37
Lidia wachtte op de afgesproken plek op hem. Ze hield een tuktuk aan en ze vertrokken. De zon moest nog opkomen. De kleine driewielertaxi met open zijkanten reed door het nog rustige Bangkok, wat betekende dat Harry kon genieten van de stad met haar mengeling van koloniale architectuur, houten hutjes en huizen in Thaise stijl. Hij wou alleen dat hij lichamelijk sterk genoeg was geweest om de stad verder te verkennen.
Ze arriveerden bij het station, dat bruiste van activiteit. Oude treinen stonden op rangeersporen, overdekt met de roest van vele jaren niet-aflatende regen in de regentijd. Lidia kocht hun kaartjes en weigerde geld van Harry aan te nemen. Ze liep over de perrons tot ze de juiste trein had gevonden. Ze stapten in een al drukke wagon en de plaatselijke bewoners keken Harry gefascineerd aan toen Lidia en hij door het smalle gangpad naar een vrij bankje zochten.
Harry had de kaart in Giselles kantoor bestudeerd en wist dat ze langs de kust naar het oosten reisden, naar een streek die Trat heette. Koh Chang, een stipje in het water, was waarschijnlijk per boot te bereiken.
‘Hoelang duurt de reis?’ vroeg Harry.
‘Het kost vier uur tot Chanthaburi, daar stappen wij over. En nog drie uur naar Trat,’ antwoordde Lidia, terwijl ze vakkundig een verse mango uit haar mandje in stukken sneed en aan hem gaf. ‘Dan mijn oom komt met zijn vissersboot en neemt ons mee voor oversteek naar Koh Chang.’
‘Verwacht je familie mij?’
‘Ik kan niet laten weten, want geen telefoon op het eiland. Maar zij vinden niet erg. Ik beloof je, Harry. Maar in Chanthaburi,’ zei ze, en ze zwaaide glimlachend met haar mes, ‘wij kopen kleren voor jou.’
‘Ik heb al kleren, Lidia.’ Harry wees naar het koffertje in het rek boven zijn hoofd.
Lidia giechelde. ‘Nee, nee, Harry, jouw kleren niet goed voor Song Kran-festival. Jij zult zien wat ik bedoel.’ Ze glimlachte geheimzinnig.
De trein kuchte een rookpuim uit, verliet de verspreide buitenwijken van de stad en reed over een spoor met aan weerszijden honderden reusachtige bananenbomen. Kinderen zwaaiden en glimlachten enthousiast naar hen. Lidia zat naast hem te doezelen; Harry begreep niet dat ze kon slapen op de harde houten bank. Maar met haar hoofd op zijn schouder en de zoete geur van de olie die ze in haar haren gebruikte in zijn neusgaten, voelde Harry zich heel vredig. Hij zou drie hele dagen dicht bij haar zijn en hij kon geen plek bedenken waar hij liever was.
Hij moest in slaap zijn gevallen, want het volgende wat hij opmerkte, was dat de trein afremde en Lidia hem zachtjes door elkaar schudde. Hij stond op, pakte zijn koffertje uit het rek en volgde Lidia het perron op. Ze werden meteen omringd door straatventers die hen benaderden met eten, drinken, jasmijnslingers en ruw uitgesneden houten dieren. Lidia leidde Harry van hen weg en zette hem op een bankje onder een bamboeluifel.
‘Jij blijft hier. Ik haal lunch.’
Een klein Thais kind kwam glimlachend naar hem toe, gefascineerd. Harry veegde zijn voorhoofd af en nam een slok water. Toen kwam Lidia terug met hun lunch en ze legde een stapeltje katoenen lakens voor hem neer. ‘Pas deze aan.’
‘Moet ik dat dragen?’ vroeg hij, een rood tafelkleed omhooghoudend dat een broek bleek te zijn met kennelijk een klein schort aan de voorkant. Er zat ook een wijd, wit katoenen shirt bij.
Ze wees naar een bamboehutje vlakbij. ‘Pas daar maar aan.’
Hij kleedde zich zo snel mogelijk uit, blij dat hij de broek van zware keper en het overhemd van een uitstekende kwaliteit katoen uit had, en trok de spullen aan die Lidia hem had gegeven. Hij moest even puzzelen voor hij eruit was hoe het werkte met de broek in driekwart lengte, maar slaagde er uiteindelijk in het schort voor vast te maken zoals de plaatselijke bevolking dat deed, waardoor het leek of hij een rok droeg.
Het Thaise meisje stond bij Lidia op hem te wachten en schaterde toen ze hem zag.
‘Ik zie er vast belachelijk uit,’ zei hij gegeneerd.
‘Nee, Harry,’ zei Lidia zacht. ‘Je ziet eruit als Thaise man. Beter voor eiland en Song Kran. Nu ik omkleden.’ Lidia vertrok en Harry vermaakte zich door het meisje Engelse woordjes te leren. Hij werd beloond met een prachtige glimlach en een ruwe uitspraak van de woorden die hij tegen haar zei.
Harry hapte naar adem toen Lidia tevoorschijn kwam. In plaats van haar westerse uniform droeg ze een broek die leek op de zijne en een eenvoudige roze katoenen blouse in Chinese stijl. De meest opmerkelijke verandering was echter haar haar: ze had het losgemaakt uit de strakke knot op haar achterhoofd en het viel nu in een glanzende zwarte massa over haar schouders tot aan haar middel.
Harry stak onwillekeurig zijn vingers uit en wilde ze door de vrouwelijke weelde ervan halen. Hij keek omlaag en zag dat haar kleine voeten bloot waren. De volmaakte tenen biologeerden hem. Hij was het in Engeland niet gewend vrouwenvoeten te zien. Het zag er zo intiem, zo naakt uit dat Harry zijn kruis tot leven voelde komen. Hij was blij dat het vreemde schort dat hij droeg nog ergens goed voor was.
‘Nu wij moeten in nieuwe trein stappen,’ zei Lidia.
Harry zei het kleine meisje gedag en stond op om Lidia te volgen
Achter hen riep iemand: ‘Jullie verliefd! Jullie trouwen!’
Ze reisden nog drie uitputtende uren verder en Harry was vreselijk opgelucht toen de trein eindelijk stopte. Een korte busrit bracht hen naar een pier en toen Harry uitstapte werd hij begroet door een prachtige turquoise zee en een in wolken gehulde bergachtige landmassa in de verte.
‘Dat is Koh Chang,’ wees Lidia hem aan. ‘Kijk, daar is mijn oom; hij wacht op ons!’
Harry volgde Lidia naar een van de talloze vissersboten die zachtjes langs de pier lagen te deinen. Hij bleef iets achter toen Lidia haar oom liefdevol begroette. Er volgde een gesprek in snel Thais en er werd naar Harry gewezen voordat Lidia hem wenkte.
‘Harry, dit is Tong, mijn oom, maar hij spreekt geen Engels.’
Oom Tong boog voor hem in de traditionele Thaise begroeting en kwam weer rechtop met een brede tandeloze grijns en gaf Harry een stevige handdruk. Hij zei iets tegen Harry en Lidia vertaalde voor hem dat hij blij was hem in de familie te mogen verwelkomen voor de traditie van Song Kran.
‘Zeg alsjeblieft tegen je oom dat het me een eer is hier te zijn,’ antwoordde Harry toen Tong hem in de boot hielp, en ze naar Koh Chang vertrokken.
Toen ze de kalme oceaan overstaken dook de ondergaande zon plotseling in zee en begon het licht te vervagen. Binnen een kwartier naderden ze de kust en was de duisternis ingevallen. Tong haalde twee olielampen tevoorschijn en stak ze aan. Lidia keek opgetogen naar Harry toen haar oom hem op het droge hielp en hij het zachte zand onder zijn voeten voelde.
‘Welkom, Harry, op mijn vaders thuiseiland,’ zei Lidia glimlachend.
Het was moeilijk voor Harry om op zijn omgeving te reageren, want het was nu aardedonker, maar ze liepen over het strand. En tussen hoge palmbomen stonden houten hutten die werden verlicht door de zachte gloed van olielampen. Toen ze die naderden, kwamen een oude vrouw en een groep kinderen over het zand naar hen toe. Ze riepen begroetingen naar Lidia, die naar hen toe rende. Harry keek hoe de oude vrouw, van wie Harry aannam dat het haar grootmoeder was, Lidia in haar armen nam. Toen Lidia zich weer naar hem omdraaide, weerspiegelde de olielamp de schittering in haar ogen.
‘Kom, Harry, kom en ontmoet mijn familie. Ze zijn blij dat jij hier bent om met ons Song Kran te vieren.’
Harry maakte kennis met de grote familie: Lidia’s grootmoeder en grootvader, haar oom en tante met hun vier kinderen, en nog een tante en haar man met hun drie kinderen.
Harry kreeg een flesje bier van Tong. Hij ging op een van de matjes op het zand zitten en werd meteen omringd door kleine neefjes en nichtjes. Ze spraken allemaal een paar woordjes Engels en vuurden vragen op Harry af over zijn gevechten in de oorlog, en ze vroegen of hij Japanners had gedood. Hij antwoordde zo goed hij kon en wist niet zeker of ze er veel van begrepen, maar hij werd een tamelijk bedreven mimespeler. Toen hij zijn denkbeeldige geweer op een denkbeeldige Japanse soldaat richtte, renden de kinderen over het strand weg. Ze schreeuwden ‘Pang! Pang’ en richtten hun eigen denkbeeldige geweren.
Lidia kwam uit het donker tevoorschijn en ging gracieus naast hem zitten. ‘Vannacht jij slaapt hier in hut op strand. Mijn tante, zij maakt die nu voor jou klaar.’
‘Dank je,’ antwoordde Harry. ‘Waar slaap jij?’
‘In mijn grootmoeders huis, in dorp achter strand.’
‘En wie woont hier?’ vroeg hij.
‘Mijn oom Tong, tante kitima en hun kinderen. Hij is visser en is graag dicht bij werk. Zij bouwen groot huis in dorp en op een dag zij gaan daar wonen.’
‘Ik zou hier blijven’, mompelde hij terwijl hij naar de maan keek. Hij had de cyclus ervan bestudeerd omdat hij toch niets beter te doen had tijdens de lange nachten in Changi. Aan de grootte en vorm kon hij zien dat het de volgende avond volle maan zou zijn. Hij hoorde de golven vijftig meter verderop zachtjes breken op het zand. ‘Het is zo heerlijk rustgevend,’ voegde hij eraan toe.
‘Ik ben blij jij vindt het fijn. Ben je nu klaar voor eten?’ Lidia wees naar het vuur met de grill vol vette verse vis erboven.
Harry knikte en hees zich overeind.
Ze gingen allemaal samen aan een lange houten tafel zitten, de kinderen op matjes rondom de volwassenen, en aten de lekkerste vis die Harry ooit had geproefd. De kinderen hadden grote kokosnoten en dronken met smaak de melk die erin zat. Hij verstond niet veel van het gepraat om hem heen; maar de taal van een gelukkige, warme en gezellige familiebijeenkomst was in feite universeel. Lidia zat tussen haar grootouders en keek vaak naar hem, waarbij haar ogen vroegen of alles in orde was.
Hij glimlachte altijd terug: alles in orde.
Ongeveer een uur later begonnen de vermoeienissen van de dag hun tol van Harry te eisen. Hij geeuwde,maar probeerde het te verbergen.
Lidia zag het meteen en fluisterde haar tante iets toe, die in haar handen klapte. De kinderen om haar heen zwegen meteen. Ze zei iets tegen hen en ze knikten triest, wetend dat de tijd van stoeien op het strand voorbij was en dat ze naar bed moesten.
Lidia liep naar Harry. ‘Mijn tante laat je zien waar jij slaapt,’ zei ze. ‘Ik kom jou morgen halen, oké?’
‘Je hoeft je echt niet te haasten, Lidia. Geniet alsjeblieft van je familie. Ik ben al heel blij dat ik hier mag zijn, en je familie is erg gastvrij geweest. Zeg alsjeblieft dankjewel namens mij.’
‘Nou, Harry jij kunt dat zelf zeggen,’ moedigde ze hem aan.
‘Ja, natuurlijk. Kop khun krup,’ zei hij, en hij maakte een wat stijve buiging. De glimlachende gezichten waren vol genegenheid en waardering, niet van hoon. Hij volgde Lidia’s tante over het strand en ze wees hem de laatste hut aan.
‘Meneer Harry, wij blij… u hier.’ Ze beantwoordde zijn inspanning met haperend Engels.
‘Dank u,’ zei hij, en hij drukte de houten klink van de hut omlaag. ‘Goedenacht.’ Hij stapte naar binnen en zag dat de hut leeg was, op een matras op de vloer, een fris gewassen laken en een klamboe na. Te uitgeput om zijn kleren uit te trekken ging hij op het bed liggen. Hij viel meteen in slaap.