metgezel wrong zich al door de opening.

'Dat doe ik niet,' riep Smithback terwijl hij bij het gat neerhurkte. 'Luister eens. Ik ga daar niet in. Als die Mefisto wil praten, moet hij hierboven komen.'

Er volgde een stilte, en toen echode Staartschutters stem vanuit het duister aan de andere kant van het cementblok. 'Mefisto komt nooit hoger dan niveau drie.'

'Dan zal hij ditmaal een uitzondering moeten maken.' Smithback probeerde meer vertrouwen in zijn stem te leggen dan hij voelde. Hij besefte dat hij zichzelf in een onmogelijke positie had gemanoeuvreerd en dat hij totaal afhankelijk was van deze bizarre, labiele kerel. Het was weer pikdonker en hij zou van zijn levensdagen de weg terug niet kunnen vinden. Lange tijd bleef het stil. 'Ben je er nog?' vroeg Smithback. 'Wacht hier,' beval de stem plotseling.

'Ga je weg? Geef mij dan een paar lucifers,' smeekte Smithback. Er duwde iets tegen zijn knie en hij slaakte een kreet van schrik. Het was Staartschutters smerige hand, die vanuit het gat iets naar hem ophield. 'Is dat alles?' vroeg Smithback terwijl hij op de tast de drie lucifers telde.

'Meer kan ik niet missen,' kwam de stem, zwakker nu, en verder van hem vandaan. Er volgde nog iets, maar dat kon Smithback niet meer verstaan. Stilte daalde neer. Smithback leunde tegen de muur, bang om te gaan zitten, en hield de lucifers krampachtig in zijn hand geklemd. Hij vervloekte zichzelf dat hij zo stom was geweest om de man hierheen te volgen. Dit is geen enkel verhaal waard, dacht hij. Kon hij de weg terug vinden met drie lucifers? Hij kneep zijn ogen dicht en concentreerde zich. Hij probeerde zich iedere bocht en afslag te herinneren die hem hier gebracht hadden. Uiteindelijk gaf hij het op: zijn drie lucifers zouden hem amper over die onder stroom staande rails brengen.

Toen zijn knieën begonnen te protesteren, kwam hij overeind uit zijn gehurkte houding. Hij staarde de donkere tunnel in, zijn ogen wijd opengesperd, zijn oren gespitst. Het was zo volslagen duister dat hij zich in het donker dingen in het hoofd ging halen: bewegingen, vormen. Hij bleef roerloos staan en probeerde rustig adem te halen terwijl een oneindig lange tijd verstreek. Dit was pure waanzin. Kon hij maar...

'Klerk!' klonk een spookachtige stem zonder lichaam vanuit het gat aan zijn voeten.

'Wat?' kefte Smithback terwijl hij zich op zijn hielen omdraaide. 'Ik spreek toch tegen William Smithback, klerk, nietwaar?' De stem klonk gebroken en laag, een sinister en zangerig geluid vanuit de diepten onder hem.

'Ja, ja, ik ben Smithback. Bill Smithback. Wie bent u?' riep hij, uit zijn evenwicht gebracht doordat hij tegen een onzichtbare stem in het donker moest praten.

'Mefisto,' kwam de stem. De s in de naam werd uitgerekt tot een felle sisklank.

'Dat heeft lang geduurd,' antwoordde Smithback nerveus. Hij bukte zich naar het gat in het cementblok. 'Het is een heel eind, naar boven.'

Smithback zweeg even. Hij liet tot zich doordringen dat deze man, die nu ergens onder zijn voeten stond, een aantal niveaus omhóóg had moeten klimmen om hier te komen. 'Komt u naar boven?' vroeg hij.

'Nee! Je zou je vereerd moeten voelen, klerkje. In vijf jaar tijd ben ik niet zo dicht bij de oppervlakte geweest.'

'Waarom niet?' vroeg Smithback terwijl hij in het donker naar de microcassetterecorder tastte.

'Omdat dit mijn domein is. Ik heers over alles wat je hier ziet.' 'Maar ik zie helemaal niets.'

Een droog gegrinnik steeg op vanuit het gat in het cementblok. 'Mis! Je ziet zwart. En zwart is mijn domein. Boven je hoofd daveren de treinen voorbij en hollen de oppervlaktebewoners voort op hun zinloze tochten. Maar het territorium onder Central Park - Route 666, de Ho Chi Minh-route en het Blockhouse - dat is van mij.' Smithback dacht even na. De ironische naam Route 666 klonk logisch. De andere namen begreep hij niet. 'De Ho Chi Minh-route,' echode hij. 'Wat is dat?'

'Een gemeenschap, net als de andere,' siste de stem. 'Tegenwoordig gefuseerd met de mijne, ter bescherming. Er is een tijd geweest dat we die baan goed kenden. Velen van ons hebben gevochten in die cynische strijd tegen een onschuldig, achtergebleven volk. En zijn als dank in de doofpot gestopt. Nu leven we hier beneden, in een zelfopgelegde ballingschap. We ademen, paren, sterven. Onze grootste wens is met rust gelaten te worden.'

Smithback voelde weer aan de recorder en hoopte dat die alles opving. Hij had weleens gehoord dat een enkele zwerver in de metrogangen een schuilplaats zocht, maar een hele volksstam... 'Dus al uw burgers zijn dakloze mensen?' vroeg hij.

Het bleef even stil. 'Van dat woord houden we niet zo, klerk. We hebben wél een dak, en als jij niet zo angstig was, kon ik het aan je laten zien. We hebben alles wat we nodig hebben. De buizen leveren water voor koken en wassen, de kabels leveren elektriciteit. De paar dingen die we nodig hebben van de oppervlakte, worden gebracht door onze lopers. In het Blockhouse hebben we zelfs een verpleegster en een onderwijzer. Andere ondergrondse ruimten, zoals de spoorbanen van de West Side, zijn ongetemd, gevaarlijk. Maar hier leven we met waardigheid.'

'Een onderwijzer? Bedoelt u dat hier kinderen zijn?' 'Wat ben jij naïef. Velen van ons zijn hier juist omdat ze kinderen hebben, en omdat de kwaadaardige staatsmachine probeert die af te pakken en in pleeggezinnen onder te brengen. Ze verkiezen mijn wereld van warmte en duisternis boven jouw wereld van wanhoop, klerk.' 'Waarom noemt u me zo?'

Weer klonk het droge gegrinnik vanuit het gat. 'Dat ben je toch? William Smithback, klerk?' 'Ja, maar...'

'Voor een journalist ben je niet erg belezen. Bestudeer Popes The Dunciad voordat we elkaar weer spreken.'

Het begon tot Smithback door te dringen dat er meer achter deze persoon school dan hij oorspronkelijk verwacht had. 'Wie bent u echt?' vroeg hij. 'Ik bedoel, wat is uw echte naam?'

Weer bleef het een tijdje stil. 'Die heb ik, samen met al het andere, boven gelaten,' siste de onzichtbare stem. 'Nu ben ik Mefisto. Stel mij noch de anderen, ooit nog die vraag.'

Smithback slikte. 'Sorry,' zei hij.

Mefisto leek kwaad geworden te zijn. Zijn toon werd scherper en sneed door het donker. 'Je bent hier gebracht met een reden,' zei hij. 'De Wisher-moord?' vroeg Smithback gretig.

'In jouw artikelen staat dat haar lijk, en ook dat andere, geen hoofd hebben. Ik ben hier om je te vertellen dat het ontbreken van het hoofd nog het minste is.' Zijn stem brak in een raspende, vreugdeloze lach.

'Wat bedoelt u?' vroeg Smithback. 'Weet u wie het gedaan heeft?' 'Tot op zekere hoogte, ja,' siste Mefisto. 'Dezelfden die het ook op mijn mensen voorzien hebben. De Rimpelaars!' 'De Rimpelaars?' vroeg Smithback. 'In begrijp niet...' 'Hou dan je mond en luister, klerk! Ik heb gezegd dat mijn gemeenschap een veilige haven is. En dat is ook altijd zo geweest, tot een jaar geleden. Nu worden we aangevallen. Diegenen die voorbij de veilige gebieden dwalen, verdwijnen of worden vermoord. Vermoord op de meest gruwelijke wijzen. Onze mensen zijn bang geworden. Mijn lopers hebben keer op keer geprobeerd om deze zaak onder de aandacht van de politie te brengen. De politie!' Er klonk een kwaad, spuwend geluid, en toen, op hogere toon: 'De corrupte waakhonden van een maatschappij die moreel bankroet is. Voor hen zijn wij vuilnis, dat moet worden verslagen en uitgerookt. Onze levens betekenen helemaal niets. Hoeveel van onze mensen zijn er niet verdwenen of gedood? Dikzak, Hector, Donkere Annie, Master Sergeant, anderen. Maar één glanzend jong ding in zijde eindigt met een afgescheurd koppie en de hele stad verkeert in rep en roer!' Smithback likte zijn lippen. Hij begon zich af te vragen wat voor informatie deze Mefisto eigenlijk had. 'Wat bedoelt u precies met "aangevallen"?' vroeg hij.

Het bleef stil. 'Van buiten,' klonk het gefluisterde antwoord ten slotte.

'Van buiten?' vroeg Smithback. 'Hoe bedoelt u? Buiten, dus hierbuiten?' Wild keek hij in het donker om zich heen. 'Nee. Van buiten Route 666. Van buiten het Blockhouse,' kwam het antwoord. 'Er is nog een plek. Waar niemand ooit komt. Een jaar geleden begonnen er geruchten op te duiken dat die plek bewoond was. Toen begonnen de moorden. Onze mensen begonnen te verdwijnen. Eerst stuurden we zoekteams op pad. De meeste slachtoffers zijn nooit gevonden. Maar van diegenen die we wel vonden was het vlees opgegeten, het hoofd van het lijf gescheurd.' 'Wacht eens even,' zei Smithback. 'Het vlees opgegeten? Bedoelt u dat daar ergens een groep kannibalen zit, die mensen vermoordt en hun hoofden steelt?' Misschien was Mefisto toch geschift. Opnieuw begon Smithback zich af te vragen hoe hij weer aan de oppervlakte zou komen.

'Ik stel geen prijs op de toon van twijfel in je stem, klerk,' antwoordde Mefisto. 'Dat is precies wat ik bedoel. Staartschutter?' 'Ja?' zei een stem in Smithbacks oor. De journalist sprong opzij, met een kreet van verrassing en schrik. 'Hoe is hij hier teruggekomen?' hijgde Smithback. 'Er voeren vele wegen door mijn koninkrijk,' kwam de stem van Mefisto. 'En als je hier woont, in het heerlijke donker, raak je je nacht-blindheid kwijt.'

Smithback slikte. 'Luister,' zei hij, 'het is niet dat ik u niet geloof. Het is gewoon...'

'Zwijg!' waarschuwde Mefisto. 'We hebben lang genoeg gesproken. Staartschutter, breng hem terug naar de oppervlakte.' 'En de beloning dan?' vroeg Smithback verbaasd. 'Dat is toch waarvoor u me hebt laten halen?'

'Heb je dan niets gehoord van wat ik zei?' kwam het gesis. 'Aan jouw geld heb ik niets. De veiligheid van mijn mensen, daar maak ik me zorgen over. Keer terug naar je eigen wereld, schrijf je artikel. Vertel de mensen aan de oppervlakte wat ik jou gezegd heb. Vertel dat datgene wat Pamela Wisher heeft vermoord, ook mijn mensen aan het uitmoorden is. En die moorden moeten ophouden.' De onzichtbare stem klonk nu verder weg, echoënd door de donkere gangen onder Smithbacks voeten. 'Anders,' voegde hij er met angstaanjagende felheid aan toe, 'zoeken we andere manieren om onze stem te laten horen.'

'Maar ik moet...' begon Smithback.

Een hand sloot zich rond zijn elleboog. 'Mefisto is weg,' klonk Staartschutters stem naast hem. 'Ik breng je naar boven.'