3
De telefoon rinkelde plotseling en verbrak de stilte in het kleine museumkantoor. Margo Green, haar gezicht vlak voor het scherm van haar computer, schoot met een schuldig gebaar overeind. Een lok kort bruin haar viel over haar ogen.
Weer ging de telefoon over, en ze liep erheen om op te nemen maar aarzelde toen. Ongetwijfeld was dat weer een van die computerfreaks van Dataprocessing, die belde over de enorme hoeveelheden computertijd die haar programma voor cladistische regressie opslorpte, het computersimulatieprogramma waarmee ze de evolutie van verschillende diersoorten bestudeerde. Ze leunde achterover en wachtte tot de telefoon zou zwijgen. De spieren in haar rug en benen voelden op een prettige manier bijna pijnlijk aan na de conditietraining van de vorige avond. Ze pakte de handtrainer van haar bureau en begon die in te knijpen op een manier die intussen zo bekend was dat het bijna instinctief ging. Over vijf minuten was haar programma klaar. Dan mochten ze klagen zoveel ze wilden.
Ze was op de hoogte van het nieuwe beleid ten aanzien van kostenbesparingen. Grote batch-verwerkingen moesten tegenwoordig aangevraagd worden. Maar dan had ze een uitgebreide e-mailcorrespondentie moeten voeren voordat ze het programma kon draaien. En ze had de resultaten meteen nodig.
Bij Columbia, waar ze college had gegeven totdat ze assistent-curator was geworden bij het Natural History Museum in New York, hadden ze tenminste niet onophoudelijk midden in een zoveelste bezuinigingsronde gezeten. En hoe meer het museum tegenwoordig in financiële problemen geraakte, des te meer leek het te hechten aan uiterlijk vertoon in plaats van werkelijke inhoud. Margo had de eerste aankondigingen voor de gigantische expositie van volgend jaar al gezien: De plagen van de eenentwintigste eeuw. Ze keek naar het scherm om te zien hoe ver het regressieprogramma was, legde de handtrainer neer, deed een greep in haar tas en haalde er de New York Post uit. De Post en een kop zwarte Kilimanjaro-koffie vormden tegenwoordig op werkdagen haar ochtendritueel. De uitdagende houding van de Post had iets verfrissends, zoals de dikke jongen in Dickens' The Pickwick Papers. Bovendien wist ze dat haar jarenlange vriend Bill Smithback razend zou zijn als ze ook maar een van zijn artikelen over moordzaken had gemist. Ze streek de krant op haar knieën glad en moest grinniken toen ze de kop zag. Dat was nou weer typisch de Post, een schreeuwende 96-punts banier over driekwart van de voorpagina:
RIOOLLIJK
BLIJKT VERMIST SOCIETYMEISJE TE ZIJN
Ze keek naar de eerste alinea. Ja hoor, dat was Smithbacks werk. Het tweede voorpagina-artikel deze maand, dacht ze. Dat zou voor Smithback aanleiding zijn om al zijn veren op te strijken en nog onmogelijker in de omgang te worden dan normaal. Snel nam ze het artikel door. Typisch Smithback: sensationeel en macaber, vol aandacht voor gruwelijke details. In de eerste alinea's vatte hij kort de feiten samen die alle New Yorkers intussen kenden. De 'beeldschone erfgename' Pamela Wisher, bekend om haar marathon-uitspattingen, was twee maanden tevoren verdwenen vanuit een club in een souterrain aan Central Park South. Sinds die tijd was haar 'glimlachende gezicht met de schitterende tanden, de lege blauwe ogen en het dure blonde haar' op iedere straathoek tussen 57th en 9óth aangeplakt. Vaak genoeg had Margo de kleurenposters gezien als ze vanuit haar flat aan West End Avenue naar het museum jogde.
Nu, meldde het artikel op ademloze toon, was het stoffelijk overschot dat de vorige dag in Humboldt Kill was gevonden, 'begraven in een dikke laag vuil en in de benige omarming van een tweede skelet', geïdentificeerd als dat van Pamela Wisher. Van het tweede skelet was de identiteit nog niet vastgesteld. Een foto bij het artikel toonde Wishers vriend, de jonge Viscount Adair, gezeten op de stoeprand voor de Platypus Lounge met zijn hoofd in zijn handen, enkele minuten nadat hij had gehoord over haar ijzingwekkende dood. De politie had, uiteraard, 'direct maatregelen getroffen'. Smithback eindigde met een aantal citaten van voorbijgangers, van het genre 'ik hoop dat de klootzak die dit gedaan heeft op de elektrische stoel komt'. Ze liet de krant zakken en dacht aan het korrelige gezicht van Pamela Wisher dat haar vanaf de vele posters had aangestaard. Ze verdiende een beter lot dan het New Yorkse gruwelverhaal van deze zomer te worden.
Margo's gedachten werden weer onderbroken door het schrille geluid van de telefoon. Ze keek naar haar computer en zag tot haar genoegen dat het programma eindelijk klaar was. Laat ik nu maar opnemen, dacht ze. Ze moest het verhaal toch een keer aanhoren.'Met Margo Green,' zei ze.
'Dokter Green?' vroeg de stem. 'Nou, dat werd tijd.' Het vette accent van Queens klonk ergens bekend, als in een halfvergeten droom. Kortaf, autoritair. Margo zocht haar geheugen af naar het gezicht dat bij de stem aan de andere kant van de lijn hoorde.
'Het enige dat we kunnen zeggen is dat op dit perceel een lijk is gevonden, onder omstandigheden die momenteel onderzocht worden...' Verrast leunde ze achterover. 'Inspecteur D'Agosta?' vroeg ze.
'We hebben u nodig in het lab voor forensische antropologie,' zei D'Agosta. 'En wel nu meteen, graag.' 'Mag ik...?'
'Dat mag u niet. Sorry. Maakt niet uit waar u mee bezig bent, hou ermee op en kom naar beneden.' Met een scherpe klik was het gesprek beëindigd. Margo hield de telefoon een eindje weg van haar gezicht en keek naar de hoorn alsof ze nadere toelichting verwachtte. Toen opende ze haar grote tas en legde de Post terug, die ze zorgvuldig over een klein half-automatisch pistool heen vlijde, schoof haar stoel naar achteren en stapte snel haar kantoor uit.